Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-05-11
ECLI:NL:RBDHA:2026:11464
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,100 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:11464 text/xml public 2026-05-18T12:00:24 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-11 NL25.36405 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11464 text/html public 2026-05-11T15:49:37 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11464 Rechtbank Den Haag , 11-05-2026 / NL25.36405 Erkend als vluchteling maar in besluit niet gemotiveerd waarom niet van opgegeven leeftijd is uitgegaan. Beroep gegrond. In beroep aanvullende motivering ten aanzien van leeftijd, op basis van resultaten leeftijdsschouw. Leeftijdsschouw voldoet echter niet aan de eisen die aan een dergelijke schouw zijn gesteld. Geen aanleiding om rechtsgevolgen van vernietigde besluit in stand te laten. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL25.36405 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser (gemachtigde: mr. M.K. Bulthuis), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. C. Stoute). Procesverloop Eiser heeft op 21 september 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 15 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister het asielverzoek van eiser ingewilligd en hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft aan het dossier een brief gedateerd 19 februari 2026 toegevoegd. In het begeleidend schrijven stelt de minister dat dit een aanvullend besluit is. De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Het bestreden besluit en het onderwerp van geschil 1. Eiser is het eens met het bestreden besluit voor zover hem daarmee een verblijfsvergunning asiel is verleend. Hij is het echter niet eens met de leeftijd die de minister in dat besluit heeft opgenomen, uitgaande van de geboortedatum [geboortedag 1] 2005. Eiser stelt dat hij is geboren op [geboortedag 2] 2006, dat is ook de datum die hij heeft opgegeven toen hij de asielaanvraag indiende. Is de brief van 19 februari 2026 een aanvullend besluit? 2. Op grond van artikel 6:19, eerste lid van de Awb heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat geen sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wanneer de rechtsgevolgen van een besluit met een nadere motivering niet zijn gewijzigd. 3. In de brief die de minister heeft aangeduid als aanvullend besluit, heeft de minister gemotiveerd waarom hij zich op het standpunt heeft gesteld dat eiser, op het moment dat eiser de asielaanvraag indiende, meerderjarig was. De minister heeft in deze brief de geboortedatum [geboortedag 1] 2005 opgenomen. Dat is echter ook de datum die in het bestreden besluit is opgenomen. Daargelaten de vraag of een wijziging van geboortedatum nu (in alle gevallen) moet worden aangemerkt als een wijziging in de rechtsgevolgen, is van een wijziging in dit geval dus geen sprake. 4. De brief van 19 februari 2026 is naar het oordeel van de rechtbank daarom geen besluit, maar een aanvullende motivering. De rechtbank zal deze aanvullende motivering bij de beoordeling van het beroep betrekken, maar dus niet op grond van artikel 6:19, eerste lid van de Awb. Is het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd? 5. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister met de aanvullende motivering heeft getracht het gebrek dat aan het bestreden besluit kleefde te herstellen. In het besteden stelt de minister zich namelijk op het standpunt dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. Door echter uit te gaan van een andere geboortedatum dan eiser heeft opgegeven, stelt de minister zich feitelijk op het standpunt dat hij de identiteit van eiser niet geloofwaardig vindt, in ieder geval voor wat betreft eisers leeftijd, die onderdeel is van die identiteit. Omdat de minister niet heeft gemotiveerd waarom hij de leeftijd die eiser heeft opgegeven niet geloofwaardig vindt, is dat standpunt niet deugdelijk gemotiveerd. Omdat het besluit daarmee is genomen in strijd met de wet , is het beroep gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd. Bestaat er aanleiding on de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten? 6. Met wat de minister heeft opgenomen in de brief van 19 februari 2026 heeft de minister zijn standpunt over de leeftijd van eiser dus alsnog gemotiveerd. De rechtbank zal daarom beoordelen of dit aanleiding geeft de rechtsgevolgen van het besluit dat vernietigd zal worden in stand te laten. 