Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-05-06
ECLI:NL:RBDHA:2026:11382
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,080 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:11382 text/xml public 2026-05-12T14:42:47 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-06 NL26.21708 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11382 text/html public 2026-05-11T10:25:29 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11382 Rechtbank Den Haag , 06-05-2026 / NL26.21708 Artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat eiser zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd en hiermee gevolg heeft gegeven aan het verwijderingsbesluit. Eiser heeft in het geheel niet onderbouwd dat hij het centrum van zijn belangen naar Roemenië, of elders, heeft overgebracht en daar een bestendig bestaan heeft opgebouwd. Gelet daarop heeft de minister mogen aannemen dat eiser zijn verblijf niet daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Beroep ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL26.21708 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. E. El Assrouti), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister) (gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg). Procesverloop Bij besluit van 16 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 29 april 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Toughza, als waarnemer voor zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft na de zitting, op 29 april 2026, de maatregel van bewaring opgeheven. Overwegingen 1. Eiser stelt van Roemeense nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1985. 2. Omdat de bewaring inmiddels is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. 3. Eiser betoogt dat de maatregel van bewaring onterecht is opgelegd, omdat eiser rechtmatig verblijf heeft als Unieburger. Eiser is uit eigen beweging op 24 maart 2025 uit Nederland vertrokken. Eind november 2025 is eiser Nederland weer ingereisd en is daarmee een periode van acht maanden niet in Nederland geweest. Niet gesteld kan worden dat eiser zijn verblijf in Nederland hiermee niet daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd, aldus eiser. 3.1. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het arrest F.S. van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 22 juni 2021 volgt dat een Unieburger ten aanzien van wie een verwijderingsbesluit is genomen alleen opnieuw verblijfsrecht op het grondgebied van het gastland verkrijgt wanneer hij zijn verblijf op dat grondgebied daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Het enkele fysieke vertrek volstaat niet. Hoe langer de afwezigheid van de Unieburger van het grondgebied van het gastland, hoe meer daaruit blijkt dat het verblijf daadwerkelijk en effectief is beëindigd. Daarnaast zijn alle elementen waaruit blijkt dat de Unieburger zijn banden met het gastland heeft verbroken van belang. Ten slotte is van belang of een Unieburger bestendig heeft verbleven op het grondgebied van een andere lidstaat dan de gastlidstaat dat het verwijderingsbesluit heeft genomen. 4. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat eiser zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd en hiermee gevolg heeft gegeven aan het verwijderingsbesluit van 16 december 2024. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiser weliswaar op 24 maart 2025 uit eigen beweging uit Nederland is vertrokken en daarbij feitelijk Nederland heeft verlaten, maar dat eiser vervolgens eind november 2025 Nederland weer is ingereisd. Vanaf 1 januari 2026 is eiser vervolgens geregeld staande gehouden wegens het plegen van overlast op straat en openbare dronkenschap en is eiser sindsdien ook drie keer aangehouden en veroordeeld voor het plegen van misdrijven, te weten vermogensdelicten. In het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft eiser verklaard dat hij in Roemenië zwart heeft gewerkt in de bouw, maar dat dit werk in Roemenië niet goed wordt betaald. Daarnaast zou eiser staan ingeschreven in Roemenië, maar hij heeft dit niet met stukken onderbouwd. Ook heeft eiser in het gehoor verklaard dat hij wacht op een nieuwe identiteitskaart, die zijn moeder in Roemenië zou hebben geregeld en naar hem zou opsturen, zodat hij kan werken. Eiser heeft de nieuwe identiteitskaart na twee maanden nog niet ontvangen. De aanvraag voor een nieuw identiteitsdocument bij de Roemeense autoriteiten kan eiser overigens niet tonen. Eiser heeft hiermee in het geheel niet onderbouwd dat hij het centrum van zijn belangen naar Roemenië, of elders, heeft overgebracht en daar een bestendig bestaan heeft opgebouwd. Gelet op het voorgaande heeft de minister mogen aannemen dat eiser zijn verblijf niet daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. De beroepsgrond slaagt niet. 5. In de maatregel van bewaring heeft de minister verder overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser: 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 5.1. De zware en lichte gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd zijn door eiser niet betwist. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden, in samenhang bezien, de maatregel van bewaring niet kunnen dragen. 6. Eiser voert verder aan dat niet valt in te zien dat niet kon worden volstaan met een lichter middel, zoals een borgtocht of meldplicht. 6.1. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. In de maatregel is gewezen op de gronden en de motivering daarvan, waaruit volgt dat er een risico is dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft toegelicht dat het gedrag van eiser geen aanleiding geeft om een lichter middel toe te passen. Hierbij heeft de minister mogen betrekken dat eiser zijn vertrek uit Nederland niet daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Deze beroepsgrond slaagt niet. 7. Ook met inachtneming van de ambtshalve toets waartoe de rechtbank is gehouden, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het opleggen of voortduren van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was. 8. Het beroep is ongegrond.