Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-05-11
ECLI:NL:RBDHA:2026:11501
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,020 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:11501 text/xml public 2026-05-12T10:19:40 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-11 NL26.14627 en AWB 26-4180 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Groningen Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11501 text/html public 2026-05-12T10:12:41 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11501 Rechtbank Den Haag , 11-05-2026 / NL26.14627 en AWB 26-4180 HTL + Artikel 56 VW. Incident van zeer grote impact. Ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummers: AWB 26/4180 en NL26.14627 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [vreemdeling], eiser, V-nummer: [v-nummer] (gemachtigde: mr. R.J. Schenkman), en het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa, alsmede de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: drs. B.H. Wezeman). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep van eiser is gericht tegen het besluit van het COa van 19 februari 2026. In dat besluit heeft het COa besloten om eiser vanaf 19 februari 2026 in de HTL in Hoogeveen te plaatsen (hierna: het plaatsingsbesluit). Het tweede beroep van eiser richt zich tegen het besluit van de minister van 19 februari 2026 om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van de Vw op te leggen (hierna: de vrijheidsbeperkende maatregel). De rechtbank merkt het beroep ook aan als een verzoek om schadevergoeding. 1.1. Eiser heeft op 16 maart 2026 beroepsgronden ingediend, waarop het COa op 22 april 2026 een verweerschrift heeft ingediend. 1.2. De rechtbank heeft de beroepen op 30 april 2026 op zitting behandeld. Gemachtigde is zonder eiser verschenen. De minister en het COa hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek in beide zaken op de zitting gesloten. Beoordeling door de rechtbank 2. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt, dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en dat eiser ook geen vergoeding krijgt in de proceskosten. Hierna legt de rechtbank hoe zij tot dit oordeel komt. Het beroep tegen het plaatsingsbesluit De feitelijke verslaglegging van het incident 3. In de verslaglegging van het COa staat over het incident het volgende. In de nacht van zondag 15 februari op maandag 16 februari 2026 meldde bewoonster B zich samen met haar twee minderjarige kinderen bij de beveiligingsloge. De beveiliger nam waar dat de bewoonster, die zichtbaar zwanger is, uitingen van angst vertoonde en duidelijk waarneembaar fysiek letsel in haar gezicht had. Volgens de verklaring van bewoonster B was zij omstreeks 01:00 uur in die nacht in slaap aangevallen door haar echtgenoot, bewoner A. Zij verklaarde dat zij meermaals met de vuist in haar gezicht was geslagen terwijl zij in bed lag. Ter onderbouwing van de feiten en met uitdrukkelijke toestemming van bewoonster B zijn er door de beveiliging foto’s van het letsel gemaakt. Op die beelden is vastgelegd dat bewoonster B verwondingen heeft opgelopen aan haar voorhoofd, beide wangen, neus en ook een wond op haar hoofd waaruit bloed vloeide. Tijdens het gesprek bij de beveiligingsloge verscheen bewoner A ter plaatse waarbij de beveiliger vaststelde dat bewoner A zich direct verbaal agressief opstelde en bewoonster B in de Arabische taal uitschold. Bewoonster B vertoonde op dat moment een angstige houding en reageerde niet op de verbale agressie van bewoner A, waarop de beveiliging ingreep en bewoner A sommeerde om onmiddellijk terug te keren naar de kamer, waaraan bewoner A gehoor gaf. Bewoonster B gaf aan de beveiliging aan dat zij geen behoefte had aan politie-interventie. Na overleg met de achterwacht werd toch besloten om de veiligheid te waarborgen voor bewoonster B en haar kinderen, door hen voor de rest van de nacht te laten doorbrengen in een noodkamer. Op maandag 16 februari 2026 vond een vervolggesprek plaats