7. De rechtbank ziet die aanleiding niet en legt dat hieronder uit. 8. Eiser heeft ter zitting aangevoerd dat de minister niet zomaar terug kan komen op zijn in het bestreden besluit ingenomen standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. De rechtbank is van oordeel dat de minister in de brief van 19 februari 2026 niet is teruggekomen van zijn standpunt maar dat in het bestreden besluit van een kennelijke verschrijving sprake is. Dat de minister de geboortedatum die eiser heeft opgegeven niet geloofwaardig achtte is namelijk evident. De minister heeft in het bestreden besluit immers de datum [geboortedag 1] 2005 opgenomen, die afwijkt van de datum die eiser heeft opgegeven. 9. Eiser heeft verder aangevoerd dat omschrijving van de uiterlijke kenmerken van eiser niet juist zijn opgenomen in het verslag van de AVIM. Zo is eiser niet kaal en heeft hij ook geen grijze haren en is zijn gedrag niet nonchalant en minachtend. Verder legt de minister geen verbinding tussen de observaties en de bevindingen en conclusies die de hoormedewerkers daaruit trekken, waardoor de schouw niet inzichtelijk en concludent is. Niet wordt uitgelegd waarom de lichamelijke kenmerken, het gedrag en/of de verklaringen typerend zijn voor een meerderjarige dan wel minderjarige. 9.1 In Werkinstructie 2025/1 staat dat iedere alleenstaande minderjarige vreemdeling die zijn gestelde minderjarigheid niet kan aantonen met bewijsmiddelen, bij binnenkomst wordt geschouwd. Een schouw vindt ook plaats als overgelegde identiteitsdocumenten nog niet zijn onderzocht op authenticiteit. De minister heeft aanleiding gezien eiser te schouwen. Eiser is op 2 momenten geschouwd. Eerst door medewerkers van de AVIM en daarna door medewerkers van de IND. Zij hebben hun bevindingen neergelegd in een rapportage en zijn beiden tot de conclusie gekomen dat eiser evident meerderjarig is. 9.2 De Afdeling heeft geoordeeld dat in het algemeen de leeftijdsschouw zorgvuldig is en het beleid van verweerder zoals dat in de Vc en in de (huidige) Werkinstructie 2025/1 is uitgewerkt, op een zorgvuldige wijze is vormgegeven en redelijk is. De leeftijdsschouw is een bruikbaar middel voor de vaststelling of er twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd van een vreemdeling. Om tot een zorgvuldige schouw te komen in een individuele zaak, is het wel van belang dat de verslaglegging zorgvuldig gebeurt en dat alle observaties, vanaf de ontmoeting tot de afsluiting, in het verslag staan beschreven. Ook moeten de conclusies van de schouw in de verslaglegging worden verbonden aan de observaties tijdens het gehoor, bestaande uit de uiterlijke kenmerken, verklaringen en gedragingen van een vreemdeling. Alleen dan is een leeftijdsschouw voldoende zorgvuldig, inzichtelijk en concludent. 9.3 De rechtbank heeft onvoldoende grond om te kunnen oordelen dat de observaties van het uiterlijk van eiser en van zijn gedragingen niet juist in de rapportages van de AVIM en de IND zijn opgenomen.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:11464 text/xml public 2026-05-18T12:00:24 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-11 NL25.36405 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11464 text/html public 2026-05-11T15:49:37 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11464 Rechtbank Den Haag , 11-05-2026 / NL25.36405 Erkend als vluchteling maar in besluit niet gemotiveerd waarom niet van opgegeven leeftijd is uitgegaan. Beroep gegrond. In beroep aanvullende motivering ten aanzien van leeftijd, op basis van resultaten leeftijdsschouw. Leeftijdsschouw voldoet echter niet aan de eisen die aan een dergelijke schouw zijn gesteld. Geen aanleiding om rechtsgevolgen van vernietigde besluit in stand te laten. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL25.36405 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser (gemachtigde: mr. M.K. Bulthuis), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. C. Stoute). Procesverloop Eiser heeft op 21 september 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 15 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister het asielverzoek van eiser ingewilligd en hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft aan het dossier een brief gedateerd 19 februari 2026 toegevoegd. In het begeleidend schrijven stelt de minister dat dit een aanvullend besluit is. De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Het bestreden besluit en het onderwerp van geschil 1. Eiser is het eens met het bestreden besluit voor zover hem daarmee een verblijfsvergunning asiel is verleend. Hij is het echter niet eens met de leeftijd die de minister in dat besluit heeft opgenomen, uitgaande van de geboortedatum [geboortedag 1] 2005. Eiser stelt dat hij is geboren op [geboortedag 2] 2006, dat is ook de datum die hij heeft opgegeven toen hij de asielaanvraag indiende. Is de brief van 19 februari 2026 een aanvullend besluit? 