Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-05-06
ECLI:NL:RBDHA:2026:11374
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,057 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:11374 text/xml public 2026-05-12T14:33:17 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-06 NL26.21703 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11374 text/html public 2026-05-11T10:15:47 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11374 Rechtbank Den Haag , 06-05-2026 / NL26.21703 Artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat eiser zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd en hiermee gevolg heeft gegeven aan het verwijderingsbesluit. Voor zover eiser heeft willen betogen dat, nu hij een zwervend bestaan leidt en niet beschikt over werk en inkomen, de duur van zijn verblijf doorslaggevend moet worden geacht en dat hij reeds op grond daarvan zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd, wordt dit door de rechtbank niet gevolgd. Uit het arrest F.S. van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt immers dat niet uitsluitend de (langere) duur van de periode dat eiser buiten Nederland heeft verbleven beslissend is, maar dienen hierbij ook de vragen te worden beantwoord of er elementen zijn waaruit blijkt dat eiser zijn banden met Nederland heeft verbroken en of eiser duidelijkheid kan verschaffen over de vraag of hij daadwerkelijk buiten Nederland heeft verbleven, alsmede of er aanwijzingen zijn waaruit volgt dat eiser in de periode dat hij buiten Nederland was het centrum van zijn persoonlijke, professionele of familiebelangen naar een andere lidstaat heeft overgebracht. Eiser heeft dat niet aannemelijk gemaakt en de minister heeft dan ook mogen aannemen dat eiser zijn verblijf niet daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Beroep ongegrond RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL26.21703 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. E. El Assrouti), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister) (gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg). Procesverloop Bij besluit van 16 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 29 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. S. Toughza, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen S. Blaauw. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser stelt van Litouwse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 2002. 2. Eiser betoogt dat de maatregel van bewaring onterecht is opgelegd, omdat eiser rechtmatig verblijf heeft als Unieburger. Nadat het verblijfsrecht is ingetrokken heeft eiser Nederland van eind januari 2025 tot en met 14 april 2026 verlaten. Eiser leidt een zwervend bestaan en beschikt niet over een vaste woon- of verblijfplaats en voldoende middelen van bestaan. Als er geen of nauwelijks andere aanknopingspunten zijn om te kunnen beoordelen of eiser het centrum van zijn belangen heeft verplaatst naar een ander land, dient volgens eiser aan de tijdsduur van zijn afwezigheid meer belang toe te komen. Aangezien eiser meer dan een jaar buiten Nederland heeft verbleven, kan op basis daarvan niet worden gezegd dat hij zijn verblijf in Nederland niet daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Eiser verwijst ter onderbouwing naar de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam van 26 januari 2022. 2.1. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het arrest F.S. van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 22 juni 2021 volgt dat een Unieburger ten aanzien van wie een verwijderingsbesluit is genomen alleen opnieuw verblijfsrecht op het grondgebied van het gastland verkrijgt wanneer hij zijn verblijf op dat grondgebied daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Het enkele fysieke vertrek volstaat niet. Hoe langer de afwezigheid van de Unieburger van het grondgebied van het gastland, hoe meer daaruit blijkt dat het verblijf daadwerkelijk en effectief is beëindigd. Daarnaast zijn alle elementen waaruit blijkt dat de Unieburger zijn banden met het gastland heeft verbroken van belang. Ten slotte is van belang of een Unieburger bestendig heeft verbleven op het grondgebied van een andere lidstaat dan de gastlidstaat dat het verwijderingsbesluit heeft genomen. 2.2. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat eiser zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd en hiermee gevolg heeft gegeven aan het verwijderingsbesluit van 11 oktober 2024. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiser op 22 januari 2025 gedwongen is uitgezet en daarbij feitelijk Nederland heeft verlaten, maar dat eiser op 14 april 2026 weer in aanraking is gekomen met de politie in Nederland. In het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft eiser weliswaar verklaard dat hij in die periode in Litouwen een baantje heeft gehad in de bouw, maar dat dit als hulp was en niet officieel . Daarnaast volgt uit het gehoor dat hij geen eigen woning heeft gehad in Litouwen en hij destijds bij zijn moeder verbleef. In Noorwegen en Duitsland – waar eiser respectievelijk zes à zeven maanden en drie weken zegt te hebben verbleven – heeft eiser niet gewerkt. Eiser heeft hiermee in het geheel niet onderbouwd dat hij het centrum van zijn belangen naar Litouwen (of naar Noorwegen of Duitsland) heeft overgebracht en daar een bestendig bestaan heeft opgebouwd. Het betoog van eiser komt erop neer dat, nu hij een zwervend bestaan leidt en niet beschikt over werk en inkomen, de duur van zijn verblijf doorslaggevend moet worden geacht en dat hij reeds op grond daarvan zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Dit betoog treft geen doel. Uit het hierboven genoemde arrest volgt immers dat niet uitsluitend de (langere) duur van de periode dat eiser buiten Nederland heeft verbleven beslissend is, maar dienen hierbij ook de vragen te worden beantwoord of er elementen zijn waaruit blijkt dat eiser zijn banden met Nederland heeft verbroken en of eiser duidelijkheid kan verschaffen over de vraag of hij daadwerkelijk buiten Nederland heeft verbleven, alsmede of er aanwijzingen zijn waaruit volgt dat eiser in de periode dat hij buiten Nederland was het centrum van zijn persoonlijke, professionele of familiebelangen naar een andere lidstaat heeft overgebracht. Gelet op het voorgaande heeft eiser dat niet aannemelijk gemaakt en heeft de minister dus mogen aannemen dat eiser zijn verblijf niet daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. De beroepsgrond slaagt niet. 3. In de maatregel van bewaring heeft de minister verder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 3.1. De zware en lichte gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd zijn door eiser niet betwist.