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:11382 text/xml public 2026-05-12T14:42:47 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-06 NL26.21708 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11382 text/html public 2026-05-11T10:25:29 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11382 Rechtbank Den Haag , 06-05-2026 / NL26.21708 Artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat eiser zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd en hiermee gevolg heeft gegeven aan het verwijderingsbesluit. Eiser heeft in het geheel niet onderbouwd dat hij het centrum van zijn belangen naar Roemenië, of elders, heeft overgebracht en daar een bestendig bestaan heeft opgebouwd. Gelet daarop heeft de minister mogen aannemen dat eiser zijn verblijf niet daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Beroep ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL26.21708 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. E. El Assrouti), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister) (gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg). Procesverloop Bij besluit van 16 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 29 april 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Toughza, als waarnemer voor zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft na de zitting, op 29 april 2026, de maatregel van bewaring opgeheven. Overwegingen 1. Eiser stelt van Roemeense nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1985. 2. Omdat de bewaring inmiddels is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. 3. Eiser betoogt dat de maatregel van bewaring onterecht is opgelegd, omdat eiser rechtmatig verblijf heeft als Unieburger. Eiser is uit eigen beweging op 24 maart 2025 uit Nederland vertrokken. Eind november 2025 is eiser Nederland weer ingereisd en is daarmee een periode van acht maanden niet in Nederland geweest. Niet gesteld kan worden dat eiser zijn verblijf in Nederland hiermee niet daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd, aldus eiser. 3.1. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het arrest F.S. van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 22 juni 2021 volgt dat een Unieburger ten aanzien van wie een verwijderingsbesluit is genomen alleen opnieuw verblijfsrecht op het grondgebied van het gastland verkrijgt wanneer hij zijn verblijf op dat grondgebied daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Het enkele fysieke vertrek volstaat niet. Hoe langer de afwezigheid van de Unieburger van het grondgebied van het gastland, hoe meer daaruit blijkt dat het verblijf daadwerkelijk en effectief is beëindigd. Daarnaast zijn alle elementen waaruit blijkt dat de Unieburger zijn banden met het gastland heeft verbroken van belang. Ten slotte is van belang of een Unieburger bestendig heeft verbleven op het grondgebied van een andere lidstaat dan de gastlidstaat dat het verwijderingsbesluit heeft genomen. 4. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat eiser zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd en hiermee gevolg heeft gegeven aan het verwijderingsbesluit van 16 december 2024. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiser weliswaar op 24 maart 2025 uit eigen beweging uit Nederland is vertrokken en daarbij feitelijk Nederland heeft verlaten, maar dat eiser vervolgens eind november 2025 Nederland weer is ingereisd. Vanaf 1 januari 2026 is eiser vervolgens geregeld staande gehouden wegens het plegen van overlast op straat en openbare dronkenschap en is eiser sindsdien ook drie keer aangehouden en veroordeeld voor het plegen van misdrijven, te weten vermogensdelicten. In het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft eiser verklaard dat hij in Roemenië zwart heeft gewerkt in de bouw, maar dat dit werk in Roemenië niet goed wordt betaald. Daarnaast zou eiser staan ingeschreven in Roemenië, maar hij heeft dit niet met stukken onderbouwd. Ook heeft eiser in het gehoor verklaard dat hij wacht op een nieuwe identiteitskaart, die zijn moeder in Roemenië zou hebben geregeld en naar hem zou opsturen, zodat hij kan werken. Eiser heeft de nieuwe identiteitskaart na twee maanden nog niet ontvangen. De aanvraag voor een nieuw identiteitsdocument bij de Roemeense autoriteiten kan eiser overigens niet tonen. Eiser heeft hiermee in het geheel niet onderbouwd dat hij het centrum van zijn belangen naar Roemenië, of elders, heeft overgebracht en daar een bestendig bestaan heeft opgebouwd. Gelet op het voorgaande heeft de minister mogen aannemen dat eiser zijn verblijf niet daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. De beroepsgrond slaagt niet. 5. In de maatregel van bewaring heeft de minister verder overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser: 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 5.1. De zware en lichte gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd zijn door eiser niet betwist. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden, in samenhang bezien, de maatregel van bewaring niet kunnen dragen. 6. Eiser voert verder aan dat niet valt in te zien dat niet kon worden volstaan met een lichter middel, zoals een borgtocht of meldplicht. 6.1. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. In de maatregel is gewezen op de gronden en de motivering daarvan, waaruit volgt dat er een risico is dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft toegelicht dat het gedrag van eiser geen aanleiding geeft om een lichter middel toe te passen. Hierbij heeft de minister mogen betrekken dat eiser zijn vertrek uit Nederland niet daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Deze beroepsgrond slaagt niet. 7. Ook met inachtneming van de ambtshalve toets waartoe de rechtbank is gehouden, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het opleggen of voortduren van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was. 8. Het beroep is ongegrond.