Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-31
ECLI:NL:RBDHA:2026:11417
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,132 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:11417 text/xml public 2026-05-11T14:11:16 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-31 C/09/682193 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11417 text/html public 2026-05-11T13:03:41 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11417 Rechtbank Den Haag , 31-03-2026 / C/09/682193 Gezag, omgangs- c.q. zorgregeling en informatieregeling. Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummer: FA RK 25-2088 Zaaknummer: C/09/682193 Datum beschikking: 31 maart 2026 Gezag, omgangs- c.q. zorgregeling en informatieregeling Beschikking op het op 19 maart 2025 ingekomen verzoek van: [de moeder] , de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. T. Dreiling te Leiderdorp. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de vader] , de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. I.G.M. van Gorkum te Den Haag. Procedure De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder: - het verzoekschrift; - het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek; - het verweer tegen het zelfstandig verzoek; - het aanvullend verzoek van de zijde van de vader. Op 3 maart 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder bijgestaan door haar advocaat; de vader bijgestaan door zijn advocaat; [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad). De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek. Feiten Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van de volgende thans nog minderjarige kinderen: [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats 1] , [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats 1] . Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] uit. De moeder is belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 2] . Bij beschikking van deze rechtbank van 16 april 2015 is – voor zover hier aan de orde – bepaald dat de vader met ingang van 16 februari 2015 een bijdrage ter voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen van € 150,-per maand, per kind, aan de moeder zal voldoen. Bij beschikking van 1 oktober 2018 van deze rechtbank is – voor zover hier van belang – bepaald dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun vader voorlopig één keer in de twee weken op zaterdag van 14.00 uur tot 17.00 uur zullen zien in het huis en in het bijzijn van de tante van de moeder, [naam 2] , en is iedere verdere beslissing ter zake van het gezag, de omgangsregeling en de kinderalimentatie aangehouden en de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek te verrichten, alsmede de rechtbank te rapporteren en te adviseren. Bij beschikking van deze rechtbank van 16 mei 2019 is – voor zover hier aan de orde – bepaald dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig bij de vader zullen zijn: vanaf 18 april 2019 tot drie maanden erna: om de week van zaterdag 12.00 uur tot zondag 18.00 uur, na deze periode van drie maanden en bij goed verloop van de omgang: om de week van vrijdag 17.00 uur tot zondag 18.00 uur. Voorts is bepaald dat de vastgestelde kinderalimentatie van 16 april 2015 op nihil wordt gesteld en dat de vader met ingang van heden een kinderalimentatie bedrag van € 75,- per maand per kind aan de moeder zal voldoen. Daarnaast zijn de ouders doorverwezen naar [hulpverlener 1] voor deelname aan het hulpverleningstraject Ouderschapsbemiddeling en is de beschikking pro forma aangehouden tot 15 november 2019. Bij beschikking van deze rechtbank van 22 oktober 2019 is – voor zover hier aan de orde – bepaald dat de Raad voor de Kinderbescherming een beschermingsonderzoek zal verrichten naar de vraag of een ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is, en is iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag, de omgang/verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de ondertoezichtstelling aangehouden. Bij beschikking van deze rechtbank van 16 januari 2020 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van 16 januari 2020 tot 16 januari 2021 onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland. Bij beschikking van deze rechtbank van 30 januari 2020 is – voor zover hier aan de orde – bepaald dat de uitvoering van de zorgregeling