Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-05-08
ECLI:NL:RBDHA:2026:11414
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,163 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:11414 text/xml public 2026-05-13T14:00:25 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-08 NL24.7496 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Middelburg Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11414 text/html public 2026-05-11T12:18:47 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11414 Rechtbank Den Haag , 08-05-2026 / NL24.7496 derdelander – Oekraïne – vrijwillig teruggekeerd – niet-ontvankelijk – proceskostenveroordeling. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL24.7496 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , eiseresV-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. R.C. van den Berg), en de minister van Asiel en Migratie , voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 7 februari 2024, waarbij is vastgesteld dat eiseres na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming en waarbij tegen eiseres een terugkeerbesluit is uitgevaardigd. De rechtbank heeft het beroep aangehouden in afwachting van de beantwoording van prejudiciële vragen door het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU). Verweerder heeft, onder intrekking van het besluit van 7 februari 2024, op 7 augustus 2025 opnieuw een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op dit besluit. Een mondelinge behandeling van het beroep is achterwege gebleven. Beoordeling door de rechtbank 1. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1998 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Zij heeft in Nederland tijdelijke bescherming gekregen op grond van de facultatieve bepaling van de RTB als een zogenoemde ‘derdelander Oekraïne’. 2. Niet is gebleken dat eiseres nog enig belang heeft bij de beoordeling van het beroep voor zover gericht tegen het ingetrokken besluit van 7 februari 2024. 3. Bij brief van 8 januari 2026 heeft de gemachtigde van eiseres aan de rechtbank kenbaar gemaakt dat eiseres vrijwillig is teruggekeerd naar Nigeria. Gelet hierop heeft eiseres evenmin nog een belang bij een beoordeling van het beroep, voor zover het is gericht tegen het terugkeerbesluit van 7 augustus 2025. Met de terugkeer van eiseres is het terugkeerbesluit uitgewerkt. Een intrekking van dat besluit, zoals namens eiseres wordt gevraagd, heeft dan ook geen rechtsgevolg. Eiseres heeft niet verzocht om een schadevergoeding. 4. Het beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. 4. Zoals eiseres terecht stelt, is met de intrekking van het besluit van 7 februari 2024 de onrechtmatigheid van dat besluit gegeven. Gelet hierop is er reden om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op €934, bestaande uit één punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van €934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep niet-ontvankelijk; veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ter hoogte van € 934 (negenhonderdvierendertig euro). Deze uitspraak is gedaan op 8 mei 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Deze uitspraak is bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (Rl. 2001/55/EG, RTB). Op grond van artikel 8:57 van de Awb.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:11414 text/xml public 2026-05-13T14:00:25 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-08 NL24.7496 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Middelburg Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11414 text/html public 2026-05-11T12:18:47 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11414 Rechtbank Den Haag , 08-05-2026 / NL24.7496 derdelander – Oekraïne – vrijwillig teruggekeerd – niet-ontvankelijk – proceskostenveroordeling. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL24.7496 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , eiseresV-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. R.C. van den Berg), en de minister van Asiel en Migratie , voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 7 februari 2024, waarbij is vastgesteld dat eiseres na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming en waarbij tegen eiseres een terugkeerbesluit is uitgevaardigd. De rechtbank heeft het beroep aangehouden in afwachting van de beantwoording van prejudiciële vragen door het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU). Verweerder heeft, onder intrekking van het besluit van 7 februari 2024, op 7 augustus 2025 opnieuw een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op dit besluit. Een mondelinge behandeling van het beroep is achterwege gebleven. Beoordeling door de rechtbank 1. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1998 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Zij heeft in Nederland tijdelijke bescherming gekregen op grond van de facultatieve bepaling van de RTB als een zogenoemde ‘derdelander Oekraïne’. 2. Niet is gebleken dat eiseres nog enig belang heeft bij de beoordeling van het beroep voor zover gericht tegen het ingetrokken besluit van 7 februari 2024. 3. Bij brief van 8 januari 2026 heeft de gemachtigde van eiseres aan de rechtbank kenbaar gemaakt dat eiseres vrijwillig is teruggekeerd naar Nigeria. Gelet hierop heeft eiseres evenmin nog een belang bij een beoordeling van het beroep, voor zover het is gericht tegen het terugkeerbesluit van 7 augustus 2025. Met de terugkeer van eiseres is het terugkeerbesluit uitgewerkt. Een intrekking van dat besluit, zoals namens eiseres wordt gevraagd, heeft dan ook geen rechtsgevolg. Eiseres heeft niet verzocht om een schadevergoeding. 4. Het beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. 4. Zoals eiseres terecht stelt, is met de intrekking van het besluit van 7 februari 2024 de onrechtmatigheid van dat besluit gegeven. Gelet hierop is er reden om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op €934, bestaande uit één punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van €934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep niet-ontvankelijk; veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ter hoogte van € 934 (negenhonderdvierendertig euro). Deze uitspraak is gedaan op 8 mei 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Deze uitspraak is bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (Rl. 2001/55/EG, RTB). Op grond van artikel 8:57 van de Awb.