Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-31
ECLI:NL:RBDHA:2026:11349
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,557 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:11349 text/xml public 2026-05-11T09:20:14 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-31 C/09/695508 / FA RK 25-9105 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11349 text/html public 2026-05-11T09:19:09 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11349 Rechtbank Den Haag , 31-03-2026 / C/09/695508 / FA RK 25-9105 Gezag Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummer: FA RK 25-9105 Zaaknummer: C/09/695508 Datum beschikking: 31 maart 2026 Gezag Beschikking op het op 21 november 2025 ingekomen verzoek van: [de moeder], de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. B.S. van Haeften in ‘s-Gravenhage. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de vader], de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoekschrift, met bijlage, namens de moeder. Op 3 maart 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder met haar advocaat en E. Garcia namens de Raad voor de Kinderbescherming. De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen Feiten De vader en de moeder hebben een affectieve relatie gehad. Zij zijn de ouders van het volgende nu nog minderjarige kind: - [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2025 in [geboorteplaats 1]; - [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2025 in [geboorteplaats 2]. De minderjarigen verblijven feitelijk bij de moeder. De vader heeft [minderjarige 1] erkend. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over [minderjarige 1] uit, de moeder heeft het eenhoofdig gezag over [minderjarige 2]. Verzoek en verweer De moeder verzoekt te bepalen dat het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] wordt beëindigd en dat de moeder met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, althans met ingang van een zodanige datum als uw rechtbank juist acht, het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] wordt toegekend, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens. De vader heeft geen verweer gevoerd. Beoordeling Volgens artikel 1:253n lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen, als er gewijzigde omstandigheden zijn sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag of als bij de beslissing tot gezamenlijk gezag van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Op grond van lid 2 van dit artikel zijn de gronden van artikel 1:251a lid 1 BW, van overeenkomstige toepassing. Het gezamenlijk gezag kan daarom worden beëindigd, indien: (a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of (b) wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. De rechtbank zal de moeder belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1]. Daarvoor heeft de rechtbank de volgende redenen. Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is gebleken dat er sinds april 2025 geen contact is tussen de ouders en dat de vader sindsdien uit het leven van [minderjarige 1] is. Er is ook geen enkel contact tussen de vader en [minderjarige 1]. De moeder kan de vader niet bereiken, hij heeft haar op alle mogelijke communicatiekanalen geblokkeerd. Gezamenlijk gezag brengt mee dat er tenminste enige vorm van onderlinge communicatie tussen de ouders is. Als dit er niet is, is het gezamenlijk uitoefenen van het gezag feitelijk onmogelijk. Op de zitting is gebleken dat de moeder in de praktijk tegen problemen aan loopt wanneer er toestemming van de vader nodig is: voor zowel het aanvragen van een paspoort als voor een vakantie heeft de moeder vervangende toestemming aan de rechtbank moeten vragen. De rechtbank is van oordeel dat het gelet op deze situatie in het belang van [minderjarige 1] noodzakelijk is dat het gezag wordt gewijzigd, in die zin dat de moeder gezagsbeslissingen voortaan zelfstandig kan nemen. De rechtbank zal daarom het verzoek van de moeder toewijzen. Het beëindigen van het gezag van de vader over [minderjarige 1] brengt niet met zich dat de vader geen contact met [minderjarige 1] (en [minderjarige 2]) mag hebben of dat voor nu en in de toekomst de rol van de vader daarmee volledig is uitgespeeld. De moeder heeft aangegeven dat, mocht de vader in de toekomst contact met de kinderen willen, zij daaraan mee wil werken. Beslissing De rechtbank bepaalt dat voortaan alleen [de moeder], geboren op [geboortedatum 3] 2005 in [geboorteplaats 3], het gezag zal toekomen over de minderjarige [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2025 in [geboorteplaats 1] en verklaart deze gezagsvoorziening uitvoerbaar bij voorraad; bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, kinderrechter, bijgestaan door mr. C.A.E. de Koning als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 31 maart 2026.