Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-05-07
ECLI:NL:RBDHA:2026:11109
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,069 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:11109 text/xml public 2026-05-11T17:00:27 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-07 NL25.42342 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11109 text/html public 2026-05-08T15:52:32 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11109 Rechtbank Den Haag , 07-05-2026 / NL25.42342 Brief beëindiging bevriezingsmaatregel; geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb; onbevoegd om kennis te nemen van het beroep. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL25.42342 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 mei 2026 in de zaak tussen [eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres (gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen), en de minister van Asiel en Migratie (gemachtigde: mr. P. Boelhouwer). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de vraag of de brief van de minister van 15 juli 2025, waarin eiseres is geïnformeerd over de beëindiging van de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025, kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de brief van 15 juli 2025 niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. De minister heeft eiseres bij brief van 15 juli 2025 geïnformeerd over de beëindiging van de bevriezingsmaatregel. Eiseres heeft op 2 september 2025 beroep ingesteld tegen deze brief en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. De minister heeft op 17 februari 2026 een verweerschrift ingediend. 2.1. De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Feiten en inleidende opmerkingen 3. Eiseres komt uit Marokko. Zij had in Oekraïne een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met een grootschalige invasie van Oekraïne. Eiseres is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier als derdelander facultatieve tijdelijke bescherming verkregen op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van 4 maart 2022 (Uitvoeringsbesluit). 3.1. De minister heeft aanvankelijk bepaald dat de facultatieve tijdelijke bescherming met ingang van 4 september 2023 eindigt. Dit heeft de minister aan eiseres bij besluit van 22 augustus 2023 te kennen gegeven. Met dit besluit is eiseres ook een terugkeerbesluit opgelegd. Hiertegen heeft eiseres geen beroep ingesteld. Dit besluit heeft de minister ingetrokken nadat de Afdeling bestuursrechtspraak voor de Raad van State (Afdeling) bij uitspraak van 17 januari 2024 had bepaald dat de minister het recht op tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning niet op deze datum kon laten eindigen, maar dat dit recht wel van rechtswege zou eindigen op 4 maart 2024. 3.2. Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, en de Afdeling hebben op 29 maart 2024 en 25 april 2024 prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie. Naar aanleiding hiervan heeft de minister een bevriezingsmaatregel genomen, inhoudende dat personen wie tijdelijke bescherming was beëindigd langer gebruik mochten maken van de rechten die zij onder de Richtlijn hadden. De door de Afdeling en zittingsplaats Amsterdam gestelde vragen zijn beantwoord in een arrest van 19 december 2024 (arrest Kaduna). Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat het Unierecht een lidstaat toestaat om de verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip in te trekken dan dat waarop de verplichte tijdelijke bescherming geen rechtsgevolgen meer heeft. Ook heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat het lidstaten niet is toegestaan een terugkeerbesluit te nemen voordat de tijdelijke bescherming is beëindigd. Zoals het Hof heeft uitgelegd mag pas een terugkeerbesluit worden genomen als iemand illegaal in Nederland verblijft. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 uitgelegd hoe het arrest van het Hof van Justitie dient te worden toegepast en bevestigd dat de tijdelijke bescherming voor derdelanders op 4 maart 2024 is geëindigd. Bij brief van 3 juni 2025 heeft de minister meegedeeld dat hij besloten heeft om naar aanleiding van deze Afdelingsuitspraken de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 te beëindigen. Hierover is eiseres persoonlijk geïnformeerd met het hiervoor genoemde bericht van 15 juli 2025. Op 10 juli 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, naar aanleiding van het arrest van 19 december 2024 einduitspraak gedaan. 