tussen de vader en de kinderen zal plaatsvinden onder regie van Jeugdbescherming west en is vastgesteld dat inzake de verzochte ondertoezichtstelling van de kinderen door de moeder geen beslissing meer genomen hoeft te worden. Bij beschikking van deze rechtbank van 17 juli 2023 is – voor zover hier van belang –het verzoek tot ondertoezichtstelling afgewezen. Bij beschikking van deze rechtbank van 30 november 2023 is – voor zover hier aan de orde – bepaald dat met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 16 april 2015 de vader met ingang van 21 september 2022 een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen van € 25,- per maand per kind zal betalen, en is bepaald dat de door de vader te betalen kinderalimentatie voor voornoemde minderjarigen voor de duur van het traject minnelijke schuldsanering natuurlijke personen op nihil wordt gesteld. Verzoek en verweer De moeder verzoekt te bepalen dat het gezamenlijk gezag van de ouders over de minderjarige [minderjarige 1] wordt beëindigd en de moeder te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] , voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Tevens verzoekt de vader – naar de rechtbank begrijpt – na aanvulling van zijn verzoek te bepalen dat: een zorgregeling c.q. omgangsregeling wordt vastgesteld tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , althans [minderjarige 1] en de vader, voor zover inhoudende dat [minderjarige 1] één keer per twee weken van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur bij de vader verblijft, alsmede de helft van de schoolvakanties (in de even jaren het eerste deel van de schoolvakantie en in de oneven jaren het tweede deel van de schoolvakantie) en feestdagen; de moeder de vader één keer per maand informeert over het wel en wee van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ; onder wijziging van de beschikking van de rechtbank van 30 november 2023 (C/09/644922) de door de vader aan de moeder te betalen bijdragen ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op nihil te stellen, zulks met ingang van 21 september 2022, althans met ingang van 1 oktober 2025, althans met ingang van de datum van indiening van dit verzoekschrift; een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens. De moeder voert verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de vader, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de moeder zelfstandig te bepalen dat: - geen zorg- of informatieregeling wordt vastgesteld zolang [minderjarige 1] daar zelf uitdrukkelijk bezwaar tegen maakt; althans een beslissing te nemen die de rechtbank in het belang van [minderjarige 1] juist acht; voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Beoordeling Eenhoofdig gezag Wettelijk kader Op grond van artikel 1:253n, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Op grond van artikel 1:253n, tweede lid, BW zijn de gronden van artikel 1:251a, eerste en derde lid, BW, van overeenkomstige toepassing. Dit leidt ertoe dat het gezamenlijk gezag kan worden beëindigd, indien: (a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of (b) wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:11417 text/xml public 2026-05-11T14:11:16 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-31 C/09/682193 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11417 text/html public 2026-05-11T13:03:41 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11417 Rechtbank Den Haag , 31-03-2026 / C/09/682193 Gezag, omgangs- c.q. zorgregeling en informatieregeling. Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummer: FA RK 25-2088 Zaaknummer: C/09/682193 Datum beschikking: 31 maart 2026 Gezag, omgangs- c.q. zorgregeling en informatieregeling Beschikking op het op 19 maart 2025 ingekomen verzoek van: [de moeder] , de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. T. Dreiling te Leiderdorp. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de vader] , de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. I.G.M. van Gorkum te Den Haag. Procedure De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder: - het verzoekschrift; - het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek; - het verweer tegen het zelfstandig verzoek; - het aanvullend verzoek van de zijde van de vader. Op 3 maart 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder bijgestaan door haar advocaat; de vader bijgestaan door zijn advocaat; [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad). De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek. Feiten Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van de volgende thans nog minderjarige kinderen: [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats 1] , [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats 1] . Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] uit. De moeder is belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 2] . Bij beschikking van deze rechtbank van 16 april 2015 is – voor zover hier aan de orde – bepaald dat de vader met ingang van 16 februari 2015 een bijdrage ter voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen van € 150,-per maand, per kind, aan de moeder zal voldoen. Bij beschikking van 1 oktober 2018 van deze rechtbank is – voor zover hier van belang – bepaald dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun vader voorlopig één keer in de twee weken op zaterdag van 14.00 uur tot 17.00 uur zullen zien in het huis en in het bijzijn van de tante van de moeder, [naam 2] , en is iedere verdere beslissing ter zake van het gezag, de omgangsregeling en de kinderalimentatie aangehouden en de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek te verrichten, alsmede de rechtbank te rapporteren en te adviseren. Bij beschikking van deze rechtbank van 16 mei 2019 is – voor zover hier aan de orde – bepaald dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig bij de vader zullen zijn: vanaf 18 april 2019 tot drie maanden erna: om de week van zaterdag 12.00 uur tot zondag 18.00 uur, na deze periode van drie maanden en bij goed verloop van de omgang: om de week van vrijdag 17.00 uur tot zondag 18.00 uur. Voorts is bepaald dat de vastgestelde kinderalimentatie van 16 april 2015 op nihil wordt gesteld en dat de vader met ingang van heden een kinderalimentatie bedrag van € 75,- per maand per kind aan de moeder zal voldoen. Daarnaast zijn de ouders doorverwezen naar [hulpverlener 1] voor deelname aan het hulpverleningstraject Ouderschapsbemiddeling en is de beschikking pro forma aangehouden tot 15 november 2019. Bij beschikking van deze rechtbank van 22 oktober 2019 is – voor zover hier aan de orde – bepaald dat de Raad voor de Kinderbescherming een beschermingsonderzoek zal verrichten naar de vraag of een ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is, en is iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag, de omgang/verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de ondertoezichtstelling aangehouden. Bij beschikking van deze rechtbank van 16 januari 2020 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van 16 januari 2020 tot 16 januari 2021 onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland. Bij beschikking van deze rechtbank van 30 januari 2020 is – voor zover hier aan de orde – bepaald dat de uitvoering van de zorgregeling tussen de vader en de kinderen zal plaatsvinden onder regie van Jeugdbescherming west en is vastgesteld dat inzake de verzochte ondertoezichtstelling van de kinderen door de moeder geen beslissing meer genomen hoeft te worden. Bij beschikking van deze rechtbank van 17 juli 2023 is – voor zover hier van belang –het verzoek tot ondertoezichtstelling afgewezen. Bij beschikking van deze rechtbank van 30 november 2023 is – voor zover hier aan de orde – bepaald dat met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 16 april 2015 de vader met ingang van 21 september 2022 een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen van € 25,- per maand per kind zal betalen, en is bepaald dat de door de vader te betalen kinderalimentatie voor voornoemde minderjarigen voor de duur van het traject minnelijke schuldsanering natuurlijke personen op nihil wordt gesteld. Verzoek en verweer De moeder verzoekt te bepalen dat het gezamenlijk gezag van de ouders over de minderjarige [minderjarige 1] wordt beëindigd en de moeder te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] , voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Tevens verzoekt de vader – naar de rechtbank begrijpt – na aanvulling van zijn verzoek te bepalen dat: een zorgregeling c.q. omgangsregeling wordt vastgesteld tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , althans [minderjarige 