2. Op grond van artikel 6:19, eerste lid van de Awb heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat geen sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wanneer de rechtsgevolgen van een besluit met een nadere motivering niet zijn gewijzigd. 3. In de brief die de minister heeft aangeduid als aanvullend besluit, heeft de minister gemotiveerd waarom hij zich op het standpunt heeft gesteld dat eiser, op het moment dat eiser de asielaanvraag indiende, meerderjarig was. De minister heeft in deze brief de geboortedatum [geboortedag 1] 2005 opgenomen. Dat is echter ook de datum die in het bestreden besluit is opgenomen. Daargelaten de vraag of een wijziging van geboortedatum nu (in alle gevallen) moet worden aangemerkt als een wijziging in de rechtsgevolgen, is van een wijziging in dit geval dus geen sprake. 4. De brief van 19 februari 2026 is naar het oordeel van de rechtbank daarom geen besluit, maar een aanvullende motivering. De rechtbank zal deze aanvullende motivering bij de beoordeling van het beroep betrekken, maar dus niet op grond van artikel 6:19, eerste lid van de Awb. Is het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd? 5. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister met de aanvullende motivering heeft getracht het gebrek dat aan het bestreden besluit kleefde te herstellen. In het besteden stelt de minister zich namelijk op het standpunt dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. Door echter uit te gaan van een andere geboortedatum dan eiser heeft opgegeven, stelt de minister zich feitelijk op het standpunt dat hij de identiteit van eiser niet geloofwaardig vindt, in ieder geval voor wat betreft eisers leeftijd, die onderdeel is van die identiteit. Omdat de minister niet heeft gemotiveerd waarom hij de leeftijd die eiser heeft opgegeven niet geloofwaardig vindt, is dat standpunt niet deugdelijk gemotiveerd. Omdat het besluit daarmee is genomen in strijd met de wet , is het beroep gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd. Bestaat er aanleiding on de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten? 6. Met wat de minister heeft opgenomen in de brief van 19 februari 2026 heeft de minister zijn standpunt over de leeftijd van eiser dus alsnog gemotiveerd. De rechtbank zal daarom beoordelen of dit aanleiding geeft de rechtsgevolgen van het besluit dat vernietigd zal worden in stand te laten. 7. De rechtbank ziet die aanleiding niet en legt dat hieronder uit. 8. Eiser heeft ter zitting aangevoerd dat de minister niet zomaar terug kan komen op zijn in het bestreden besluit ingenomen standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. De rechtbank is van oordeel dat de minister in de brief van 19 februari 2026 niet is teruggekomen van zijn standpunt maar dat in het bestreden besluit van een kennelijke verschrijving sprake is. Dat de minister de geboortedatum die eiser heeft opgegeven niet geloofwaardig achtte is namelijk evident. De minister heeft in het bestreden besluit immers de datum [geboortedag 1] 2005 opgenomen, die afwijkt van de datum die eiser heeft opgegeven. 9. Eiser heeft verder aangevoerd dat omschrijving van de uiterlijke kenmerken van eiser niet juist zijn opgenomen in het verslag van de AVIM. Zo is eiser niet kaal en heeft hij ook geen grijze haren en is zijn gedrag niet nonchalant en minachtend. Verder legt de minister geen verbinding tussen de observaties en de bevindingen en conclusies die de hoormedewerkers daaruit trekken, waardoor de schouw niet inzichtelijk en concludent is. Niet wordt uitgelegd waarom de lichamelijke kenmerken, het gedrag en/of de verklaringen typerend zijn voor een meerderjarige dan wel minderjarige. 