3.3. De minister heeft bij besluit van 21 februari 2024 vastgesteld dat eiseres met ingang van 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en aan haar een terugkeerbesluit opgelegd. Per brief van 1 mei 2024 heeft de minister vervolgens aan eiseres laten weten dat zij langer gebruik kon maken van de rechten die zij had onder de Richtlijn als gevolg van de bevriezingsmaatregel. Op 17 en 19 februari 2025 heeft eiseres brieven gekregen waarin stond dat de bevriezingsmaatregel (op termijn) stopt. Op 15 juli 2025 heeft eiseres een brief gehad waarin stond dat de bevriezingsmaatregel op 4 september 2025 stopt en dat zij, als zij geen andere verblijfsvergunning heeft of openstaande aanvraag, vanaf 4 september 2025 vier weken de tijd heeft om Nederland te verlaten. In de brief wordt geen termijn voor beroep of bezwaar vermeld. Is de brief van 15 juli 2025 een besluit, in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb? 4. Eiseres betoogt dat de brief van 15 juli 2025 moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Volgens eiseres wordt met deze brief haar verblijf beëindigd en wordt aan haar een nieuw terugkeerbesluit opgelegd, waartegen zij beroep kan instellen. Eiseres voert aan dat de minister na de (eerdergenoemde) uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025 geen afzonderlijk besluit heeft genomen waarin haar verblijfsrecht is beëindigd. Eiseres erkent dat zij geen beroep heeft ingesteld tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024, maar voert aan dit haar niet kan worden tegengeworpen. Eiseres wijst erop dat zij op dat moment geen advocaat had, dat kort daarna de bevriezingsmaategel werd ingesteld en dat er vanuit de overheid onduidelijkheid bestond over de rechtspositie van derdelanders uit Oekraïne. Volgens eiseres is het niet instellen van beroep daarom verschoonbaar. Daarnaast voert eiseres aan dat het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 volgens de Afdeling niet genomen had mogen worden. In het licht van een betrouwbare overheid kan volgens haar niet volgehouden worden dat een dergelijk besluit in stand blijft enkel omdat daartegen geen rechtsmiddel is aangewend. In dat verband verwijst eiseres naar de toeslagenaffaire. 4.1. De rechtbank is van oordeel dat de brief van 15 juli 2025 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Met deze brief heeft de minister eiseres slechts geïnformeerd over de gevolgen van de beëindiging van de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025. Daarmee zijn geen nieuwe rechtsgevolgen in het leven geroepen. De rechtsgevolgen vloeien voort uit de beëindiging van de facultatieve tijdelijke bescherming zelf en uit het aan eiseres opgelegde terugkeerbesluit op 21 februari 2024. Met dat besluit is aan eiseres kenbaar gemaakt dat haar rechtmatig verblijf zou eindigen. De verwijzing naar de uitspraak van 23 april 2025 van de Afdeling leidt niet tot een ander oordeel, nu eiseres tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 geen beroep heeft ingesteld en dit besluit daarmee onherroepelijk is geworden. 4.2. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat het verschoonbaar is dat zij geen beroep heeft ingesteld tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:11109 text/xml public 2026-05-11T17:00:27 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-07 NL25.42342 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11109 text/html public 2026-05-08T15:52:32 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11109 Rechtbank Den Haag , 07-05-2026 / NL25.42342 Brief beëindiging bevriezingsmaatregel; geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb; onbevoegd om kennis te nemen van het beroep. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL25.42342 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 mei 2026 in de zaak tussen [eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres (gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen), en de minister van Asiel en Migratie (gemachtigde: mr. P. Boelhouwer). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de vraag of de brief van de minister van 15 juli 2025, waarin eiseres is geïnformeerd over de beëindiging van de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025, kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de brief van 15 juli 2025 niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. De minister heeft eiseres bij brief van 15 juli 2025 geïnformeerd over de beëindiging van de bevriezingsmaatregel. Eiseres heeft op 2 september 2025 beroep ingesteld tegen deze brief en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. De minister heeft op 17 februari 2026 een verweerschrift ingediend. 2.1. De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Feiten en inleidende opmerkingen 3. Eiseres komt uit Marokko. Zij had in Oekraïne een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met een grootschalige invasie van Oekraïne. Eiseres is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier als derdelander facultatieve tijdelijke bescherming verkregen op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van 4 maart 2022 (Uitvoeringsbesluit). 3.1. De minister heeft aanvankelijk bepaald dat de facultatieve tijdelijke bescherming met ingang van 4 september 2023 eindigt. Dit heeft de minister aan eiseres bij besluit van 22 augustus 2023 te kennen gegeven. Met dit besluit is eiseres ook een terugkeerbesluit opgelegd. Hiertegen heeft eiseres geen beroep ingesteld. Dit besluit heeft de minister ingetrokken nadat de Afdeling bestuursrechtspraak voor de Raad van State (Afdeling) bij uitspraak van 17 januari 2024 had bepaald dat de minister het recht op tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning niet op deze datum kon laten eindigen, maar dat dit recht wel van rechtswege zou eindigen op 4 maart 2024. 