1] en de vader, voor zover inhoudende dat [minderjarige 1] één keer per twee weken van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur bij de vader verblijft, alsmede de helft van de schoolvakanties (in de even jaren het eerste deel van de schoolvakantie en in de oneven jaren het tweede deel van de schoolvakantie) en feestdagen; de moeder de vader één keer per maand informeert over het wel en wee van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ; onder wijziging van de beschikking van de rechtbank van 30 november 2023 (C/09/644922) de door de vader aan de moeder te betalen bijdragen ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op nihil te stellen, zulks met ingang van 21 september 2022, althans met ingang van 1 oktober 2025, althans met ingang van de datum van indiening van dit verzoekschrift; een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens. De moeder voert verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de vader, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de moeder zelfstandig te bepalen dat: - geen zorg- of informatieregeling wordt vastgesteld zolang [minderjarige 1] daar zelf uitdrukkelijk bezwaar tegen maakt; althans een beslissing te nemen die de rechtbank in het belang van [minderjarige 1] juist acht; voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Beoordeling Eenhoofdig gezag Wettelijk kader Op grond van artikel 1:253n, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Op grond van artikel 1:253n, tweede lid, BW zijn de gronden van artikel 1:251a, eerste en derde lid, BW, van overeenkomstige toepassing. Dit leidt ertoe dat het gezamenlijk gezag kan worden beëindigd, indien: (a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of (b) wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Volledig
Inhoudelijke beoordeling De moeder verzoekt de beëindiging van het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] , en verzoekt haar te belasten met het eenhoofdig gezag. De vader heeft [minderjarige 1] (en [minderjarige 2] ) inmiddels al jaren niet meer gezien. Gedurende deze periode heeft de moeder alleen voor de kinderen gezorgd en heeft zij feitelijk alle beslissingen met betrekking tot de verzorging en opvoeding van de kinderen alleen genomen. De moeder wenst beslissingen met betrekking tot het gezag voortaan zelfstandig te kunnen nemen, omdat zij bij het nemen van dergelijke beslissingen belemmeringen ervaart, zoals vertraging. Daarnaast is bij bepaalde gezagsbeslissingen de aanwezigheid van de vader vereist. Zowel de moeder als [minderjarige 1] ervaren stress bij het idee dat de vader daarbij betrokken moet zijn. Om die reden acht de moeder het wenselijk dat zij voortaan zelfstandig beslissingen kan nemen. Dit zal naar verwachting meer rust voor [minderjarige 1] met zich brengen. [minderjarige 1] heeft bovendien zelf ook aangegeven dat hij het prettig zou vinden als de moeder alleen het gezag over hem uitoefent. De vader voert verweer tegen het verzoek van de moeder. Hij stelt dat hij in de afgelopen 2,5 jaar aan elke gezagsbeslissingen rondom [minderjarige 1] heeft meegewerkt. Zo heeft hij meegewerkt aan de aanvraag van een paspoort en geeft hij gehoor aan uitnodigingen van de school van [minderjarige 1] . Daarnaast verleent hij medewerking aan de inschrijving van [minderjarige 1] op een middelbare school. Volgens de vader heeft hij nimmer gezagsbeslissingen geblokkeerd. Hij is dan ook van mening dat het niet in het belang van [minderjarige 1] is om het gezamenlijk gezag te beëindigen. De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat voor gezamenlijk gezag in het algemeen is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over de minderjarige in gezamenlijk overleg kunnen nemen. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de vader al geruime tijd niet meer in beeld is en dat de communicatie tussen de ouders al jaren moeizaam verloopt. De ouders zijn niet in staat om in het belang van [minderjarige 1] met elkaar te communiceren en gezamenlijk beslissingen te nemen. De rechtbank acht het, gelet op het verleden en de pogingen die zijn ondernomen om de communicatie te verbeteren, niet aannemelijk dat hierin binnen afzienbare tijd verandering zal komen. Daarnaast heeft [minderjarige 1] aangegeven dat hij graag wil dat alleen de moeder belangrijke beslissingen over hem kan nemen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de moeder toewijzen en bepalen dat voortaan uitsluitend de moeder met het gezag over [minderjarige 1] is belast. Nu de moeder voortaan belast zal zijn met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] en zij reeds belast is met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 2] , zal de rechtbank hierna spreken over een omgangsregeling. Vaststelling omgangsregeling Wettelijk kader Op grond van artikel 1:377a, eerste lid, van het BW heeft een kind het recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Inhoudelijke beoordeling De vader heeft de kinderen al jaren niet gezien en geeft aan hen enorm te missen. Hij wenst opnieuw een vaderrol in het leven van de kinderen te vervullen en verzoekt om een omgangsregeling vast te stellen. In het verleden is de zorgregeling stopgezet omdat de vader de veiligheid van de kinderen tijdens de omgang niet kon garanderen. Ten overvloede merkt de vader op dat hij de kinderen nooit, op welke wijze dan ook, heeft mishandeld. De vader heeft in de afgelopen jaren hulp gezocht bij De Waag en heeft onder reclasseringstoezicht gestaan. Hij stelt dat hij hard aan zichzelf heeft gewerkt en dat het beeld dat van hem wordt geschetst niet langer overeenkomt met de huidige werkelijkheid. Volgens de vader heeft hij zich in positieve zin ontwikkeld en hij is van mening dat hij een goede ouder is en kan zijn. In dit verband voert hij aan dat hij sinds december van het afgelopen jaar de volledige verantwoordelijkheid draagt voor de verzorging en opvoeding van zijn drie andere kinderen. Waar in het verleden is gesteld dat de vader geen veilige en voorspelbare ouder zou zijn geweest, stelt hij dat daarvan inmiddels geen sprake meer is. De vader begrijpt dat de omgang, gelet op de gebeurtenissen in het verleden en de lange periode waarin hij de kinderen niet heeft gezien, geleidelijk zal moeten worden opgebouwd. Nu bij de vader meerdere uren per week begeleiding aanwezig is van [hulpverlener 2] , een organisatie gespecialiseerd in gezins- en opvoedbegeleiding, kan deze organisatie volgens de vader een rol spelen bij het begeleiden van de eerste omgangsmomenten tussen hem en de kinderen. Op die manier kan mogelijk een afzonderlijk traject voor omgangsbegeleiding, met bijbehorende wachttijden, worden voorkomen. Uiteindelijk wenst de vader, na een opbouwfase, toe te werken naar hervatting van de omgangsregeling zoals die gold vóór het stopzetten, te weten eenmaal per veertien dagen een weekend van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen. De moeder voert verweer tegen het zelfstandige verzoek van de vader om tot een omgangsregeling te komen. De moeder stelt dat iedere vorm van contactherstel op dit moment leidt tot stress, angst en onrust bij de kinderen. De moeder heeft zelfs gemerkt dat de kinderen lichamelijke klachten krijgen bij het idee dat zij omgang met de vader zouden moeten hebben. De kinderen zijn bang voor de vader. De moeder is van mening dat, zolang de kinderen expliciet aangeven geen contact te willen en er sprake is van angst voor de vader, rust dient te prevaleren boven het formele recht op omgang. De stelling van de vader dat de moeder het contact tussen hem en de kinderen heeft belet, wordt door de moeder uitdrukkelijk en gemotiveerd weersproken. Zij wijst er in dat verband op dat zij in de afgelopen jaren steeds heeft meegewerkt aan hulpverlening en pogingen tot contactherstel. De rechtbank acht het vaststellen van een omgangsregeling op dit moment niet in het belang van de kinderen. In het verleden is er veel gebeurd en de kinderen hebben nare herinneringen aan de periode waarin er contact was met de vader. De kinderen hebben allebei dan ook aangegeven dat zij geen omgang met de vader willen. Zij ervaren veel stress bij het idee dat er opnieuw contact zou moeten plaatsvinden. De rechtbank is van oordeel dat de kinderen zodanig angstig zijn dat het opleggen van een omgangsregeling op dit moment niet in hun belang wordt geacht. Daarbij weegt mee dat de rechtbank de kinderen, mede gelet op hun leeftijd, niet kan dwingen tot contact. Voorts overweegt de rechtbank dat van de moeder in de huidige omstandigheden niet kan worden verwacht dat zij opnieuw meewerkt aan contactherstel. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de moeder in het verleden steeds heeft meegewerkt aan hulpverlening en aan pogingen om contact tussen de vader en de kinderen tot stand te brengen. Inmiddels heeft de moeder de hoop op contactherstel opgegeven en wil zij de kinderen niet langer dwingen tot contact. De rechtbank acht het onder deze omstandigheden niet wenselijk om van de moeder te verlangen dat zij wederom initiatieven neemt om het contact op te bouwen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vader tot het vaststellen van een omgangsregeling afwijzen. Dit alles doet er niet aan af dat de rechtbank ziet dat de vader in de afgelopen periode hard aan zichzelf en zijn thuissituatie heeft gewerkt, met positief resultaat. Informatieregeling Wettelijk kader Ingevolge artikel 1:377b lid 1 BW is de ouder die met het gezag is belast onder meer gehouden de niet-gezagsouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van de minderjarige.
Volledig
Inhoudelijke beoordeling De moeder verzoekt de beëindiging van het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] , en verzoekt haar te belasten met het eenhoofdig gezag. De vader heeft [minderjarige 1] (en [minderjarige 2] ) inmiddels al jaren niet meer gezien. Gedurende deze periode heeft de moeder alleen voor de kinderen gezorgd en heeft zij feitelijk alle beslissingen met betrekking tot de verzorging en opvoeding van de kinderen alleen genomen. De moeder wenst beslissingen met betrekking tot het gezag voortaan zelfstandig te kunnen nemen, omdat zij bij het nemen van dergelijke beslissingen belemmeringen ervaart, zoals vertraging. Daarnaast is bij bepaalde gezagsbeslissingen de aanwezigheid van de vader vereist. Zowel de moeder als [minderjarige 1] ervaren stress bij het idee dat de vader daarbij betrokken moet zijn. Om die reden acht de moeder het wenselijk dat zij voortaan zelfstandig beslissingen kan nemen. Dit zal naar verwachting meer rust voor [minderjarige 1] met zich brengen. [minderjarige 1] heeft bovendien zelf ook aangegeven dat hij het prettig zou vinden als de moeder alleen het gezag over hem uitoefent. De vader voert verweer tegen het verzoek van de moeder. Hij stelt dat hij in de afgelopen 2,5 jaar aan elke gezagsbeslissingen rondom [minderjarige 1] heeft meegewerkt. Zo heeft hij meegewerkt aan de aanvraag van een paspoort en geeft hij gehoor aan uitnodigingen van de school van [minderjarige 1] . Daarnaast verleent hij medewerking aan de inschrijving van [minderjarige 1] op een middelbare school. Volgens de vader heeft hij nimmer gezagsbeslissingen geblokkeerd. Hij is dan ook van mening dat het niet in het belang van [minderjarige 1] is om het gezamenlijk gezag te beëindigen. De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat voor gezamenlijk gezag in het algemeen is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over de minderjarige in gezamenlijk overleg kunnen nemen. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de vader al geruime tijd niet meer in beeld is en dat de communicatie tussen de ouders al jaren moeizaam verloopt. De ouders zijn niet in staat om in het belang van [minderjarige 1] met elkaar te communiceren en gezamenlijk beslissingen te nemen. De rechtbank acht het, gelet op het verleden en de pogingen die zijn ondernomen om de communicatie te verbeteren, niet aannemelijk dat hierin binnen afzienbare tijd verandering zal komen. Daarnaast heeft [minderjarige 1] aangegeven dat hij graag wil dat alleen de moeder belangrijke beslissingen over hem kan nemen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de moeder toewijzen en bepalen dat voortaan uitsluitend de moeder met het gezag over [minderjarige 1] is belast. Nu de moeder voortaan belast zal zijn met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] en zij reeds belast is met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 2] , zal de rechtbank hierna spreken over een omgangsregeling. Vaststelling omgangsregeling Wettelijk kader Op grond van artikel 1:377a, eerste lid, van het BW heeft een kind het recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Inhoudelijke beoordeling De vader heeft de kinderen al jaren niet gezien en geeft aan hen enorm te missen. Hij wenst opnieuw een vaderrol in het leven van de kinderen te vervullen en verzoekt om een omgangsregeling vast te stellen. In het verleden is de zorgregeling stopgezet omdat de vader de veiligheid van de