Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-05-08
ECLI:NL:RBDHA:2026:11033
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,896 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:11033 text/xml public 2026-05-12T17:00:07 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-08 NL26.17259 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11033 text/html public 2026-05-08T13:39:25 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11033 Rechtbank Den Haag , 08-05-2026 / NL26.17259 Asiel, niet-ontvankelijk, reeds internationale bescherming Italië, individuele (medische) situatie, beroep gegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.17259 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. P.H. Hillen), en de minister van Asiel en Migratie (gemachtigde: mr. E.E.G.N. van der Meulen). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag van eiser omdat hij internationale bescherming heeft in Italië. Eiser is het hier niet mee eens. Aan de hand van de beroepsgronden van eiser beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het niet-ontvankelijk verklaren van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Het beroep is gegrond. De minister heeft onvoldoende deugdelijk gemotiveerd dat de terugkeer van eiser naar Italië, waar hij internationale bescherming geniet, gelet op zijn individuele (medische) situatie niet in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het EU Handvest. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft op 25 juli 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 24 maart 2026 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, omdat eiser volgens de minister in Italië internationale bescherming geniet. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening , op 29 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank Wat zijn de relevante feiten en omstandigheden? 3. Eiser heeft verklaard dat hij van 2014 tot 2019 in Italië verbleef en daar ook internationale bescherming heeft verkregen. De Italiaanse autoriteiten hebben op 7 januari 2026 bevestigd dat eiser internationale bescherming in Italië heeft verkregen en dat zijn asielverblijfsvergunning op 4 januari 2023 is verlopen. Van 2019 tot juli 2025 heeft eiser in Duitsland verbleven, waarna hij naar Nederland is gereisd. 3.1. Het Bureau Medische Advisering (BMA) heeft op 11 maart 2026 een medisch advies over eiser opgesteld. Uit dit advies volgt dat eiser in oktober 2025 een groot hartinfarct heeft gehad en als gevolg daarvan lijdt aan chronisch hartfalen. Dit maakt dat eiser medische behandeling nodig heeft bestaande uit medicatiegebruik en periodieke controles bij de cardioloog. Bij het uitblijven van de behandeling met bloedverdunners, de behandeling van de angina pectoris en het chronisch hartfalen, verwacht het BMA dat eiser risico loopt op een beroerte of het wederom krijgen van een hartinfarct, zodat binnen een termijn van drie tot zes maanden een medische noodsituatie ontstaat. Wat is in geschil? 4. Gelet op wat tijdens de zitting is besproken, is niet (langer) in geschil dat eiser, gezien het gegeven dat hij internationale beschermding geniet in Italië, een zodanige band heeft met Italië dat het voor hem redelijk is om naar Italië terug te keren als bedoeld in artikel 3.106a, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000. In geschil is de vraag of terugkeer van eiser naar Italië in strijd is met artikel 3 van het EVRM (of het naar inhoud gelijke artikel 4 van het EU Handvest). Is de terugkeer van eiser naar Italië in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het EU Handvest? Standpunt eiser 5. Eiser betoogt dat de minister in het bestreden besluit ten onrechte stelt dat hij terug kan keren naar Italië. Eiser is bijzonder kwetsbaar en heeft ernstige hartproblemen. Uit de verklaringen van eiser over zijn eerdere verblijf in Italië blijkt dat hij destijds – zonder medische problematiek – al niet in staat was om de rechten die hij heeft als statushouder in Italië te effectueren. Nu eiser een hartinfarct heeft gehad is zijn zelfredzaamheid nog verder afgenomen. Gezien zijn medische situatie is eiser niet in staat om zelf (voldoende) inkomsten te verwerven. Vanwege de taalbarrière en het lage opleidingsniveau van eiser zal hij aangewezen zijn op lichamelijke arbeid. Lichamelijke arbeid vereist een goede conditie die eiser als gevolg van zijn hartfalen, niet heeft. Eiser betoogt verder dat de minister niet heeft gehandeld conform de in het informatiebericht (IB) 2021/56 voorgeschreven handelwijze omdat de minister in zijn zaak aan de juridische gelijkheid tussen statushouders en Italiaanse onderdanen (veel) meer gewicht toekent dan aan de feitelijke situatie. Eiser stelt dat de minister individuele garanties moet bedingen met betrekking tot huisvesting, toegang tot (gespecialiseerde) medische voorzieningen en toereikende sociale voorzieningen. Standpunt minister 5.1. De minister stelt zich op het standpunt dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de medische zorg, ook als is deze niet gratis, niet toegankelijk voor hem zou zijn. De minister volgt eiser niet in zijn stelling dat er vanwege de gezondheidsklachten ook toegang moet zijn tot andere voorzieningen. De minister stelt dat van eiser mag worden verwacht dat hij deze rechten zelf effectueert, al heeft hij gezondheidsklachten. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn gezondheidstoestand niet zou kunnen werken in Italië. Er is geen reden om aan te nemen dat eiser bij terugkeer naar Italië terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie. De minister ziet daarom geen reden om individuele garanties te vragen aan de Italiaanse autoriteiten. Oordeel rechtbank 5.2. De rechtbank overweegt dat uit het arrest Ibrahim van het Hof van Justitie van 19 maart 2019 volgt dat de bijzondere kwetsbaarheid van individuele statushouders ertoe kan leiden dat zij bij terugkeer naar de lidstaat waar zij een asielvergunning hebben gekregen, buiten hun eigen wil en keuzes om, terecht zullen komen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie. De medische situatie van statushouders kan hen bijzonder kwetsbaar maken. Hun lichamelijke of psychische problemen kunnen een negatieve invloed hebben op de mate waarin zij zich zelfstandig staande kunnen houden in de maatschappij en hun rechten kunnen effectueren. Omgekeerd kan een toestand van verregaande materiële deprivatie als bedoeld in het arrest Ibrahim negatieve gevolgen hebben voor hun lichamelijke of geestelijke gezondheid. 5.3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in dit geval onvoldoende deugdelijk gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Italië in staat zal zijn, zijn rechten te effectueren en dat hij niet een reëel risico loopt om buiten zijn eigen wil en keuzes om terecht te komen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie. Daartoe is het volgende van belang. 5.4. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser moet worden aangemerkt als bijzonder kwetsbaar als bedoeld in het arrest Ibrahim. 5.5. Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet op de bijzondere kwetsbaarheid van eiser, niet zonder meer van hem worden verwacht dat hij zelf de rechten effectueert die voortvloeien uit zijn asielstatus in Italië. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft recentelijk geoordeeld dat statushouders in Italië in een moeilijke positie verkeren.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:11033 text/xml public 2026-05-12T17:00:07 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-08 NL26.17259 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:11033 text/html public 2026-05-08T13:39:25 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:11033 Rechtbank Den Haag , 08-05-2026 / NL26.17259 Asiel, niet-ontvankelijk, reeds internationale bescherming Italië, individuele (medische) situatie, beroep gegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.17259 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. P.H. Hillen), en de minister van Asiel en Migratie (gemachtigde: mr. E.E.G.N. van der Meulen). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag van eiser omdat hij internationale bescherming heeft in Italië. Eiser is het hier niet mee eens. Aan de hand van de beroepsgronden van eiser beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het niet-ontvankelijk verklaren van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Het beroep is gegrond. De minister heeft onvoldoende deugdelijk gemotiveerd dat de terugkeer van eiser naar Italië, waar hij internationale bescherming geniet, gelet op zijn individuele (medische) situatie niet in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het EU Handvest. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft op 25 juli 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 24 maart 2026 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, omdat eiser volgens de minister in Italië internationale bescherming geniet. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening , op 29 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank Wat zijn de relevante feiten en omstandigheden? 3. Eiser heeft verklaard dat hij van 2014 tot 2019 in Italië verbleef en daar ook internationale bescherming heeft verkregen. De Italiaanse autoriteiten hebben op 7 januari 2026 bevestigd dat eiser internationale bescherming in Italië heeft verkregen en dat zijn asielverblijfsvergunning op 4 januari 2023 is verlopen. Van 2019 tot juli 2025 heeft eiser in Duitsland verbleven, waarna hij naar Nederland is gereisd. 