Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-05-07
ECLI:NL:RBDHA:2026:11338
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,095 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:11338 text/xml public 2026-05-11T14:02:44 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-07 NL25.15826 en NL 24.18040 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening+bodemzaak NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11338 text/html public 2026-05-11T08:31:16 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11338 Rechtbank Den Haag , 07-05-2026 / NL25.15826 en NL 24.18040 Beroep ongegrond. Aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd terecht afgewezen. Verweerder heeft geen reden hoeven te zien om de procedure van referent af te wachten. De rechtbank ziet daar ook geen aanleiding voor. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummers: NL25.15826 (beroep) en NL24.18040 (voorlopige voorziening) V-nummer: [V-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [verzoeker] , eiseres en verzoekster (eiseres) (gemachtigde: mr. S.N. Arikan), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. F. Witteman). Samenvatting 1.1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Eiseres is het niet eens met de afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank/de voorzieningenrechter (de rechtbank) de afwijzing van de aanvraag. 1.2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag van eiseres terecht heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Het beroep is ongegrond en daarom is er ook geen reden voor het treffen van een voorlopige voorziening. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2.1. Eiseres is geboren op [geboortedag 1] 1979 en heeft de Turkse nationaliteit. Eiseres heeft op 22 december 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, met als verblijfsdoel ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij [persoon] (referent)’. Referent is geboren op [geboortedag 2] 1982 en heeft ook de Turkse nationaliteit. Hij is de echtgenoot van eiseres. 2.2. Met het primaire besluit van 27 maart 2024 heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen. Dit besluit is tevens een terugkeerbesluit. 2.3. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Zij heeft ook de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. 2.4. Met het bestreden besluit van 6 maart 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Volgens verweerder komt eiseres niet in aanmerking voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Het familieleven tussen eiseres en referent valt niet onder de bescherming van artikel 8 van het EVRM , omdat referent op dit moment geen verblijfsvergunning heeft. Verweerder heeft afgezien van het houden van een hoorzitting, omdat volgens verweerder geen twijfel bestaat over de conclusie dat het bezwaar ongegrond is. 2.5. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Omdat verweerder heeft beslist op het bezwaar hangende het verzoek om een voorlopige voorziening, is dat verzoek hangende bezwaar ‘omgeklapt’ naar een verzoek hangende beroep. 2.6. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 9 april 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiseres is niet op tijd verschenen op deze zitting. De rechtbank heeft de zaken daarom aanvankelijk behandeld met de gemachtigde van verweerder en heeft daarna het onderzoek gesloten. De gemachtigde van eiseres verscheen later echter alsnog. Omdat zij een gegronde reden had voor het niet op tijd verschijnen, heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak verder behandeld met de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder. Daarna heeft de rechtbank het onderzoek opnieuw gesloten. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiseres om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd terecht heeft afgewezen. Verblijfsvergunning referent 4. De rechtbank stelt allereerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat referent op dit moment geen verblijfsvergunning heeft. Referent heeft wel een verblijfsvergunning aangevraagd, maar die is afgewezen. Het bezwaar is ongegrond verklaard. Op dit moment loopt de beroepsprocedure. Het familieleven tussen eiseres en referent valt daarom op dit moment niet onder de bescherming van artikel 8 van het EVRM. Aanhouding van de zaak door verweerder 5.1. Eiseres voert aan dat verweerder de procedure van referent had moeten afwachten, voordat werd beslist op de aanvraag en het bezwaar van eiseres. Eiseres doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Volgens eiseres werd in een soortgelijk geval een zaak door verweerder wel aangehouden. Eiseres heeft stukken overgelegd waaruit deze soortgelijke gevallen blijken. 5.2. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Verweerder heeft de mogelijkheid om een zaak aan te houden, bijvoorbeeld om een andere procedure af te wachten. Dit is echter geen verplichting, maar slechts een keuze die verweerder ter wille van de vreemdeling kan maken als de omstandigheden daartoe aanleiding geven. In het geval van eiseres heeft verweerder geen reden gezien om de zaak aan te houden. De procedure van referent loopt in beroep en het standpunt van verweerder is al duidelijk. Voor zover eiseres heeft verwezen naar soortgelijke zaken waarin verweerder wel heeft aangehouden, heeft verweerder gesteld dat het daarbij ging om een zaak die in bezwaar nog liep en een zaak over een verlenging van een aanvraag, waarbij sprake was van andere omstandigheden. Omdat het een keuze is van verweerder om wel of niet tot het aanhouden van een zaak over te gaan, ziet de rechtbank geen reden om verweerder daartoe op te dragen. Aanhouding van de zaak door de rechtbank 6.1. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om haar beroep aan te houden totdat op het beroep van referent is beslist. Eiseres heeft ter onderbouwing een uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 december 2016 overgelegd, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat het belang van eiseres om de aanvraag van referent in Nederland af te wachten zwaarder weegt dan het belang van verweerder. Eiseres heeft ook een proces-verbaal van een schorsingsbeslissing overgelegd, waarin de rechtbank de zaak aanhield om de procedure van referent af te wachten. 6.2. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. In de uitspraak van 23 december 2016 ging het om een verzoekster van jonge leeftijd, die niet mocht worden uitgezet zolang haar vader ook in Nederland mocht blijven. In de schorsingsbeslissing ging het om een zaak waarin verweerder zich niet verzette tegen het aanhouden van de zaak. Dat zijn andere omstandigheden dan die zich voordoen in de zaak van eiseres. De rechtbank ziet in het geval van eiseres geen bijzondere omstandigheden om zelf tot aanhouding van de zaak over te gaan. Schending hoorplicht 7.1. Eiseres voert aan dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. Over de onduidelijkheden die door verweerder zijn geconstateerd kon tijdens een hoorzitting helderheid worden verstrekt. 7.2. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Verweerder mag van horen afzien, als op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. Naar het oordeel van de rechtbank was daarvan in dit geval sprake. De kern van de zaak is dat het familieleven tussen eiseres en referent niet valt onder de bescherming van artikel 8 van het EVRM, omdat referent geen verblijfsvergunning heeft. In bezwaar is hier ten opzichte van de aanvraag niets aan veranderd. Eiseres heeft in bezwaar ook geen nieuwe feiten of gezichtspunten naar voren gebracht die aanleiding zouden moeten geven voor een ander standpunt dan in het primaire besluit. Eiseres heeft aangevoerd dat er onduidelijkheden bij verweerder zijn geconstateerd, maar uit het bestreden besluit blijkt niet dat bij verweerder sprake was van onduidelijkheden.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:11338 text/xml public 2026-05-11T14:02:44 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-07 NL25.15826 en NL 24.18040 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening+bodemzaak NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11338 text/html public 2026-05-11T08:31:16 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11338 Rechtbank Den Haag , 07-05-2026 / NL25.15826 en NL 24.18040 Beroep ongegrond. Aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd terecht afgewezen. Verweerder heeft geen reden hoeven te zien om de procedure van referent af te wachten. De rechtbank ziet daar ook geen aanleiding voor. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummers: NL25.15826 (beroep) en NL24.18040 (voorlopige voorziening) V-nummer: [V-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [verzoeker] , eiseres en verzoekster (eiseres) (gemachtigde: mr. S.N. Arikan), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. F. Witteman). Samenvatting 1.1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Eiseres is het niet eens met de afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank/de voorzieningenrechter (de rechtbank) de afwijzing van de aanvraag. 1.2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag van eiseres terecht heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Het beroep is ongegrond en daarom is er ook geen reden voor het treffen van een voorlopige voorziening. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2.1. Eiseres is geboren op [geboortedag 1] 1979 en heeft de Turkse nationaliteit. Eiseres heeft op 22 december 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, met als verblijfsdoel ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij [persoon] (referent)’. Referent is geboren op [geboortedag 2] 1982 en heeft ook de Turkse nationaliteit. Hij is de echtgenoot van eiseres. 2.2. Met het primaire besluit van 27 maart 2024 heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen. Dit besluit is tevens een terugkeerbesluit. 2.3. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Zij heeft ook de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. 2.4. Met het bestreden besluit van 6 maart 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Volgens verweerder komt eiseres niet in aanmerking voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Het familieleven tussen eiseres en referent valt niet onder de bescherming van artikel 8 van het EVRM , omdat referent op dit moment geen verblijfsvergunning heeft. Verweerder heeft afgezien van het houden van een hoorzitting, omdat volgens verweerder geen twijfel bestaat over de conclusie dat het bezwaar ongegrond is. 2.5. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Omdat verweerder heeft beslist op het bezwaar hangende het verzoek om een voorlopige voorziening, is dat verzoek hangende bezwaar ‘omgeklapt’ naar een verzoek hangende beroep. 2.6. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 9 april 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiseres is niet op tijd verschenen op deze zitting. De rechtbank heeft de zaken daarom aanvankelijk behandeld met de gemachtigde van verweerder en heeft daarna het onderzoek gesloten. De gemachtigde van eiseres verscheen later echter alsnog. Omdat zij een gegronde reden had voor het niet op tijd verschijnen, heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak verder behandeld met de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder. Daarna heeft de rechtbank het onderzoek opnieuw gesloten. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiseres om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd terecht heeft afgewezen. Verblijfsvergunning referent 4. De rechtbank stelt allereerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat referent op dit moment geen verblijfsvergunning heeft. Referent heeft wel een verblijfsvergunning aangevraagd, maar die is afgewezen. Het bezwaar is ongegrond verklaard. Op dit moment loopt de beroepsprocedure. Het familieleven tussen eiseres en referent valt daarom op dit moment niet onder de bescherming van artikel 8 van het EVRM. Aanhouding van de zaak door verweerder 5.1. Eiseres voert aan dat verweerder de procedure van referent had moeten afwachten, voordat werd beslist op de aanvraag en het bezwaar van eiseres. Eiseres doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Volgens eiseres werd in een soortgelijk geval een zaak door verweerder wel aangehouden. Eiseres heeft stukken overgelegd waaruit deze soortgelijke gevallen blijken. 5.2. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Verweerder heeft de mogelijkheid om een zaak aan te houden, bijvoorbeeld om een andere procedure af te wachten. Dit is echter geen verplichting, maar slechts een keuze die verweerder ter wille van de vreemdeling kan maken als de omstandigheden daartoe aanleiding geven. In het geval van eiseres heeft verweerder geen reden gezien om de zaak aan te houden. De procedure van referent loopt in beroep en het standpunt van verweerder is al duidelijk. Voor zover eiseres heeft verwezen naar soortgelijke zaken waarin verweerder wel heeft aangehouden, heeft verweerder gesteld dat het daarbij ging om een zaak die in bezwaar nog liep en een zaak over een verlenging van een aanvraag, waarbij sprake was van andere omstandigheden. Omdat het een keuze is van verweerder om wel of niet tot het aanhouden van een zaak over te gaan, ziet de rechtbank geen reden om verweerder daartoe op te dragen. Aanhouding van de zaak door de rechtbank 6.1. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om haar beroep aan te houden totdat op het beroep van referent is beslist. Eiseres heeft ter onderbouwing een uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 december 2016 overgelegd, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat het belang van eiseres om de aanvraag van referent in Nederland af te wachten zwaarder weegt dan het belang van verweerder. Eiseres heeft ook een proces-verbaal van een schorsingsbeslissing overgelegd, waarin de rechtbank de zaak aanhield om de procedure van referent af te wachten. 6.2. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. In de uitspraak van 23 december 2016 ging het om een verzoekster van jonge leeftijd, die niet mocht worden uitgezet zolang haar vader ook in Nederland mocht blijven. In de schorsingsbeslissing ging het om een zaak waarin verweerder zich niet verzette tegen het aanhouden van de zaak. Dat zijn andere omstandigheden dan die zich voordoen in de zaak van eiseres. De rechtbank ziet in het geval van eiseres geen bijzondere omstandigheden om zelf tot aanhouding van de zaak over te gaan. Schending hoorplicht 7.1. Eiseres voert aan dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. Over de onduidelijkheden die door verweerder zijn geconstateerd kon tijdens een hoorzitting helderheid worden verstrekt. 7.2. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Verweerder mag van horen afzien, als op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. Naar het oordeel van de rechtbank was daarvan in dit geval sprake. De kern van de zaak is dat het familieleven tussen eiseres en referent niet valt onder de bescherming van artikel 8 van het EVRM, omdat referent geen verblijfsvergunning heeft. In bezwaar is hier ten opzichte van de aanvraag niets aan veranderd. Eiseres heeft in bezwaar ook geen nieuwe feiten of gezichtspunten naar voren gebracht die aanleiding zouden moeten geven voor een ander standpunt dan in het primaire besluit. Eiseres heeft aangevoerd dat er onduidelijkheden bij verweerder zijn geconstateerd, maar uit het bestreden besluit blijkt niet dat bij verweerder sprake was van onduidelijkheden.