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:11374 text/xml public 2026-05-12T14:33:17 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-06 NL26.21703 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11374 text/html public 2026-05-11T10:15:47 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11374 Rechtbank Den Haag , 06-05-2026 / NL26.21703 Artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat eiser zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd en hiermee gevolg heeft gegeven aan het verwijderingsbesluit. Voor zover eiser heeft willen betogen dat, nu hij een zwervend bestaan leidt en niet beschikt over werk en inkomen, de duur van zijn verblijf doorslaggevend moet worden geacht en dat hij reeds op grond daarvan zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd, wordt dit door de rechtbank niet gevolgd. Uit het arrest F.S. van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt immers dat niet uitsluitend de (langere) duur van de periode dat eiser buiten Nederland heeft verbleven beslissend is, maar dienen hierbij ook de vragen te worden beantwoord of er elementen zijn waaruit blijkt dat eiser zijn banden met Nederland heeft verbroken en of eiser duidelijkheid kan verschaffen over de vraag of hij daadwerkelijk buiten Nederland heeft verbleven, alsmede of er aanwijzingen zijn waaruit volgt dat eiser in de periode dat hij buiten Nederland was het centrum van zijn persoonlijke, professionele of familiebelangen naar een andere lidstaat heeft overgebracht. Eiser heeft dat niet aannemelijk gemaakt en de minister heeft dan ook mogen aannemen dat eiser zijn verblijf niet daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Beroep ongegrond RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL26.21703 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. E. El Assrouti), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister) (gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg). Procesverloop Bij besluit van 16 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 29 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. S. Toughza, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen S. Blaauw. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser stelt van Litouwse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 2002. 2. Eiser betoogt dat de maatregel van bewaring onterecht is opgelegd, omdat eiser rechtmatig verblijf heeft als Unieburger. Nadat het verblijfsrecht is ingetrokken heeft eiser Nederland van eind januari 2025 tot en met 14 april 2026 verlaten. Eiser leidt een zwervend bestaan en beschikt niet over een vaste woon- of verblijfplaats en voldoende middelen van bestaan. Als er geen of nauwelijks andere aanknopingspunten zijn om te kunnen beoordelen of eiser het centrum van zijn belangen heeft verplaatst naar een ander land, dient volgens eiser aan de tijdsduur van zijn afwezigheid meer belang toe te komen. Aangezien eiser meer dan een jaar buiten Nederland heeft verbleven, kan op basis daarvan niet worden gezegd dat hij zijn verblijf in Nederland niet daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Eiser verwijst ter onderbouwing naar de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam van 26 januari 2022. 2.1. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het arrest F.S. van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 22 juni 2021 volgt dat een Unieburger ten aanzien van wie een verwijderingsbesluit is genomen alleen opnieuw verblijfsrecht op het grondgebied van het gastland verkrijgt wanneer hij zijn verblijf op dat grondgebied daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Het enkele fysieke vertrek volstaat niet. Hoe langer de afwezigheid van de Unieburger van het grondgebied van het gastland, hoe meer daaruit blijkt dat het verblijf daadwerkelijk en effectief is beëindigd. Daarnaast zijn alle elementen waaruit blijkt dat de Unieburger zijn banden met het gastland heeft verbroken van belang. Ten slotte is van belang of een Unieburger bestendig heeft verbleven op het grondgebied van een andere lidstaat dan de gastlidstaat dat het verwijderingsbesluit heeft genomen. 2.2. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat eiser zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd en hiermee gevolg heeft gegeven aan het verwijderingsbesluit van 11 oktober 2024. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiser op 22 januari 2025 gedwongen is uitgezet en daarbij feitelijk Nederland heeft verlaten, maar dat eiser op 14 april 2026 weer in aanraking is gekomen met de politie in Nederland. In het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft eiser weliswaar verklaard dat hij in die periode in Litouwen een baantje heeft gehad in de bouw, maar dat dit als hulp was en niet officieel . Daarnaast volgt uit het gehoor dat hij geen eigen woning heeft gehad in Litouwen en hij destijds bij zijn moeder verbleef. In Noorwegen en Duitsland – waar eiser respectievelijk zes à zeven maanden en drie weken zegt te hebben verbleven – heeft eiser niet gewerkt. Eiser heeft hiermee in het geheel niet onderbouwd dat hij het centrum van zijn belangen naar Litouwen (of naar Noorwegen of Duitsland) heeft overgebracht en daar een bestendig bestaan heeft opgebouwd. Het betoog van eiser komt erop neer dat, nu hij een zwervend bestaan leidt en niet beschikt over werk en inkomen, de duur van zijn verblijf doorslaggevend moet worden geacht en dat hij reeds op grond daarvan zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Dit betoog treft geen doel. Uit het hierboven genoemde arrest volgt immers dat niet uitsluitend de (langere) duur van de periode dat eiser buiten Nederland heeft verbleven beslissend is, maar dienen hierbij ook de vragen te worden beantwoord of er elementen zijn waaruit blijkt dat eiser zijn banden met Nederland heeft verbroken en of eiser duidelijkheid kan verschaffen over de vraag of hij daadwerkelijk buiten Nederland heeft verbleven, alsmede of er aanwijzingen zijn waaruit volgt dat eiser in de periode dat hij buiten Nederland was het centrum van zijn persoonlijke, professionele of familiebelangen naar een andere lidstaat heeft overgebracht. Gelet op het voorgaande heeft eiser dat niet aannemelijk gemaakt en heeft de minister dus mogen aannemen dat eiser zijn verblijf niet daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. De beroepsgrond slaagt niet. 3. In de maatregel van bewaring heeft de minister verder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 3.1. De zware en lichte gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd zijn door eiser niet betwist.