3.1. Het Bureau Medische Advisering (BMA) heeft op 11 maart 2026 een medisch advies over eiser opgesteld. Uit dit advies volgt dat eiser in oktober 2025 een groot hartinfarct heeft gehad en als gevolg daarvan lijdt aan chronisch hartfalen. Dit maakt dat eiser medische behandeling nodig heeft bestaande uit medicatiegebruik en periodieke controles bij de cardioloog. Bij het uitblijven van de behandeling met bloedverdunners, de behandeling van de angina pectoris en het chronisch hartfalen, verwacht het BMA dat eiser risico loopt op een beroerte of het wederom krijgen van een hartinfarct, zodat binnen een termijn van drie tot zes maanden een medische noodsituatie ontstaat. Wat is in geschil? 4. Gelet op wat tijdens de zitting is besproken, is niet (langer) in geschil dat eiser, gezien het gegeven dat hij internationale beschermding geniet in Italië, een zodanige band heeft met Italië dat het voor hem redelijk is om naar Italië terug te keren als bedoeld in artikel 3.106a, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000. In geschil is de vraag of terugkeer van eiser naar Italië in strijd is met artikel 3 van het EVRM (of het naar inhoud gelijke artikel 4 van het EU Handvest). Is de terugkeer van eiser naar Italië in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het EU Handvest? Standpunt eiser 5. Eiser betoogt dat de minister in het bestreden besluit ten onrechte stelt dat hij terug kan keren naar Italië. Eiser is bijzonder kwetsbaar en heeft ernstige hartproblemen. Uit de verklaringen van eiser over zijn eerdere verblijf in Italië blijkt dat hij destijds – zonder medische problematiek – al niet in staat was om de rechten die hij heeft als statushouder in Italië te effectueren. Nu eiser een hartinfarct heeft gehad is zijn zelfredzaamheid nog verder afgenomen. Gezien zijn medische situatie is eiser niet in staat om zelf (voldoende) inkomsten te verwerven. Vanwege de taalbarrière en het lage opleidingsniveau van eiser zal hij aangewezen zijn op lichamelijke arbeid. Lichamelijke arbeid vereist een goede conditie die eiser als gevolg van zijn hartfalen, niet heeft. Eiser betoogt verder dat de minister niet heeft gehandeld conform de in het informatiebericht (IB) 2021/56 voorgeschreven handelwijze omdat de minister in zijn zaak aan de juridische gelijkheid tussen statushouders en Italiaanse onderdanen (veel) meer gewicht toekent dan aan de feitelijke situatie. Eiser stelt dat de minister individuele garanties moet bedingen met betrekking tot huisvesting, toegang tot (gespecialiseerde) medische voorzieningen en toereikende sociale voorzieningen. Standpunt minister 5.1. De minister stelt zich op het standpunt dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de medische zorg, ook als is deze niet gratis, niet toegankelijk voor hem zou zijn. De minister volgt eiser niet in zijn stelling dat er vanwege de gezondheidsklachten ook toegang moet zijn tot andere voorzieningen. De minister stelt dat van eiser mag worden verwacht dat hij deze rechten zelf effectueert, al heeft hij gezondheidsklachten. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn gezondheidstoestand niet zou kunnen werken in Italië. Er is geen reden om aan te nemen dat eiser bij terugkeer naar Italië terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie. De minister ziet daarom geen reden om individuele garanties te vragen aan de Italiaanse autoriteiten. Oordeel rechtbank 5.2. De rechtbank overweegt dat uit het arrest Ibrahim van het Hof van Justitie van 19 maart 2019 volgt dat de bijzondere kwetsbaarheid van individuele statushouders ertoe kan leiden dat zij bij terugkeer naar de lidstaat waar zij een asielvergunning hebben gekregen, buiten hun eigen wil en keuzes om, terecht zullen komen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie. De medische situatie van statushouders kan hen bijzonder kwetsbaar maken. Hun lichamelijke of psychische problemen kunnen een negatieve invloed hebben op de mate waarin zij zich zelfstandig staande kunnen houden in de maatschappij en hun rechten kunnen effectueren. Omgekeerd kan een toestand van verregaande materiële deprivatie als bedoeld in het arrest Ibrahim negatieve gevolgen hebben voor hun lichamelijke of geestelijke gezondheid. 5.3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in dit geval onvoldoende deugdelijk gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Italië in staat zal zijn, zijn rechten te effectueren en dat hij niet een reëel risico loopt om buiten zijn eigen wil en keuzes om terecht te komen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie. Daartoe is het volgende van belang. 5.4. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser moet worden aangemerkt als bijzonder kwetsbaar als bedoeld in het arrest Ibrahim. 5.5. Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet op de bijzondere kwetsbaarheid van eiser, niet zonder meer van hem worden verwacht dat hij zelf de rechten effectueert die voortvloeien uit zijn asielstatus in Italië. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft recentelijk geoordeeld dat statushouders in Italië in een moeilijke positie verkeren.