tussen het COa en bewoonster B, waarbij bewoonster B verklaarde dat zij rond 01:00 uur sliep met haar kinderen, waarbij haar jongste zoon op haar arm lag. Zij werd wakker door meerdere vuistslagen op haar hoofd, gezicht en linkerschouder. Ook de kinderen werden hierdoor wakker. Bewoonster B toonde het COa de resterende letselsporen, waaronder rode plekken op haar voorhoofd en wenkbrauwen en zichtbare sporen van bloed als gevolg van de hoofdwond. Bewoonster A gaf aan dat het geweld begon door een beschuldiging van bewoner A, die beweerde dat hij haar met vier andere mannen in bed had gezien. Volgens de aanvullende verklaring van bewoonster B is er sprake van een structurele onveilige situatie die samenhangt met het gebruik van harddrugs door bewoner A. Hierdoor blijft bewoner A vaak s’ nachts wakker, wat de nachtrust van het gezin verstoort. De oudste dochter was getuige van de mishandeling en zag het bloed van het hoofd van haar moeder druipen. Hoewel bewoonster B bevestigde dat de kinderen niet fysiek worden mishandeld, zijn zij wel herhaaldelijk getuige geweest van huiselijk geweld. Bewoonster B benadrukte dat zij geen aangifte wilde doen en bewoner A niet gestraft wilde zien, maar dat zij wel dringend hulp wilde voor zijn verslavingsproblematiek en een scheiding van hun verblijfssituatie wilde, aangezien eerdere meldingen bij het COa niet tot een gedragsverandering bij bewoner A hadden geleid. 3.1. Eisers beroepsgrond dat de weergegeven feiten niet juist zijn en dat deze daardoor niet aan het plaatsingsbesluit ten grondslag kunnen worden gelegd, slaagt niet. Eisers enkele niet onderbouwde stelling dat hij bewoonster B (zijn echtgenote) niet heeft geslagen, maar dat zij zichzelf tegen de muur sloeg omdat zij graag wil terugkeren naar Syrië, is niet onderbouwd en naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de andere feitelijke omstandigheden niet aannemelijk. In dat verband is van belang dat de beveiliger bij de beveiligingsloge heeft waargenomen dat bewoonster B uitingen van angst vertoonde en dat toen eiser bij de loge verscheen, hij zich direct verbaal agressief opstelde en bewoonster B in de Arabische taal uitschold. Door de beveiliger is toen ook duidelijk fysiek letsel in het gezicht van bewoonster B waargenomen en dit is met uitdrukkelijke toestemming van bewoonster B gefotografeerd. Bovendien is bewoonster B met de kinderen kort daarna ondergebracht in de noodkamer. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de foto's van het letsel onderdeel hadden moeten uitmaken van het dossier, omdat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de feitelijke verslagging door het Coa. De impact van het incident 4. De rechtbank is van oordeel dat het COa het incident terecht heeft gekwalificeerd als een incident met een zeer grote impact, omdat het gaat om agressie of geweld met als doel de ander ernstig fysieke schade toe te brengen. Vast staat immers dat bewoonster B was aangevallen door eiser, waarbij zij meermaals met de vuist in haar gezicht is geslagen. Ook staat vast dat bewoonster B daardoor verwondingen heeft opgelopen aan haar voorhoofd, beide wangen, neus en een wond op haar hoofd waaruit bloed vloeide. Tijdens het vervolggesprek op 16 februari 2026 toonde bewoonster B aan de COa-medewerkers de resterende letselsporen, waaronder rode plekken op haar voorhoofd en wenkbrauwen en zichtbare sporen van bloed als gevolg van de hoofdwond. Dat bewoonster B benadrukte dat zij niet wilde dat eiser gestraft zou worden en zij ook geen aangifte wilde doen, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat het incident niet gekwalificeerd kan worden als een incident met een zeer grote impact. Dat er volgens eiser enkel sprake is van een echtelijke ruzie c.q. een tijdelijke huwelijks/relatiecrisis en dat dit blijkt uit de omstandigheid dat bewoonster B hoogstens heeft verzocht om een tijdelijke verblijfssituatie, doet evenmin af aan de impact van het incident. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat het plaatsingsbesluit drie dagen na het incident is opgelegd.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:11501 text/xml public 2026-05-12T10:19:40 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-11 NL26.14627 en AWB 26-4180 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Groningen Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11501 text/html public 2026-05-12T10:12:41 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11501 Rechtbank Den Haag , 11-05-2026 / NL26.14627 en AWB 26-4180 HTL + Artikel 56 VW. Incident van zeer grote impact. Ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummers: AWB 26/4180 en NL26.14627 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [vreemdeling], eiser, V-nummer: [v-nummer] (gemachtigde: mr. R.J. Schenkman), en het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa, alsmede de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: drs. B.H. Wezeman). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep van eiser is gericht tegen het besluit van het COa van 19 februari 2026. In dat besluit heeft het COa besloten om eiser vanaf 19 februari 2026 in de HTL in Hoogeveen te plaatsen (hierna: het plaatsingsbesluit). Het tweede beroep van eiser richt zich tegen het besluit van de minister van 19 februari 2026 om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van de Vw op te leggen (hierna: de vrijheidsbeperkende maatregel). De rechtbank merkt het beroep ook aan als een verzoek om schadevergoeding. 1.1. Eiser heeft op 16 maart 2026 beroepsgronden ingediend, waarop het COa op 22 april 2026 een verweerschrift heeft ingediend. 1.2. De rechtbank heeft de beroepen op 30 april 2026 op zitting behandeld. Gemachtigde is zonder eiser verschenen. De minister en het COa hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek in beide zaken op de zitting gesloten. Beoordeling door de rechtbank 2. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt, dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en dat eiser ook geen vergoeding krijgt in de proceskosten. Hierna legt de rechtbank hoe zij tot dit oordeel komt. Het beroep tegen het plaatsingsbesluit De feitelijke verslaglegging van het incident 3. In de verslaglegging van het COa staat over het incident het volgende. In de nacht van zondag 15 februari op maandag 16 februari 2026 meldde bewoonster B zich samen met haar twee minderjarige kinderen bij de beveiligingsloge. De beveiliger nam waar dat de bewoonster, die zichtbaar zwanger is, uitingen van angst vertoonde en duidelijk waarneembaar fysiek letsel in haar gezicht had. Volgens de verklaring van bewoonster B was zij omstreeks 01:00 uur in die nacht in slaap aangevallen door haar echtgenoot, bewoner A. Zij verklaarde dat zij meermaals met de vuist in haar gezicht was geslagen terwijl zij in bed lag. Ter onderbouwing van de feiten en met uitdrukkelijke toestemming van bewoonster B zijn er door de beveiliging foto’s van het letsel gemaakt. Op die beelden is vastgelegd dat bewoonster B verwondingen heeft opgelopen aan haar voorhoofd, beide wangen, neus en ook een wond op haar hoofd waaruit bloed vloeide. Tijdens het gesprek bij de beveiligingsloge verscheen bewoner A ter plaatse waarbij de beveiliger vaststelde dat bewoner A zich direct verbaal agressief opstelde en bewoonster B in de Arabische taal uitschold. Bewoonster B vertoonde op dat moment een angstige houding en reageerde niet op de verbale agressie van bewoner A, waarop de beveiliging ingreep en bewoner A sommeerde om onmiddellijk terug te keren naar de kamer, waaraan bewoner A gehoor gaf. Bewoonster B gaf aan de beveiliging aan dat zij geen behoefte had aan politie-interventie. Na overleg met de achterwacht werd toch besloten om de veiligheid te waarborgen voor bewoonster B en haar kinderen, door hen voor de rest van de nacht te laten doorbrengen in een noodkamer. Op maandag 16 februari 2026 vond een vervolggesprek plaats tussen het COa en bewoonster B, waarbij bewoonster B verklaarde dat zij