Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-05-11
ECLI:NL:RBDHA:2026:11405
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,079 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:11405 text/xml public 2026-05-13T14:00:29 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-11 NL26.20939 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Middelburg Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11405 text/html public 2026-05-11T12:02:23 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11405 Rechtbank Den Haag , 11-05-2026 / NL26.20939 Dublin Kroatië – buiten zitting – niet verschenen voor gehoor – interstatelijk vertrouwensbeginsel – broer in Nederland – verantwoordelijkheid niet verlopen artikel 19, Dublinverordening – visum – beroep ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL26.20939 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer] , (gemachtigde: mr. E.S. van Aken), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Procesverloop Bij het besluit van 13 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb uitspraak zonder zitting. Beoordeling door de rechtbank 1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1999 en de Syrische nationaliteit te hebben. 2. Eiser heeft op 12 april 2024 zijn eerste asielaanvraag ingediend in Nederland. Bij besluit van 2 oktober 2024 heeft verweerder de aanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Het daartegen ingediende beroep is door deze rechtbank en zittingsplaats bij uitspraak van 15 november 2024 ongegrond verklaard. Het hiertegen ingestelde hoger beroep is bij uitspraak van 21 januari 2025 ongegrond verklaard. Het besluit van 2 oktober 2024 is hiermee in rechte vast komen te staan. Op 14 mei 2025 is eiser overgedragen aan de autoriteiten van Kroatië. 3. Op 16 december 2025 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend in Nederland. Niet is gebleken dat de verantwoordelijkheid van Kroatië is beëindigd op grond van artikel 19 van de Dublinverordening. Verweerder heeft daarom op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening de Kroatische autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen. De Kroatische autoriteiten hebben dit verzoek op 19 februari 2026 geaccepteerd op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening. 4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartegen aan dat ten aanzien van Kroatië niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft in Kroatië geen toegang gehad tot een effectieve asielprocedure, geen adequate opvang gekregen en is door de autoriteiten mishandeld, zodat overdracht in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Verweerder heeft onvoldoende onderzocht of Kroatië in zijn geval daadwerkelijk verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag en of zijn asielverzoek daar inhoudelijk zal worden behandeld. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen toepassing wordt gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, mede gelet op zijn negatieve ervaringen in Kroatië en het verblijf van zijn broer in Nederland. Bovendien is verweerder onvoldoende ingegaan op zijn zienswijze. Tot slot is eiser ten onrechte tegengeworpen dat hij niet is verschenen voor zijn gehoor, nu hij de uitnodiging niet heeft ontvangen en verweerder hem opnieuw had moeten oproepen. De rechtbank oordeelt als volgt. 5. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser op de juiste wijze is uitgenodigd voor het aanmeldgehoor. De uitnodiging is naar de opvanglocatie van eiser verzonden en bevindt zich in het dossier, evenals het rapport van niet verschijnen. Dat eiser stelt de uitnodiging niet te hebben ontvangen, is onvoldoende om te oordelen dat deze hem niet heeft bereikt. Het ligt op de weg van eiser om zijn afspraken in het kader van de asielprocedure in de gaten te houden. Daarnaast heeft eiser door het indienen van de zienswijze de gelegenheid gehad om op het voornemen te reageren, van welke gelegenheid hij gebruik heeft gemaakt. Niet is gebleken dat eiser hierdoor in zijn belangen is geschaad, nu hij niet heeft geconcretiseerd wat hij in een gehoor nog aanvullend naar voren had willen brengen. Uit het bestreden besluit blijkt dat hetgeen eiser in de zienswijze naar voren heeft gebracht, bij de beoordeling is betrokken. Verweerder heeft daarom geen aanleiding hoeven zien om eiser opnieuw uit te nodigen voor een gehoor. 6. In beginsel mag verweerder ten opzichte van Kroatië, dat evenals Nederland partij is bij het EVRM en het Vluchtelingenverdrag, uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is reeds bevestigd in de uitspraken van de Afdeling van 20 augustus 2025 en 21 november 2025. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval daar niet van kan worden uitgegaan. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat de Kroatische autoriteiten hun verdragsverplichtingen jegens hem niet zullen nakomen en dat bij terugkeer een situatie zal ontstaan die in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Ook is niet gebleken van ernstige, structurele tekortkomingen in het asielsysteem of de opvangvoorzieningen. Indien eiser in Kroatië toch wordt geconfronteerd met tekortkomingen bij de behandeling van zijn asielaanvraag, in de opvang of anderszins, kan hij hierover klagen bij de Kroatische (hogere) autoriteiten. Niet is gebleken dat klagen bij de Kroatische autoriteiten voor eiser niet mogelijk was of bij voorbaat zinloos is. Ook is niet gebleken dat eiser een klacht heeft ingediend over de gestelde ontoereikende omstandigheden in de asielprocedure, opvangvoorzieningen en behandeling door de Kroatische autoriteiten die hij tijdens een eerder verblijf in Kroatië zou hebben meegemaakt. 7. Eiser wordt niet gevolgd in zijn stelling dat niet gebleken is dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag en dat verweerder nader onderzoek had moeten verrichten. Met de aanvaarding van het terugnameverzoek hebben de Kroatische autoriteiten hun verantwoordelijkheid bevestigd en gegarandeerd de asielaanvraag van eiser in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese richtlijnen en internationale verdragen. Verweerder heeft hierin geen aanleiding hoeven zien voor nader onderzoek of het vragen van aanvullende garanties. 8. Verder heeft verweerder in de door eiser gestelde omstandigheden evenmin reden hoeven zien om de verantwoordelijkheid aan zich te trekken. Het betreffen namelijk geen bijzondere individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Kroatië onevenredig moet worden geacht. Daarbij heeft verweerder ervan uit mogen gaan dat eisers eerdere ervaringen in Kroatië al betrokken zijn bij de beoordeling op het punt van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en daarom niet nogmaals een rol kunnen spelen in het kader van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eiser heeft verder geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die overdracht naar Kroatië onevenredig hard maken. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat het enkele feit dat eiser stelt dat een familielid in Nederland verblijft geen grond vormt om zijn aanvraag hier te behandelen, reeds omdat niet is gebleken van een afhankelijkheidsrelatie als bedoeld in de Dublinverordening. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid kunnen beslissen dat er geen aanleiding is om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. 9. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond. 10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan op 11 mei 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:11405 text/xml public 2026-05-13T14:00:29 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-11 NL26.20939 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Middelburg Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11405 text/html public 2026-05-11T12:02:23 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11405 Rechtbank Den Haag , 11-05-2026 / NL26.20939 Dublin Kroatië – buiten zitting – niet verschenen voor gehoor – interstatelijk vertrouwensbeginsel – broer in Nederland – verantwoordelijkheid niet verlopen artikel 19, Dublinverordening – visum – beroep ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL26.20939 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer] , (gemachtigde: mr. E.S. van Aken), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Procesverloop Bij het besluit van 13 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb uitspraak zonder zitting. Beoordeling door de rechtbank 1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1999 en de Syrische nationaliteit te hebben. 2. Eiser heeft op 12 april 2024 zijn eerste asielaanvraag ingediend in Nederland. Bij besluit van 2 oktober 2024 heeft verweerder de aanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Het daartegen ingediende beroep is door deze rechtbank en zittingsplaats bij uitspraak van 15 november 2024 ongegrond verklaard. Het hiertegen ingestelde hoger beroep is bij uitspraak van 21 januari 2025 ongegrond verklaard. Het besluit van 2 oktober 2024 is hiermee in rechte vast komen te staan. Op 14 mei 2025 is eiser overgedragen aan de autoriteiten van Kroatië. 3. Op 16 december 2025 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend in Nederland. Niet is gebleken dat de verantwoordelijkheid van Kroatië is beëindigd op grond van artikel 19 van de Dublinverordening. Verweerder heeft daarom op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening de Kroatische autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen. De Kroatische autoriteiten hebben dit verzoek op 19 februari 2026 geaccepteerd op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening. 4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartegen aan dat ten aanzien van Kroatië niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft in Kroatië geen toegang gehad tot een effectieve asielprocedure, geen adequate opvang gekregen en is door de autoriteiten mishandeld, zodat overdracht in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Verweerder heeft onvoldoende onderzocht of Kroatië in zijn geval daadwerkelijk verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag en of zijn asielverzoek daar inhoudelijk zal worden behandeld. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen toepassing wordt gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, mede gelet op zijn negatieve ervaringen in Kroatië en het verblijf van zijn broer in Nederland. Bovendien is verweerder onvoldoende ingegaan op zijn zienswijze. Tot slot is eiser ten onrechte tegengeworpen dat hij niet is verschenen voor zijn gehoor, nu hij de uitnodiging niet heeft ontvangen en verweerder hem opnieuw had moeten oproepen. De rechtbank oordeelt als volgt. 5. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser op de juiste wijze is uitgenodigd voor het aanmeldgehoor. De uitnodiging is naar de opvanglocatie van eiser verzonden en bevindt zich in het dossier, evenals het rapport van niet verschijnen. Dat eiser stelt de uitnodiging niet te hebben ontvangen, is onvoldoende om te oordelen dat deze hem niet heeft bereikt. Het ligt op de weg van eiser om zijn afspraken in het kader van de asielprocedure in de gaten te houden. Daarnaast heeft eiser door het indienen van de zienswijze de gelegenheid gehad om op het voornemen te reageren, van welke gelegenheid hij gebruik heeft gemaakt. Niet is gebleken dat eiser hierdoor in zijn belangen is geschaad, nu hij niet heeft geconcretiseerd wat hij in een gehoor nog aanvullend naar voren had willen brengen. Uit het bestreden besluit blijkt dat hetgeen eiser in de zienswijze naar voren heeft gebracht, bij de beoordeling is betrokken. Verweerder heeft daarom geen aanleiding hoeven zien om eiser opnieuw uit te nodigen voor een gehoor. 6. In beginsel mag verweerder ten opzichte van Kroatië, dat evenals Nederland partij is bij het EVRM en het Vluchtelingenverdrag, uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is reeds bevestigd in de uitspraken van de Afdeling van 20 augustus 2025 en 21 november 2025. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval daar niet van kan worden uitgegaan. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat de Kroatische autoriteiten hun verdragsverplichtingen jegens hem niet zullen nakomen en dat bij terugkeer een situatie zal ontstaan die in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Ook is niet gebleken van ernstige, structurele tekortkomingen in het asielsysteem of de opvangvoorzieningen. Indien eiser in Kroatië toch wordt geconfronteerd met tekortkomingen bij de behandeling van zijn asielaanvraag, in de opvang of anderszins, kan hij hierover klagen bij de Kroatische (hogere) autoriteiten. Niet is gebleken dat klagen bij de Kroatische autoriteiten voor eiser niet mogelijk was of bij voorbaat zinloos is. Ook is niet gebleken dat eiser een klacht heeft ingediend over de gestelde ontoereikende omstandigheden in de asielprocedure, opvangvoorzieningen en behandeling door de Kroatische autoriteiten die hij tijdens een eerder verblijf in Kroatië zou hebben meegemaakt. 7. Eiser wordt niet gevolgd in zijn stelling dat niet gebleken is dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag en dat verweerder nader onderzoek had moeten verrichten. Met de aanvaarding van het terugnameverzoek hebben de Kroatische autoriteiten hun verantwoordelijkheid bevestigd en gegarandeerd de asielaanvraag van eiser in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese richtlijnen en internationale verdragen. Verweerder heeft hierin geen aanleiding hoeven zien voor nader onderzoek of het vragen van aanvullende garanties. 8. Verder heeft verweerder in de door eiser gestelde omstandigheden evenmin reden hoeven zien om de verantwoordelijkheid aan zich te trekken. Het betreffen namelijk geen bijzondere individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Kroatië onevenredig moet worden geacht. Daarbij heeft verweerder ervan uit mogen gaan dat eisers eerdere ervaringen in Kroatië al betrokken zijn bij de beoordeling op het punt van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en daarom niet nogmaals een rol kunnen spelen in het kader van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eiser heeft verder geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die overdracht naar Kroatië onevenredig hard maken. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat het enkele feit dat eiser stelt dat een familielid in Nederland verblijft geen grond vormt om zijn aanvraag hier te behandelen, reeds omdat niet is gebleken van een afhankelijkheidsrelatie als bedoeld in de Dublinverordening. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid kunnen beslissen dat er geen aanleiding is om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. 9. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond. 10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan op 11 mei 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S.