Volledig
Zij hebben na zes maanden geen recht meer op opvang en andere ondersteuning in de eerste levensbehoeften en, afhankelijk van de regio, komen zij pas na jaren van verblijf in Italië in aanmerking voor sociale huisvesting, inkomensondersteuning en medische zorg gelet op de daarvoor vereiste verblijfsduur of inschrijving op een adres. De rechtbank merkt daarbij op dat de Afdeling zich in deze uitspraak (onder meer) heeft gebaseerd op AIDA Country Report van 10 juli 2024. Inmiddels is dit rapport per juli 2025 geüpdatet. De rechtbank is van oordeel dat de informatie in het recentere AIDA-rapport geen wezenlijk ander beeld geeft dan de informatie die de Afdeling bij zijn uitspraak heeft betrokken. Gelet op de situatie voor statushouders in Italië valt niet uit te sluiten dat eiser na aankomst in Italië niet op korte termijn de voor hem noodzakelijke medische zorg krijgt, terwijl uit het medisch advies van het BMA blijkt dat dit wel nodig is om een medische noodsituatie te voorkomen. 5.6. Gelet op het voorgaande kan de minister niet volstaan met de vrij algemene overwegingen in het bestreden besluit en de algemene toelichting tijdens de zitting dat eiser als statushouder aanspraak kan maken op dezelfde rechten als Italiaanse onderdanen en dat niet is gebleken dat hij zich niet staande kan houden in Italië en daar in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien en dat hij zich bij problemen (met een klacht) kan wenden tot de Italiaanse autoriteiten of daartoe aangewezen instanties. Het betoog van de minister dat eiser zich tijdens zijn eerdere verblijf in Italië ook staande heeft weten te houden en dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat dat nu anders zou zijn, faalt alleen al omdat eiser destijds niet bijzonder kwetsbaar was als bedoeld in het arrest Ibrahim. Dat is ook de reden dat de verwijzing naar uitspraken van de Afdeling in het bestreden besluit niet opgaat, omdat die uitspraken gaan over het interstatelijk vertrouwensbeginsel in zaken van niet bijzonder kwetsbare statushouders. 5.7. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd hoe eiser (direct) na aankomst in Italië inkomsten kan verwerven om zodoende de benodigde medicatie en medische behandeling, waarvan niet in geschil is dat deze niet gratis zijn, te bekostigen en zo een medische noodsituatie te voorkomen. De rechtbank wijst daarbij op het feit dat uit het medisch advies van het BMA volgt dat eiser chronisch hartfalen heeft, met een linker ventrikel ejectiefractie van slechts 28% en ook wisselende inspanningsgebonden klachten ervaart. Het is daardoor aannemelijk dat de zelfredzaamheid van eiser laag is. Daarbij is verder van belang dat niet in geschil is dat eiser in Italië geen familie, naasten of sociaal netwerk heeft en dat evenmin in geschil is dat eiser tijdens zijn eerdere verblijf, toen hij nog niet bijzonder kwetsbaar was, in Italië veelal op straat sliep en geen werk kon vinden of behouden. 5.8. In het licht van de medische problematiek van eiser en voornoemde omstandigheden moet de minister nader motiveren waarom eiser na aankomst in Italië niet, buiten zijn eigen wil en keuzes om, terecht zal komen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie. 5.9. Het voorgaande betekent ook dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat geen individuele garanties aan de Italiaanse autoriteiten hoeven te worden gevraagd. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is gegrond. De minister heeft het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. Het bestreden besluit zal daarom worden vernietigd. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen in stand te laten, zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen. De minister moet met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op de asielaanvraag van eiser beslissen. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken de tijd. 6.1. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). De tarieven staan in het Besluit proceskosten bestuursrecht. Verder zijn geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit van 24 maart 2026; - draagt de minister op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak opnieuw op de asielaanvraag van eiser te beslissen met inachtneming van deze uitspraak; - veroordeelt de minister tot betaling aan eiser van € 1.868 aan proceskosten. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zaaknummer NL26.1760. IB 2021/56, asielverzoeken van bijzonder kwetsbare statushouders. ECLI:EU:C:2019:219. ABRvS 15 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:265. Vgl. ABRvS 17 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1069.
