Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-05-11
ECLI:NL:RBDHA:2026:11456
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,667 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:11456 text/xml public 2026-05-18T12:00:23 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-11 NL25.35653 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11456 text/html public 2026-05-11T15:33:09 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11456 Rechtbank Den Haag , 11-05-2026 / NL25.35653 Asiel, eiser met onbekende bestemming vertrokken. Dat uit de rechtspraak van de Afdeling niet volgt dat de communicatie tussen eiser en zijn gemachtigde wederkerig moet zijn, volgt de rechtbank niet. Het hebben van contact impliceert dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en dat hij met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt. Daarvan kan bij een eenzijdig contact waarbij de gemachtigde berichten verzendt naar zijn cliënt maar van deze cliënt nimmer een reactie ontvangt geen sprake zijn. Eiser heeft daarom geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL25.35653 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser (gemachtigde: mr. J.J. de Vries), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. C. Stoute). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser geen procesbelang heeft bij het beroep omdat hij met onbekende bestemming is vertrokken. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Georgische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1997. De minister heeft met het bestreden besluit van 31 juli 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank 3. De minister heeft de rechtbank op 19 augustus 2025 bericht dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde van eiser heeft op 11 maart 2026 bericht dat onduidelijk is of eiser mogelijkerwijs is opgenomen of in detentie verblijft of op een alternatief adres in Nederland. De gemachtigde van eiser heeft daarvoor geen aanwijzingen maar kan het ook niet uitsluiten. Eiser is op de hoogte gesteld van de zitting per e-mail, er is ook een tolk en niet kan worden uitgesloten dat eiser ter zitting zal verschijnen. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser in aanvulling daarop verklaard dat het contact met eiser eenzijdig is, hij reageert niet op berichten. 4. Uit het feit dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en geen contact meer heeft met zijn gemachtigde, leidt de rechtbank af dat eiser geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland. Dat uit de rechtspraak van de Afdeling niet volgt dat de communicatie tussen eiser en zijn gemachtigde wederkerig moet zijn, volgt de rechtbank niet. Het hebben van contact impliceert dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en dat hij met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt. Daarvan kan bij een eenzijdig contact waarbij de gemachtigde berichten verzendt naar zijn cliënt maar van deze cliënt nimmer een reactie ontvangt geen sprake zijn. Eiser heeft daarom geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.P. de Zwart, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Vreemdelingenwet 2000 Zie bijvoorbeeld Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662. Afdeling 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:11456 text/xml public 2026-05-18T12:00:23 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-11 NL25.35653 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11456 text/html public 2026-05-11T15:33:09 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11456 Rechtbank Den Haag , 11-05-2026 / NL25.35653 Asiel, eiser met onbekende bestemming vertrokken. Dat uit de rechtspraak van de Afdeling niet volgt dat de communicatie tussen eiser en zijn gemachtigde wederkerig moet zijn, volgt de rechtbank niet. Het hebben van contact impliceert dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en dat hij met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt. Daarvan kan bij een eenzijdig contact waarbij de gemachtigde berichten verzendt naar zijn cliënt maar van deze cliënt nimmer een reactie ontvangt geen sprake zijn. Eiser heeft daarom geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL25.35653 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser (gemachtigde: mr. J.J. de Vries), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. C. Stoute). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser geen procesbelang heeft bij het beroep omdat hij met onbekende bestemming is vertrokken. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Georgische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1997. De minister heeft met het bestreden besluit van 31 juli 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank 3. De minister heeft de rechtbank op 19 augustus 2025 bericht dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde van eiser heeft op 11 maart 2026 bericht dat onduidelijk is of eiser mogelijkerwijs is opgenomen of in detentie verblijft of op een alternatief adres in Nederland. De gemachtigde van eiser heeft daarvoor geen aanwijzingen maar kan het ook niet uitsluiten. Eiser is op de hoogte gesteld van de zitting per e-mail, er is ook een tolk en niet kan worden uitgesloten dat eiser ter zitting zal verschijnen. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser in aanvulling daarop verklaard dat het contact met eiser eenzijdig is, hij reageert niet op berichten. 4. Uit het feit dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en geen contact meer heeft met zijn gemachtigde, leidt de rechtbank af dat eiser geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland. Dat uit de rechtspraak van de Afdeling niet volgt dat de communicatie tussen eiser en zijn gemachtigde wederkerig moet zijn, volgt de rechtbank niet. Het hebben van contact impliceert dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en dat hij met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt. Daarvan kan bij een eenzijdig contact waarbij de gemachtigde berichten verzendt naar zijn cliënt maar van deze cliënt nimmer een reactie ontvangt geen sprake zijn. Eiser heeft daarom geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.P. de Zwart, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Vreemdelingenwet 2000 Zie bijvoorbeeld Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662. Afdeling 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579.