9.1 In Werkinstructie 2025/1 staat dat iedere alleenstaande minderjarige vreemdeling die zijn gestelde minderjarigheid niet kan aantonen met bewijsmiddelen, bij binnenkomst wordt geschouwd. Een schouw vindt ook plaats als overgelegde identiteitsdocumenten nog niet zijn onderzocht op authenticiteit. De minister heeft aanleiding gezien eiser te schouwen. Eiser is op 2 momenten geschouwd. Eerst door medewerkers van de AVIM en daarna door medewerkers van de IND. Zij hebben hun bevindingen neergelegd in een rapportage en zijn beiden tot de conclusie gekomen dat eiser evident meerderjarig is. 9.2 De Afdeling heeft geoordeeld dat in het algemeen de leeftijdsschouw zorgvuldig is en het beleid van verweerder zoals dat in de Vc en in de (huidige) Werkinstructie 2025/1 is uitgewerkt, op een zorgvuldige wijze is vormgegeven en redelijk is. De leeftijdsschouw is een bruikbaar middel voor de vaststelling of er twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd van een vreemdeling. Om tot een zorgvuldige schouw te komen in een individuele zaak, is het wel van belang dat de verslaglegging zorgvuldig gebeurt en dat alle observaties, vanaf de ontmoeting tot de afsluiting, in het verslag staan beschreven. Ook moeten de conclusies van de schouw in de verslaglegging worden verbonden aan de observaties tijdens het gehoor, bestaande uit de uiterlijke kenmerken, verklaringen en gedragingen van een vreemdeling. Alleen dan is een leeftijdsschouw voldoende zorgvuldig, inzichtelijk en concludent. 9.3 De rechtbank heeft onvoldoende grond om te kunnen oordelen dat de observaties van het uiterlijk van eiser en van zijn gedragingen niet juist in de rapportages van de AVIM en de IND zijn opgenomen.
Volledig
Dat eiser ten tijde van het de schouw niet kaal was, is door eiser niet onderbouwd, terwijl een foto van eiser die in het dossier opgenomen in het document waarboven staat ‘ID Staat vreemdelingenrecht’ de bevindingen van AVIM lijkt te ondersteunen. Dat het gedrag dat de gemachtigde van eiser heeft waargenomen afwijkt van het gedrag dat hij volgens de AVIM en IND heeft laten zien, betekent niet zonder meer dat de AVIM en de IND dat gedrag niet juist hebben gekwalificeerd. 9.4 De rechtbank volgt eiser wel waar hij stelt dat in zowel de schouw van de AVIM als de schouw van de IND een verbinding ontbreekt tussen de observaties en de conclusies die de medewerkers daaruit trekken. Ook in de brief van de minister van 19 februari 2026 wordt die verbinding niet gemaakt. De minister doet daar namelijk niet meer dan het herhalen van de observaties van uiterlijkheden en gedragingen en van verklaringen zoals die in de rapportages van de AVIM en de IND zijn opgenomen en daaraan toe te voegen de conclusie van de AVIM en de IND dat zij concluderen dat de vreemdeling evident meerderjarig is. Weliswaar voegt de minister daar nog aan toe dat behalve eisers uiterlijke kenmerken ook zijn gedragingen en verklaringen zijn meegenomen in de beoordeling en dat deze drie elementen in samenhang met elkaar ertoe hebben geleid dat is geoordeeld dat eiser evident meerderjarig is, maar ook dat is niet voldoende omdat die verbinding daarmee ook niet is gelegd. De minister heeft daarmee niet voldaan aan de eisen die aan een schouw worden gesteld. Dat betekent dan ook dat de beide schouwen in deze zaak niet inzichtelijk en concludent zijn. De minister mocht de leeftijdsschouwen daarom niet betrekken bij zijn standpunt dat twijfel bestaat over de leeftijd die eiser heeft opgegeven. 9.5 Het motiveringsgebrek dat aan het bestreden besluit kleefde is met de aanvullende motivering dus niet geheeld. Conclusie en gevolgen 10. Gelet op wat in rechtsoverweging 9.5 is geconcludeerd, zal de rechtbank de rechtgevolgen van het besluit dat zal worden vernietigd niet in stand laten. De minister zal daarom een nieuw besluit moet nemen over de leeftijd van eiser en daarbij rekening moeten houden met wat in deze uitspraak is overwogen. Omdat de leeftijdsschouw in deze zaak geen bruikbaar middel is, moet de minister blijven uitgaan van de presumptie van minderjarigheid van eiser en het is aan hem om de stelling van eiser over zijn leeftijd te ontzenuwen. 11. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit, voor zover dat ziet op eisers leeftijd; - draagt de minister op in zoverre een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak; - veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.P. de Zwart, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Vreemdelingenwet 2000. Algemene wet bestuursrecht. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Bijvoorbeeld de uitspraak van 7 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY2529. Artikel 3:46 van de Awb. Artikel 8:72, tweede lid, van de Awb. Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel. Uitspraak van 20 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3801. Vreemdelingencirculaire 2000. Vgl. Afdeling 20 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3801, overweging 12.2.