Volledig
Zij hebben na zes maanden geen recht meer op opvang en andere ondersteuning in de eerste levensbehoeften en, afhankelijk van de regio, komen zij pas na jaren van verblijf in Italië in aanmerking voor sociale huisvesting, inkomensondersteuning en medische zorg gelet op de daarvoor vereiste verblijfsduur of inschrijving op een adres. De rechtbank merkt daarbij op dat de Afdeling zich in deze uitspraak (onder meer) heeft gebaseerd op AIDA Country Report van 10 juli 2024. Inmiddels is dit rapport per juli 2025 geüpdatet. De rechtbank is van oordeel dat de informatie in het recentere AIDA-rapport geen wezenlijk ander beeld geeft dan de informatie die de Afdeling bij zijn uitspraak heeft betrokken. Gelet op de situatie voor statushouders in Italië valt niet uit te sluiten dat eiser na aankomst in Italië niet op korte termijn de voor hem noodzakelijke medische zorg krijgt, terwijl uit het medisch advies van het BMA blijkt dat dit wel nodig is om een medische noodsituatie te voorkomen. 5.6. Gelet op het voorgaande kan de minister niet volstaan met de vrij algemene overwegingen in het bestreden besluit en de algemene toelichting tijdens de zitting dat eiser als statushouder aanspraak kan maken op dezelfde rechten als Italiaanse onderdanen en dat niet is gebleken dat hij zich niet staande kan houden in Italië en daar in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien en dat hij zich bij problemen (met een klacht) kan wenden tot de Italiaanse autoriteiten of daartoe aangewezen instanties. Het betoog van de minister dat eiser zich tijdens zijn eerdere verblijf in Italië ook staande heeft weten te houden en dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat dat nu anders zou zijn, faalt alleen al omdat eiser destijds niet bijzonder kwetsbaar was als bedoeld in het arrest Ibrahim. Dat is ook de reden dat de verwijzing naar uitspraken van de Afdeling in het bestreden besluit niet opgaat, omdat die uitspraken gaan over het interstatelijk vertrouwensbeginsel in zaken van niet bijzonder kwetsbare statushouders. 5.7. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd hoe eiser (direct) na aankomst in Italië inkomsten kan verwerven om zodoende de benodigde medicatie en medische behandeling, waarvan niet in geschil is dat deze niet gratis zijn, te bekostigen en zo een medische noodsituatie te voorkomen. De rechtbank wijst daarbij op het feit dat uit het medisch advies van het BMA volgt dat eiser chronisch hartfalen heeft, met een linker ventrikel ejectiefractie van slechts 28% en ook wisselende inspanningsgebonden klachten ervaart. Het is daardoor aannemelijk dat de zelfredzaamheid van eiser laag is. Daarbij is verder van belang dat niet in geschil is dat eiser in Italië geen familie, naasten of sociaal netwerk heeft en dat evenmin in geschil is dat eiser tijdens zijn eerdere verblijf, toen hij nog niet bijzonder kwetsbaar was, in Italië veelal op straat sliep en geen werk kon vinden of behouden. 5.8. In het licht van de medische problematiek van eiser en voornoemde omstandigheden moet de minister nader motiveren waarom eiser na aankomst in Italië niet, buiten zijn eigen wil en keuzes om, terecht zal komen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie. 5.9. Het voorgaande betekent ook dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat geen individuele garanties aan de Italiaanse autoriteiten hoeven te worden gevraagd. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is gegrond. De minister heeft het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. Het bestreden besluit zal daarom worden vernietigd. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen in stand te laten, zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen. De minister moet met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op de asielaanvraag van eiser beslissen. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken de tijd. 6.1. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). De tarieven staan in het Besluit proceskosten bestuursrecht. Verder zijn geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit van 24 maart 2026; - draagt de minister op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak opnieuw op de asielaanvraag van eiser te beslissen met inachtneming van deze uitspraak; - veroordeelt de minister tot betaling aan eiser van € 1.868 aan proceskosten. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zaaknummer NL26.1760. IB 2021/56, asielverzoeken van bijzonder kwetsbare statushouders. ECLI:EU:C:2019:219. ABRvS 15 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:265. Vgl. ABRvS 17 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1069.