Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-05-11
ECLI:NL:RBDHA:2026:11404
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,296 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:11404 text/xml public 2026-05-18T12:00:22 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-11 NL26.23644 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11404 text/html public 2026-05-11T11:57:39 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11404 Rechtbank Den Haag , 11-05-2026 / NL26.23644 Eerste beroep. 59.1.a. De minister was niet gehouden om de maatregel van bewaring te toetsen aan het beginsel van non-refoulement, nu eiser Unieburger is. Beroep ongegrond RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL26.23644 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser gemachtigde: mr. B. Snoeij, en de minister van Asiel en Migratie, gemachtigde: drs. J.P.M. Wuite. Procesverloop Bij besluit van 24 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser en gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser stelt van Duitse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1972. 2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft als zware gronden vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet; 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan; 4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld. 3. Eiser heeft de aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegde gronden niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden voldoende zijn om de maatregel van bewaring te dragen. 4. Eiser stelt zich op het standpunt dat niet gecontroleerd kan worden of bij het totstandkomen van het terugkeerbesluit rekening is gehouden met het bepaalde in artikel 5 van richtlijn 2008/115, althans met de daarin genoemde belangen en/of het beginsel van non-refoulement. De rechtbank verstaat dit als een beroep op het door het Hof dit in het arrest van 4 september 2025 in de zaak Adrar gegeven oordeel. 5. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. Eiser gaat er aan voorbij dat de terugkeerrichtlijn en het arrest Adrar betrekking hebben op de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijven. In het onderhavige geval is daarvan geen sprake, nu eiser Unieburger is. De minister was dan ook niet gehouden om de maatregel van bewaring te toetsen aan het beginsel van non-refoulement. De beroepsgrond slaagt niet. 6. Ook overigens is niet gebleken dat (het voortduren van) de maatregel van bewaring onrechtmatig is. 7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. H.W.H. Oude Aarninkhof, rechter, in aanwezigheid van H.B. Slot - Akkerman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. ECLI:EU:C:2025:647. ECLI:EU:C:2022:858, ECLI:EU:C:2025:647, ECLI:EU:C:2026:148.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:11404 text/xml public 2026-05-18T12:00:22 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-11 NL26.23644 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11404 text/html public 2026-05-11T11:57:39 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11404 Rechtbank Den Haag , 11-05-2026 / NL26.23644 Eerste beroep. 59.1.a. De minister was niet gehouden om de maatregel van bewaring te toetsen aan het beginsel van non-refoulement, nu eiser Unieburger is. Beroep ongegrond RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL26.23644 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser gemachtigde: mr. B. Snoeij, en de minister van Asiel en Migratie, gemachtigde: drs. J.P.M. Wuite. Procesverloop Bij besluit van 24 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser en gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser stelt van Duitse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1972. 2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft als zware gronden vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet; 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan; 4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld. 3. Eiser heeft de aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegde gronden niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden voldoende zijn om de maatregel van bewaring te dragen. 4. Eiser stelt zich op het standpunt dat niet gecontroleerd kan worden of bij het totstandkomen van het terugkeerbesluit rekening is gehouden met het bepaalde in artikel 5 van richtlijn 2008/115, althans met de daarin genoemde belangen en/of het beginsel van non-refoulement. De rechtbank verstaat dit als een beroep op het door het Hof dit in het arrest van 4 september 2025 in de zaak Adrar gegeven oordeel. 5. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. Eiser gaat er aan voorbij dat de terugkeerrichtlijn en het arrest Adrar betrekking hebben op de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijven. In het onderhavige geval is daarvan geen sprake, nu eiser Unieburger is. De minister was dan ook niet gehouden om de maatregel van bewaring te toetsen aan het beginsel van non-refoulement. De beroepsgrond slaagt niet. 6. Ook overigens is niet gebleken dat (het voortduren van) de maatregel van bewaring onrechtmatig is. 7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. H.W.H. Oude Aarninkhof, rechter, in aanwezigheid van H.B. Slot - Akkerman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. ECLI:EU:C:2025:647. ECLI:EU:C:2022:858, ECLI:EU:C:2025:647, ECLI:EU:C:2026:148.