Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-05-11
ECLI:NL:RBDHA:2026:11453
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,745 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:11453 text/xml public 2026-05-18T12:00:23 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-11 NL26.2967 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11453 text/html public 2026-05-11T15:20:30 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11453 Rechtbank Den Haag , 11-05-2026 / NL26.2967 Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag van eiser omdat eiser in Duitsland al internationale bescherming heeft. Eiser is het hier niet mee eens. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag in stand kan blijven. De rechtbank is van oordeel dat de minister ervan uit mag gaan dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen nakomt. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL26.2967 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser, (gemachtigde: mr. F.S. Boedhoe), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. D.J. Halbesma). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag van eiser omdat eiser in Duitsland al internationale bescherming heeft. Eiser is het hier niet mee eens. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag in stand kan blijven. De rechtbank is van oordeel dat de minister ervan uit mag gaan dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen nakomt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft verweer gevoerd en de rechtbank verzocht om het beroep versneld te behandelen omdat eiser overlast geeft in opvanglocaties. 2.1. De rechtbank heeft het beroep op 14 april 2026 op zitting behandeld, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Is de behandeling van eiser in Duitsland zo slecht dat hij niet naar Duitsland hoeft terug te keren? 3. Eiser voert aan dat hij niet kan terugkeren naar Duitsland omdat de behandeling van eiser in Duitsland zo slecht is dat hieruit volgt dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen niet nakomt. Eiser voert aan dat hij ten onrechte meerdere keren is aangesproken door de politie. Ook voert eiser aan dat hij in de opvang meerdere keren is aangevallen, zonder dat daartegen is opgetreden. Eiser voert daarnaast aan dat statushouders in de opvang verblijven en dat asielzoekers worden gediscrimineerd. Tot slot voert eiser aan dat hij geen zodanige band met Duitsland heeft dat van hem kan worden verlangd dat hij terugkeert naar Duitsland. 3.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister kan een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaren als eiser in een andere EU-lidstaat bescherming geniet. Eiser moet een zodanige band met de lidstaat hebben dat het voor hem redelijk zou zijn om daar naartoe te gaan. Het feit dat eiser in Duitsland internationale bescherming heeft, betekent dat aan deze voorwaarde is voldaan. 3.2. Eiser moet daarnaast in Duitsland volgens bepaalde (internationale) beginselen worden behandeld. Zo mag eiser geen risico lopen op ernstige schade door folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. De minister mag ervan uitgaan dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen nakomt, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat dit anders is. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat zich in zijn zaak feiten en omstandigheden voordoen op basis waarvan het vermoeden dat Duitsland zijn internationale verplichtingen nakomt wordt weerlegd. 3.3. Met de minister is de rechtbank van oordeel dat eiser dit niet aannemelijk heeft gemaakt. Zo heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij ten onrechte is aangesproken door de Duitse politie. En hoewel eiser in Duitsland in de opvang door twee personen is aangevallen, is het niet aannemelijk dat eiser specifiek deze personen weer zal tegenkomen. Dat eiser als statushouder in de opvang zou verblijven, betekent daarnaast niet dat Duitsland daarmee zijn verdragsverplichtingen niet nakomt. De bronnen over discriminatie van asielzoekers in Duitsland waar eiser naar verwijst, zijn algemeen en zeggen niets over de situatie van eiser. Bovendien kan van eiser worden verwacht dat hij zich bij de autoriteiten in Duitsland beklaagt over problemen met de politie, de opvang en anderen. De gemachtigde van eiser heeft op de zitting verklaard dat eiser zich niet bij de autoriteiten in Duitsland heeft beklaagd omdat eiser geen informatie kreeg over waar hij zich kon beklagen. Dat laat echter onverlet dat van eiser mag worden verwacht dat hij zich inspant om daarachter te komen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij dat heeft gedaan. Is Duitsland voor eiser een veilig land? 4. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser de beroepsgrond dat Duitsland voor eiser geen veilig land is ingetrokken. Deze beroepsgrond hoeft dus niet meer te worden behandeld. Conclusie en gevolgen 5. De minister heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister niet hoeft te onderzoeken of eiser in aanmerking komt voor internationale bescherming in Nederland. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Wilts, rechter, in aanwezigheid van mr. K.I. Legendal - Moesker, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en artikel 3.106a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Zaaknummer NL26.2968. Artikel 33 van de Procedurerichtlijn en artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Artikel 3.106a, tweede lid, van het Vb 2000. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) 31 maart 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:1270), r.o. 3.2. Artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb 2000. In de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, artikel 15 aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 van het EVRM. Op grond van het Vluchtelingenverdrag, artikel 3 van het EVRM en artikel 3 van het Antifolterverdrag. ABRvS 30 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1794), r.o. 4. ABRvS 30 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1794), r.o. 8.4. Artikel 33 van de Procedurerichtlijn.