3.2. Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, en de Afdeling hebben op 29 maart 2024 en 25 april 2024 prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie. Naar aanleiding hiervan heeft de minister een bevriezingsmaatregel genomen, inhoudende dat personen wie tijdelijke bescherming was beëindigd langer gebruik mochten maken van de rechten die zij onder de Richtlijn hadden. De door de Afdeling en zittingsplaats Amsterdam gestelde vragen zijn beantwoord in een arrest van 19 december 2024 (arrest Kaduna). Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat het Unierecht een lidstaat toestaat om de verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip in te trekken dan dat waarop de verplichte tijdelijke bescherming geen rechtsgevolgen meer heeft. Ook heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat het lidstaten niet is toegestaan een terugkeerbesluit te nemen voordat de tijdelijke bescherming is beëindigd. Zoals het Hof heeft uitgelegd mag pas een terugkeerbesluit worden genomen als iemand illegaal in Nederland verblijft. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 uitgelegd hoe het arrest van het Hof van Justitie dient te worden toegepast en bevestigd dat de tijdelijke bescherming voor derdelanders op 4 maart 2024 is geëindigd. Bij brief van 3 juni 2025 heeft de minister meegedeeld dat hij besloten heeft om naar aanleiding van deze Afdelingsuitspraken de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 te beëindigen. Hierover is eiseres persoonlijk geïnformeerd met het hiervoor genoemde bericht van 15 juli 2025. Op 10 juli 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, naar aanleiding van het arrest van 19 december 2024 einduitspraak gedaan. 3.3. De minister heeft bij besluit van 21 februari 2024 vastgesteld dat eiseres met ingang van 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en aan haar een terugkeerbesluit opgelegd. Per brief van 1 mei 2024 heeft de minister vervolgens aan eiseres laten weten dat zij langer gebruik kon maken van de rechten die zij had onder de Richtlijn als gevolg van de bevriezingsmaatregel. Op 17 en 19 februari 2025 heeft eiseres brieven gekregen waarin stond dat de bevriezingsmaatregel (op termijn) stopt. Op 15 juli 2025 heeft eiseres een brief gehad waarin stond dat de bevriezingsmaatregel op 4 september 2025 stopt en dat zij, als zij geen andere verblijfsvergunning heeft of openstaande aanvraag, vanaf 4 september 2025 vier weken de tijd heeft om Nederland te verlaten. In de brief wordt geen termijn voor beroep of bezwaar vermeld. Is de brief van 15 juli 2025 een besluit, in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb? 4. Eiseres betoogt dat de brief van 15 juli 2025 moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Volgens eiseres wordt met deze brief haar verblijf beëindigd en wordt aan haar een nieuw terugkeerbesluit opgelegd, waartegen zij beroep kan instellen. Eiseres voert aan dat de minister na de (eerdergenoemde) uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025 geen afzonderlijk besluit heeft genomen waarin haar verblijfsrecht is beëindigd. Eiseres erkent dat zij geen beroep heeft ingesteld tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024, maar voert aan dit haar niet kan worden tegengeworpen. Eiseres wijst erop dat zij op dat moment geen advocaat had, dat kort daarna de bevriezingsmaategel werd ingesteld en dat er vanuit de overheid onduidelijkheid bestond over de rechtspositie van derdelanders uit Oekraïne. Volgens eiseres is het niet instellen van beroep daarom verschoonbaar. Daarnaast voert eiseres aan dat het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 volgens de Afdeling niet genomen had mogen worden. In het licht van een betrouwbare overheid kan volgens haar niet volgehouden worden dat een dergelijk besluit in stand blijft enkel omdat daartegen geen rechtsmiddel is aangewend. In dat verband verwijst eiseres naar de toeslagenaffaire. 4.1. De rechtbank is van oordeel dat de brief van 15 juli 2025 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Met deze brief heeft de minister eiseres slechts geïnformeerd over de gevolgen van de beëindiging van de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025. Daarmee zijn geen nieuwe rechtsgevolgen in het leven geroepen. De rechtsgevolgen vloeien voort uit de beëindiging van de facultatieve tijdelijke bescherming zelf en uit het aan eiseres opgelegde terugkeerbesluit op 21 februari 2024. Met dat besluit is aan eiseres kenbaar gemaakt dat haar rechtmatig verblijf zou eindigen. De verwijzing naar de uitspraak van 23 april 2025 van de Afdeling leidt niet tot een ander oordeel, nu eiseres tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 geen beroep heeft ingesteld en dit besluit daarmee onherroepelijk is geworden. 4.2. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat het verschoonbaar is dat zij geen beroep heeft ingesteld tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024.