kinderen tijdens de omgang niet kon garanderen. Ten overvloede merkt de vader op dat hij de kinderen nooit, op welke wijze dan ook, heeft mishandeld. De vader heeft in de afgelopen jaren hulp gezocht bij De Waag en heeft onder reclasseringstoezicht gestaan. Hij stelt dat hij hard aan zichzelf heeft gewerkt en dat het beeld dat van hem wordt geschetst niet langer overeenkomt met de huidige werkelijkheid. Volgens de vader heeft hij zich in positieve zin ontwikkeld en hij is van mening dat hij een goede ouder is en kan zijn. In dit verband voert hij aan dat hij sinds december van het afgelopen jaar de volledige verantwoordelijkheid draagt voor de verzorging en opvoeding van zijn drie andere kinderen. Waar in het verleden is gesteld dat de vader geen veilige en voorspelbare ouder zou zijn geweest, stelt hij dat daarvan inmiddels geen sprake meer is. De vader begrijpt dat de omgang, gelet op de gebeurtenissen in het verleden en de lange periode waarin hij de kinderen niet heeft gezien, geleidelijk zal moeten worden opgebouwd. Nu bij de vader meerdere uren per week begeleiding aanwezig is van [hulpverlener 2] , een organisatie gespecialiseerd in gezins- en opvoedbegeleiding, kan deze organisatie volgens de vader een rol spelen bij het begeleiden van de eerste omgangsmomenten tussen hem en de kinderen. Op die manier kan mogelijk een afzonderlijk traject voor omgangsbegeleiding, met bijbehorende wachttijden, worden voorkomen. Uiteindelijk wenst de vader, na een opbouwfase, toe te werken naar hervatting van de omgangsregeling zoals die gold vóór het stopzetten, te weten eenmaal per veertien dagen een weekend van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen. De moeder voert verweer tegen het zelfstandige verzoek van de vader om tot een omgangsregeling te komen. De moeder stelt dat iedere vorm van contactherstel op dit moment leidt tot stress, angst en onrust bij de kinderen. De moeder heeft zelfs gemerkt dat de kinderen lichamelijke klachten krijgen bij het idee dat zij omgang met de vader zouden moeten hebben. De kinderen zijn bang voor de vader. De moeder is van mening dat, zolang de kinderen expliciet aangeven geen contact te willen en er sprake is van angst voor de vader, rust dient te prevaleren boven het formele recht op omgang. De stelling van de vader dat de moeder het contact tussen hem en de kinderen heeft belet, wordt door de moeder uitdrukkelijk en gemotiveerd weersproken. Zij wijst er in dat verband op dat zij in de afgelopen jaren steeds heeft meegewerkt aan hulpverlening en pogingen tot contactherstel. De rechtbank acht het vaststellen van een omgangsregeling op dit moment niet in het belang van de kinderen. In het verleden is er veel gebeurd en de kinderen hebben nare herinneringen aan de periode waarin er contact was met de vader. De kinderen hebben allebei dan ook aangegeven dat zij geen omgang met de vader willen. Zij ervaren veel stress bij het idee dat er opnieuw contact zou moeten plaatsvinden. De rechtbank is van oordeel dat de kinderen zodanig angstig zijn dat het opleggen van een omgangsregeling op dit moment niet in hun belang wordt geacht. Daarbij weegt mee dat de rechtbank de kinderen, mede gelet op hun leeftijd, niet kan dwingen tot contact. Voorts overweegt de rechtbank dat van de moeder in de huidige omstandigheden niet kan worden verwacht dat zij opnieuw meewerkt aan contactherstel. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de moeder in het verleden steeds heeft meegewerkt aan hulpverlening en aan pogingen om contact tussen de vader en de kinderen tot stand te brengen. Inmiddels heeft de moeder de hoop op contactherstel opgegeven en wil zij de kinderen niet langer dwingen tot contact. De rechtbank acht het onder deze omstandigheden niet wenselijk om van de moeder te verlangen dat zij wederom initiatieven neemt om het contact op te bouwen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vader tot het vaststellen van een omgangsregeling afwijzen. Dit alles doet er niet aan af dat de rechtbank ziet dat de vader in de afgelopen periode hard aan zichzelf en zijn thuissituatie heeft gewerkt, met positief resultaat. Informatieregeling Wettelijk kader Ingevolge artikel 1:377b lid 1 BW is de ouder die met het gezag is belast onder meer gehouden de niet-gezagsouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van de minderjarige.