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:11453 text/xml public 2026-05-18T12:00:23 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-11 NL26.2967 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11453 text/html public 2026-05-11T15:20:30 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11453 Rechtbank Den Haag , 11-05-2026 / NL26.2967 Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag van eiser omdat eiser in Duitsland al internationale bescherming heeft. Eiser is het hier niet mee eens. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag in stand kan blijven. De rechtbank is van oordeel dat de minister ervan uit mag gaan dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen nakomt. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL26.2967 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser, (gemachtigde: mr. F.S. Boedhoe), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. D.J. Halbesma). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag van eiser omdat eiser in Duitsland al internationale bescherming heeft. Eiser is het hier niet mee eens. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag in stand kan blijven. De rechtbank is van oordeel dat de minister ervan uit mag gaan dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen nakomt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft verweer gevoerd en de rechtbank verzocht om het beroep versneld te behandelen omdat eiser overlast geeft in opvanglocaties. 2.1. De rechtbank heeft het beroep op 14 april 2026 op zitting behandeld, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Is de behandeling van eiser in Duitsland zo slecht dat hij niet naar Duitsland hoeft terug te keren? 3. Eiser voert aan dat hij niet kan terugkeren naar Duitsland omdat de behandeling van eiser in Duitsland zo slecht is dat hieruit volgt dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen niet nakomt. Eiser voert aan dat hij ten onrechte meerdere keren is aangesproken door de politie. Ook voert eiser aan dat hij in de opvang meerdere keren is aangevallen, zonder dat daartegen is opgetreden. Eiser voert daarnaast aan dat statushouders in de opvang verblijven en dat asielzoekers worden gediscrimineerd. Tot slot voert eiser aan dat hij geen zodanige band met Duitsland heeft dat van hem kan worden verlangd dat hij terugkeert naar Duitsland. 3.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister kan een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaren als eiser in een andere EU-lidstaat bescherming geniet. Eiser moet een zodanige band met de lidstaat hebben dat het voor hem redelijk zou zijn om daar naartoe te gaan. Het feit dat eiser in Duitsland internationale bescherming heeft, betekent dat aan deze voorwaarde is voldaan. 3.2. Eiser moet daarnaast in Duitsland volgens bepaalde (internationale) beginselen worden behandeld. Zo mag eiser geen risico lopen op ernstige schade door folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. De minister mag ervan uitgaan dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen nakomt, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat dit anders is. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat zich in zijn zaak feiten en omstandigheden voordoen op basis waarvan het vermoeden dat Duitsland zijn internationale verplichtingen nakomt wordt weerlegd. 3.3. Met de minister is de rechtbank van oordeel dat eiser dit niet aannemelijk heeft gemaakt. Zo heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij ten onrechte is aangesproken door de Duitse politie. En hoewel eiser in Duitsland in de opvang door twee personen is aangevallen, is het niet aannemelijk dat eiser specifiek deze personen weer zal tegenkomen. Dat eiser als statushouder in de opvang zou verblijven, betekent daarnaast niet dat Duitsland daarmee zijn verdragsverplichtingen niet nakomt. De bronnen over discriminatie van asielzoekers in Duitsland waar eiser naar verwijst, zijn algemeen en zeggen niets over de situatie van eiser. Bovendien kan van eiser worden verwacht dat hij zich bij de autoriteiten in Duitsland beklaagt over problemen met de politie, de opvang en anderen. De gemachtigde van eiser heeft op de zitting verklaard dat eiser zich niet bij de autoriteiten in Duitsland heeft beklaagd omdat eiser geen informatie kreeg over waar hij zich kon beklagen. Dat laat echter onverlet dat van eiser mag worden verwacht dat hij zich inspant om daarachter te komen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij dat heeft gedaan. Is Duitsland voor eiser een veilig land? 4. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser de beroepsgrond dat Duitsland voor eiser geen veilig land is ingetrokken. Deze beroepsgrond hoeft dus niet meer te worden behandeld. Conclusie en gevolgen 5. De minister heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister niet hoeft te onderzoeken of eiser in aanmerking komt voor internationale bescherming in Nederland. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Wilts, rechter, in aanwezigheid van mr. K.I. Legendal - Moesker, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en artikel 3.106a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Zaaknummer NL26.2968. Artikel 33 van de Procedurerichtlijn en artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Artikel 3.106a, tweede lid, van het Vb 2000. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) 31 maart 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:1270), r.o. 3.2. Artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb 2000. In de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, artikel 15 aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 van het EVRM. Op grond van het Vluchtelingenverdrag, artikel 3 van het EVRM en artikel 3 van het Antifolterverdrag. ABRvS 30 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1794), r.o. 4. ABRvS 30 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1794), r.o. 8.4. Artikel 33 van de Procedurerichtlijn.