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:11349 text/xml public 2026-05-11T09:20:14 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-31 C/09/695508 / FA RK 25-9105 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11349 text/html public 2026-05-11T09:19:09 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11349 Rechtbank Den Haag , 31-03-2026 / C/09/695508 / FA RK 25-9105 Gezag Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummer: FA RK 25-9105 Zaaknummer: C/09/695508 Datum beschikking: 31 maart 2026 Gezag Beschikking op het op 21 november 2025 ingekomen verzoek van: [de moeder], de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. B.S. van Haeften in ‘s-Gravenhage. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de vader], de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoekschrift, met bijlage, namens de moeder. Op 3 maart 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder met haar advocaat en E. Garcia namens de Raad voor de Kinderbescherming. De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen Feiten De vader en de moeder hebben een affectieve relatie gehad. Zij zijn de ouders van het volgende nu nog minderjarige kind: - [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2025 in [geboorteplaats 1]; - [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2025 in [geboorteplaats 2]. De minderjarigen verblijven feitelijk bij de moeder. De vader heeft [minderjarige 1] erkend. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over [minderjarige 1] uit, de moeder heeft het eenhoofdig gezag over [minderjarige 2]. Verzoek en verweer De moeder verzoekt te bepalen dat het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] wordt beëindigd en dat de moeder met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, althans met ingang van een zodanige datum als uw rechtbank juist acht, het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] wordt toegekend, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens. De vader heeft geen verweer gevoerd. Beoordeling Volgens artikel 1:253n lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen, als er gewijzigde omstandigheden zijn sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag of als bij de beslissing tot gezamenlijk gezag van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Op grond van lid 2 van dit artikel zijn de gronden van artikel 1:251a lid 1 BW, van overeenkomstige toepassing. Het gezamenlijk gezag kan daarom worden beëindigd, indien: (a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of (b) wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. De rechtbank zal de moeder belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1]. Daarvoor heeft de rechtbank de volgende redenen. Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is gebleken dat er sinds april 2025 geen contact is tussen de ouders en dat de vader sindsdien uit het leven van [minderjarige 1] is. Er is ook geen enkel contact tussen de vader en [minderjarige 1]. De moeder kan de vader niet bereiken, hij heeft haar op alle mogelijke communicatiekanalen geblokkeerd. Gezamenlijk gezag brengt mee dat er tenminste enige vorm van onderlinge communicatie tussen de ouders is. Als dit er niet is, is het gezamenlijk uitoefenen van het gezag feitelijk onmogelijk. Op de zitting is gebleken dat de moeder in de praktijk tegen problemen aan loopt wanneer er toestemming van de vader nodig is: voor zowel het aanvragen van een paspoort als voor een vakantie heeft de moeder vervangende toestemming aan de rechtbank moeten vragen. De rechtbank is van oordeel dat het gelet op deze situatie in het belang van [minderjarige 1] noodzakelijk is dat het gezag wordt gewijzigd, in die zin dat de moeder gezagsbeslissingen voortaan zelfstandig kan nemen. De rechtbank zal daarom het verzoek van de moeder toewijzen. Het beëindigen van het gezag van de vader over [minderjarige 1] brengt niet met zich dat de vader geen contact met [minderjarige 1] (en [minderjarige 2]) mag hebben of dat voor nu en in de toekomst de rol van de vader daarmee volledig is uitgespeeld. De moeder heeft aangegeven dat, mocht de vader in de toekomst contact met de kinderen willen, zij daaraan mee wil werken. Beslissing De rechtbank bepaalt dat voortaan alleen [de moeder], geboren op [geboortedatum 3] 2005 in [geboorteplaats 3], het gezag zal toekomen over de minderjarige [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2025 in [geboorteplaats 1] en verklaart deze gezagsvoorziening uitvoerbaar bij voorraad; bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, kinderrechter, bijgestaan door mr. C.A.E. de Koning als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 31 maart 2026.