Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-05-07
ECLI:NL:RBDHA:2026:10983
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,029 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10983 text/xml public 2026-05-08T14:58:58 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-07 NL25.38183 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10983 text/html public 2026-05-08T08:12:01 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10983 Rechtbank Den Haag , 07-05-2026 / NL25.38183 Beroep ongegrond. Aanvraag verlenging reguliere verblijfsvergunning buiten behandeling gesteld omdat de leges niet tijdig zijn voldaan. De minister heeft de aanvraag van eisers terecht buiten behandeling gesteld. Omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de leges niet op juiste wijze zijn betaald kunnen er niet aan afdoen dat de wet- en regelgeving niet voorziet in een hardheidsclausule of mogelijkheid om het niet betalen van de leges onder bepaalde omstandigheden verschoonbaar te achten. Geen sprake van bijzondere omstandigheden. Schending van artikel 8 EVRM niet aan de orde. Geen schending hoorplicht RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.38183 V-nummers: [v-nummer 1] en [v-nummer 2] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres], eisers (gemachtigde: mr. J. van Putten), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister (gemachtigde: mr. A.D. Röell). Samenvatting 1.1. Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de aanvraag van eisers voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Eisers zijn het niet eens met deze beslissing. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het niet in behandeling nemen van de aanvraag van eisers. 1.2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2.1. Eisers hebben op 15 april 2025 aanvragen ingediend voor de verlenging van hun reguliere verblijfsvergunningen. De minister heeft deze aanvragen met de besluiten van 25 juni 2025 niet in behandeling genomen omdat de leges niet tijdig zijn voldaan. Met het bestreden besluit van 1 augustus 2025 heeft de minister het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. 2.2. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Op 26 augustus 2025 hebben eisers nieuwe aanvragen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend die op 15 oktober 2025 door de minister zijn ingewilligd voor de periode van 24 oktober 2025 tot 24 oktober 2027. Met de inwilliging van de nieuwe aanvragen is er nog steeds procesbelang bij het beroep, omdat er sprake is van het zogenoemde verblijfsgat voor de periode van mei tot oktober 2025. Eisers handhaven daarom het beroep tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank 3. In het bestreden besluit heeft de minister overwogen dat hij kan besluiten een aanvraag niet te behandelen als de leges niet betaald zijn. Leges zijn de kosten van de aanvraag voor een verblijfsvergunning. Op 23 april 2025 is aan eisers een brief gestuurd waarin staat dat eisers leges moeten betalen binnen twee weken. Daarna is op 20 mei 2025 nogmaals een brief gestuurd en gevraagd om de leges binnen twee weken te betalen. Na het verlopen van deze termijn is de minister niet gebleken dat de leges zijn betaald. Daarom heeft de minister de aanvragen niet in behandeling genomen. 4. Eisers voeren aan dat de minister uitsluitend wijst op het formele aspect van het betalen van leges, zonder daarbij een kenbare evenredigheidstoets te verrichten waarbij alle aangevoerde omstandigheden zijn meegewogen. De gevolgen voor eisers zijn namelijk onevenredig zwaar. Eisers beschikten reeds bijna vijf jaar onafgebroken over een verblijfsvergunning en verkeerden op de grens van het voldoen aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd of naturalisatie. Het bestreden besluit leidt tot een verblijfsgat waardoor zij, enkel door een administratieve omissie bij de betaling van de leges, opnieuw vijf jaar zouden moeten opbouwen. Ook hebben eisers erop gewezen dat zij in de veronderstelling zijn geweest dat de leges waren voldaan, aangezien de herinneringsbrief volgde na betaling van de leges. Pas bij het ontvangen van de beschikking op de aanvraag werd het hen duidelijk dat de brief en de betaling elkaar hadden gekruist. Na ontvangst van zowel de legesbrief als de herinneringsbrief zijn deze stukken onverwijld met de werkgever gedeeld. Vervolgens zijn de leges ook daadwerkelijk door de werkgever voldaan. Dat deze betaling, door de werkgever, niet conform de door de minister voorgeschreven wijze (namelijk met correcte vermelding van zaaknummer/kenmerk) is uitgevoerd, kan niet aan eisers worden toegerekend. De minister kon volgens eisers in dit geval niet volstaan met het enkel constateren van een formeel gebrek, maar had de betaalde leges moeten beoordelen in samenhang met de aangevoerde omstandigheden en op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht moeten afwijken van het beleid vanwege bijzondere omstandigheden. 