rond 01:00 uur sliep met haar kinderen, waarbij haar jongste zoon op haar arm lag. Zij werd wakker door meerdere vuistslagen op haar hoofd, gezicht en linkerschouder. Ook de kinderen werden hierdoor wakker. Bewoonster B toonde het COa de resterende letselsporen, waaronder rode plekken op haar voorhoofd en wenkbrauwen en zichtbare sporen van bloed als gevolg van de hoofdwond. Bewoonster A gaf aan dat het geweld begon door een beschuldiging van bewoner A, die beweerde dat hij haar met vier andere mannen in bed had gezien. Volgens de aanvullende verklaring van bewoonster B is er sprake van een structurele onveilige situatie die samenhangt met het gebruik van harddrugs door bewoner A. Hierdoor blijft bewoner A vaak s’ nachts wakker, wat de nachtrust van het gezin verstoort. De oudste dochter was getuige van de mishandeling en zag het bloed van het hoofd van haar moeder druipen. Hoewel bewoonster B bevestigde dat de kinderen niet fysiek worden mishandeld, zijn zij wel herhaaldelijk getuige geweest van huiselijk geweld. Bewoonster B benadrukte dat zij geen aangifte wilde doen en bewoner A niet gestraft wilde zien, maar dat zij wel dringend hulp wilde voor zijn verslavingsproblematiek en een scheiding van hun verblijfssituatie wilde, aangezien eerdere meldingen bij het COa niet tot een gedragsverandering bij bewoner A hadden geleid. 3.1. Eisers beroepsgrond dat de weergegeven feiten niet juist zijn en dat deze daardoor niet aan het plaatsingsbesluit ten grondslag kunnen worden gelegd, slaagt niet. Eisers enkele niet onderbouwde stelling dat hij bewoonster B (zijn echtgenote) niet heeft geslagen, maar dat zij zichzelf tegen de muur sloeg omdat zij graag wil terugkeren naar Syrië, is niet onderbouwd en naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de andere feitelijke omstandigheden niet aannemelijk. In dat verband is van belang dat de beveiliger bij de beveiligingsloge heeft waargenomen dat bewoonster B uitingen van angst vertoonde en dat toen eiser bij de loge verscheen, hij zich direct verbaal agressief opstelde en bewoonster B in de Arabische taal uitschold. Door de beveiliger is toen ook duidelijk fysiek letsel in het gezicht van bewoonster B waargenomen en dit is met uitdrukkelijke toestemming van bewoonster B gefotografeerd. Bovendien is bewoonster B met de kinderen kort daarna ondergebracht in de noodkamer. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de foto's van het letsel onderdeel hadden moeten uitmaken van het dossier, omdat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de feitelijke verslagging door het Coa. De impact van het incident 4. De rechtbank is van oordeel dat het COa het incident terecht heeft gekwalificeerd als een incident met een zeer grote impact, omdat het gaat om agressie of geweld met als doel de ander ernstig fysieke schade toe te brengen. Vast staat immers dat bewoonster B was aangevallen door eiser, waarbij zij meermaals met de vuist in haar gezicht is geslagen. Ook staat vast dat bewoonster B daardoor verwondingen heeft opgelopen aan haar voorhoofd, beide wangen, neus en een wond op haar hoofd waaruit bloed vloeide. Tijdens het vervolggesprek op 16 februari 2026 toonde bewoonster B aan de COa-medewerkers de resterende letselsporen, waaronder rode plekken op haar voorhoofd en wenkbrauwen en zichtbare sporen van bloed als gevolg van de hoofdwond. Dat bewoonster B benadrukte dat zij niet wilde dat eiser gestraft zou worden en zij ook geen aangifte wilde doen, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat het incident niet gekwalificeerd kan worden als een incident met een zeer grote impact. Dat er volgens eiser enkel sprake is van een echtelijke ruzie c.q. een tijdelijke huwelijks/relatiecrisis en dat dit blijkt uit de omstandigheid dat bewoonster B hoogstens heeft verzocht om een tijdelijke verblijfssituatie, doet evenmin af aan de impact van het incident. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat het plaatsingsbesluit drie dagen na het incident is opgelegd.