Volledig
Dat eiser ten tijde van het de schouw niet kaal was, is door eiser niet onderbouwd, terwijl een foto van eiser die in het dossier opgenomen in het document waarboven staat ‘ID Staat vreemdelingenrecht’ de bevindingen van AVIM lijkt te ondersteunen. Dat het gedrag dat de gemachtigde van eiser heeft waargenomen afwijkt van het gedrag dat hij volgens de AVIM en IND heeft laten zien, betekent niet zonder meer dat de AVIM en de IND dat gedrag niet juist hebben gekwalificeerd. 9.4 De rechtbank volgt eiser wel waar hij stelt dat in zowel de schouw van de AVIM als de schouw van de IND een verbinding ontbreekt tussen de observaties en de conclusies die de medewerkers daaruit trekken. Ook in de brief van de minister van 19 februari 2026 wordt die verbinding niet gemaakt. De minister doet daar namelijk niet meer dan het herhalen van de observaties van uiterlijkheden en gedragingen en van verklaringen zoals die in de rapportages van de AVIM en de IND zijn opgenomen en daaraan toe te voegen de conclusie van de AVIM en de IND dat zij concluderen dat de vreemdeling evident meerderjarig is. Weliswaar voegt de minister daar nog aan toe dat behalve eisers uiterlijke kenmerken ook zijn gedragingen en verklaringen zijn meegenomen in de beoordeling en dat deze drie elementen in samenhang met elkaar ertoe hebben geleid dat is geoordeeld dat eiser evident meerderjarig is, maar ook dat is niet voldoende omdat die verbinding daarmee ook niet is gelegd. De minister heeft daarmee niet voldaan aan de eisen die aan een schouw worden gesteld. Dat betekent dan ook dat de beide schouwen in deze zaak niet inzichtelijk en concludent zijn. De minister mocht de leeftijdsschouwen daarom niet betrekken bij zijn standpunt dat twijfel bestaat over de leeftijd die eiser heeft opgegeven. 9.5 Het motiveringsgebrek dat aan het bestreden besluit kleefde is met de aanvullende motivering dus niet geheeld. Conclusie en gevolgen 10. Gelet op wat in rechtsoverweging 9.5 is geconcludeerd, zal de rechtbank de rechtgevolgen van het besluit dat zal worden vernietigd niet in stand laten. De minister zal daarom een nieuw besluit moet nemen over de leeftijd van eiser en daarbij rekening moeten houden met wat in deze uitspraak is overwogen. Omdat de leeftijdsschouw in deze zaak geen bruikbaar middel is, moet de minister blijven uitgaan van de presumptie van minderjarigheid van eiser en het is aan hem om de stelling van eiser over zijn leeftijd te ontzenuwen. 11. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit, voor zover dat ziet op eisers leeftijd; - draagt de minister op in zoverre een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak; - veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.P. de Zwart, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Vreemdelingenwet 2000. Algemene wet bestuursrecht. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Bijvoorbeeld de uitspraak van 7 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY2529. Artikel 3:46 van de Awb. Artikel 8:72, tweede lid, van de Awb. Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel. Uitspraak van 20 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3801. Vreemdelingencirculaire 2000. Vgl. Afdeling 20 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3801, overweging 12.2.