5. Artikel 24, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) bepaalt dat de vreemdeling leges verschuldigd is voor de afdoening van de aanvraag. Als betaling achterwege blijft, wordt de aanvraag niet in behandeling genomen. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat, indien de leges voor een aanvraag niet worden betaald, verweerder niet slechts de bevoegdheid heeft om de aanvraag niet in behandeling te nemen, maar daartoe verplicht is. 6. De rechtbank is van oordeel dat de minister de aanvraag van eisers terecht buiten behandeling heeft gesteld. Uit de overgelegde bankafschriften blijkt dat op de overschrijving door de werkgever zowel het betalingskenmerk als het zaaknummer ontbreekt. Het vermelden van een betalingskenmerk en zaaknummer is van belang om de betalingen te kunnen herleiden tot ingediende aanvragen of aanvragers. In de brief van 23 april 2025 is door de minister ook gewezen op dit belang. In vet gedrukte letters is zowel gewezen op het feit dat het zaaknummer en het vorderingsnummer moet worden vermeld als ook dat als deze gegevens ontbreken het kan zijn dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen. Hierbij zijn ook nog de woorden ‘Let op!’ opgenomen. Ook zijn eisers gewezen op de gevolgen van niet betalen en buiten behandelingstelling, namelijk dat het verblijfsrecht niet wordt verlengd waardoor er mogelijk een verblijfsgat ontstaat. Niet alleen ontbraken de betreffende nummers, maar de betaling was bovendien afkomstig van de werkgever. Daarbij was bij de omschrijving slechts de achternaam en een gedeelte van de voornaam van eiser opgenomen en slechts de voornaam van eiseres waardoor de betaling voor de minister niet te traceren was, gelet op de vele betalingen die dagelijks/wekelijks worden ontvangen bij de minister. Bovendien had de herinneringsbrief van 20 mei 2025 aanleiding moeten zijn om te checken of de betaling op de juiste wijze was uitgevoerd. Tussen de betaling en de herinneringsbrief zat namelijk een periode van 11 dagen waardoor het niet aannemelijk is dat de betaling en de brief elkaar gekruist zouden hebben. Ook al zijn de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de leges niet op de juiste wijze zijn betaald spijtig en invoelbaar, ze kunnen er niet aan afdoen dat de wet- en regelgeving niet voorziet in een hardheidsclausule of in de mogelijkheid om het niet betalen van leges onder bepaalde omstandigheden verschoonbaar te achten. 7. Verder is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de minister had moeten afzien van de buiten behandelingstelling van de aanvraag.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10983 text/xml public 2026-05-08T14:58:58 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-07 NL25.38183 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10983 text/html public 2026-05-08T08:12:01 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10983 Rechtbank Den Haag , 07-05-2026 / NL25.38183 Beroep ongegrond. Aanvraag verlenging reguliere verblijfsvergunning buiten behandeling gesteld omdat de leges niet tijdig zijn voldaan. De minister heeft de aanvraag van eisers terecht buiten behandeling gesteld. Omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de leges niet op juiste wijze zijn betaald kunnen er niet aan afdoen dat de wet- en regelgeving niet voorziet in een hardheidsclausule of mogelijkheid om het niet betalen van de leges onder bepaalde omstandigheden verschoonbaar te achten. Geen sprake van bijzondere omstandigheden. Schending van artikel 8 EVRM niet aan de orde. Geen schending hoorplicht RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.38183 V-nummers: [v-nummer 1] en [v-nummer 2] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres], eisers (gemachtigde: mr. J. van Putten), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister (gemachtigde: mr. A.D. Röell). Samenvatting 1.1. Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de aanvraag van eisers voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Eisers zijn het niet eens met deze beslissing. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het niet in behandeling nemen van de aanvraag van eisers. 1.2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2.1. Eisers hebben op 15 april 2025 aanvragen ingediend voor de verlenging van hun reguliere verblijfsvergunningen. De minister heeft deze aanvragen met de besluiten van 25 juni 2025 niet in behandeling genomen omdat de leges niet tijdig zijn voldaan. Met het bestreden besluit van 1 augustus 2025 heeft de minister het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. 2.2. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Op 26 augustus 2025 hebben eisers nieuwe aanvragen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend die op 15 oktober 2025 door de minister zijn ingewilligd voor de periode van 24 oktober 2025 tot 24 oktober 2027. Met de inwilliging van de nieuwe aanvragen is er nog steeds procesbelang bij het beroep, omdat er sprake is van het zogenoemde verblijfsgat voor de periode van mei tot oktober 2025. Eisers handhaven daarom het beroep tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank 3. In het bestreden besluit heeft de minister overwogen dat hij kan besluiten een aanvraag niet te behandelen als de leges niet betaald zijn. Leges zijn de kosten van de aanvraag voor een verblijfsvergunning. Op 23 april 2025 is aan eisers een brief gestuurd waarin staat dat eisers leges moeten betalen binnen twee weken. Daarna is op 20 mei 2025 nogmaals een brief gestuurd en gevraagd om de leges binnen twee weken te betalen. Na het verlopen van deze termijn is de minister niet gebleken dat de leges zijn betaald. Daarom heeft de minister de aanvragen niet in behandeling genomen. 4. Eisers voeren aan dat de minister uitsluitend wijst op het formele aspect van het betalen van leges, zonder daarbij een kenbare evenredigheidstoets te verrichten waarbij alle aangevoerde omstandigheden zijn meegewogen. De gevolgen voor eisers zijn namelijk onevenredig zwaar. Eisers beschikten reeds bijna vijf jaar onafgebroken over een verblijfsvergunning en verkeerden op de grens van het voldoen aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd of naturalisatie. Het bestreden besluit leidt tot een verblijfsgat waardoor zij, enkel door een administratieve omissie bij de betaling van de leges, opnieuw vijf jaar zouden moeten opbouwen. Ook hebben eisers erop gewezen dat zij in de veronderstelling zijn geweest dat de leges waren voldaan, aangezien de herinneringsbrief volgde na betaling van de leges. Pas bij het ontvangen van de beschikking op de aanvraag werd het hen duidelijk dat de brief en de betaling elkaar hadden gekruist. Na ontvangst van zowel de legesbrief als de herinneringsbrief zijn deze stukken onverwijld met de werkgever gedeeld. Vervolgens zijn de leges ook daadwerkelijk door de werkgever voldaan. Dat deze betaling, door de werkgever, niet conform de door de minister voorgeschreven wijze (namelijk met correcte vermelding van zaaknummer/kenmerk) is uitgevoerd, kan niet aan eisers worden toegerekend. De minister kon volgens eisers in dit geval niet volstaan met het enkel constateren van een formeel gebrek, maar had de betaalde leges moeten beoordelen in samenhang met de aangevoerde omstandigheden en op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht moeten afwijken van het beleid vanwege bijzondere omstandigheden. 5. Artikel 24, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) bepaalt dat de vreemdeling leges verschuldigd is voor de afdoening van de aanvraag. Als betaling achterwege blijft, wordt de aanvraag niet in behandeling genomen. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat, indien de leges voor een aanvraag niet worden betaald, verweerder niet slechts de bevoegdheid heeft om de aanvraag niet in behandeling te nemen, maar daartoe verplicht is. 6. De rechtbank is van oordeel dat de minister de aanvraag van eisers terecht buiten behandeling heeft gesteld. Uit de overgelegde bankafschriften blijkt dat op de overschrijving door de werkgever zowel het betalingskenmerk als het zaaknummer ontbreekt. Het vermelden van een betalingskenmerk en zaaknummer is van belang om de betalingen te kunnen herleiden tot ingediende aanvragen of aanvragers. In de brief van 23 april 2025 is door de minister ook gewezen op dit belang. In vet gedrukte letters is zowel gewezen op het feit dat het zaaknummer en het vorderingsnummer moet worden vermeld als ook dat als deze gegevens ontbreken het kan zijn dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen. Hierbij zijn ook nog de woorden ‘Let op!’ opgenomen. Ook zijn eisers gewezen op de gevolgen van niet betalen en buiten behandelingstelling, namelijk dat het verblijfsrecht niet wordt verlengd waardoor er mogelijk een verblijfsgat ontstaat. Niet alleen ontbraken de betreffende nummers, maar de betaling was bovendien afkomstig van de werkgever. Daarbij was bij de omschrijving slechts de achternaam en een gedeelte van de voornaam van eiser opgenomen en slechts de voornaam van eiseres waardoor de betaling voor de minister niet te traceren was, gelet op de vele betalingen die dagelijks/wekelijks worden ontvangen bij de minister. Bovendien had de herinneringsbrief van 20 mei 2025 aanleiding moeten zijn om te checken of de betaling op de juiste wijze was uitgevoerd. Tussen de betaling en de herinneringsbrief zat namelijk een periode van 11 dagen waardoor het niet aannemelijk is dat de betaling en de brief elkaar gekruist zouden hebben. Ook al zijn de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de leges niet op de juiste wijze zijn betaald spijtig en invoelbaar, ze kunnen er niet aan afdoen dat de wet- en regelgeving niet voorziet in een hardheidsclausule of in de mogelijkheid om het niet betalen van leges onder bepaalde omstandigheden verschoonbaar te achten. 7. Verder is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de minister had moeten afzien van de buiten behandelingstelling van de aanvraag.