Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-05-07
ECLI:NL:RBDHA:2026:10895
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,013 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10895 text/xml public 2026-05-21T16:15:27 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-07 NL26.6018 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10895 text/html public 2026-05-21T16:15:05 2026-05-21 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10895 Rechtbank Den Haag , 07-05-2026 / NL26.6018 Asiel - Syrië - Idlib - ex nunc beoordeling in asielzaken - mate van willekeurig geweld (15c) - verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Idlib - geen persoonlijke omstandigheden die verhoogd risico maken - verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt in een situatie te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM gelet op de 'zwaardere' en 'lichtere' toets Sufi en Elmi, maar heeft wel een individuele beoordeling van het risico gemaakt - beroep gegrond, besluit vernietigd met instandlating van de rechtsgevolgen RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL26.6018 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. F.W. Verweij), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. T. Stelpstra). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft [geboortedatum] februari 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 3 februari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. 1.1. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, J. Suleman als tolk en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1996. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij in Syrië gevaar loopt vanwege de onveilige situatie daar. Eiser is geboren in [geboorteplaats] en heeft daarna in [provincie] gewoond. Hij heeft Syrië in 2015 verlaten en heeft vervolgens tot 2023 in Turkije verbleven. 3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven: 1. de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser. 4. Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Op grond daarvan heeft eiser volgens verweerder echter geen gegronde vrees voor vervolging en loopt hij geen reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Syrië. Dat eiser mogelijk het doelwit zal worden van geweld omdat hij een oorbel draagt en lange tijd niet in Syrië is geweest, is volgens verweerder niet concreet genoeg om een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer aan te nemen. Ook loopt eiser volgens verweerder geen reëel risico op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld. In heel Syrië is volgens verweerder sprake van een relatief lager niveau van willekeurig geweld en eiser heeft geen individuele omstandigheden aangedragen die aangemerkt kunnen worden als risico verhogend. Wat vindt eiser in beroep? 5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Allereerst mocht verweerder eisers aanvraag niet beoordelen op basis van de situatie op het moment van het besluit (beoordeling ex nunc ), maar moest hij beoordelen wat de situatie was op het moment dat de beslistermijn voor eisers aanvraag verliep. Op dat moment werd aan iedere Syriër voor wie geen contra-indicaties gelden, een verblijfsvergunning verleend. Verweerder mocht ook niet stellen dat eiser zich ergens anders dan in [provincie] kan vestigen zonder dit te beoordelen volgens het beleid van het binnenlands vestigingsalternatief. Verweerder heeft de beoordeling van de veiligheidssituatie in Syrië niet gebaseerd op de meest recente informatie – namelijk het Algemeen Ambtsbericht van januari 2026 – en onvoldoende concreet gemaakt naar de situatie in [provincie]. De slechte humanitaire omstandigheden moesten worden betrokken in de beoordeling, omdat die samenhangen met het gewapende conflict, dat ook na de val van het regime van Assad voortduurt. Wat is het oordeel van de rechtbank? 6. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag terecht heeft afgewezen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat en zal het daarom vernietigen. Zij ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Hieronder legt de rechtbank dat uit. De beoordeling ex nunc 7. De grond dat eisers aanvraag moest worden beoordeeld naar het beleid dat gold op het moment dat de beslistermijn verliep, slaagt niet. De rechtbank overweegt dat als algemeen uitgangspunt geldt dat bij het nemen van een besluit het recht wordt toegepast zoals het op dat moment geldt. Dit geldt ook voor beleidsregels. Alleen in het geval van bijzondere omstandigheden kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. De enkele omstandigheid dat een belanghebbende door toepassing van nieuw recht in een ongunstiger positie komt, is daarvoor onvoldoende. De omstandigheid dat eiser geen verblijfsvergunning heeft verkregen in tegenstelling tot anderen waarbij eerder op de aanvraag is beslist is vervelend, maar kan dus niet aangemerkt worden als een bijzondere omstandigheid. Ook het feit dat de minister niet tijdig op de aanvraag heeft beslist leidt niet tot het oordeel dat sprake is van een bijzondere omstandigheid. Er zijn immers meer vreemdelingen waarvoor geldt dat de beslistermijn (ruimschoots) is overschreden en waarvan de behandeling van de aanvraag (te) lang is blijven liggen. Dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel omdat eerder verleende verblijfsvergunningen niet worden ingetrokken volgt de rechtbank evenmin. Bij de intrekking van een verleende verblijfsvergunning asiel gaat het namelijk niet om dezelfde situatie. De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor het oordeel dat de gemaakte ex nunc -beoordeling in strijd is met het Unierecht. Zoals verweerder heeft betoogd, volgt namelijk juist uit het Unierecht dat asielaanvragen ex nunc beoordeeld moeten worden. Verweerder heeft terecht gewezen op artikel 46, derde lid, van de Procedurerichtlijn, waaruit volgt dat in asielzaken een rechtsmiddel open moet staan dat een volledig en ex nunc onderzoek omvat. Eisers beroep op het arrest A.S. maakt het voorgaande niet anders. Kort gezegd blijkt uit dit arrest dat als een onderdaan van een derde land of staatloze die op het tijdstip van zijn aankomst op het grondgebied van een lidstaat en de indiening van zijn asielverzoek in die staat jonger dan 18 jaar oud was, maar die gedurende de asielprocedure meerderjarig wordt en vervolgens wordt erkend als vluchteling, moet worden gekwalificeerd als “minderjarige” in de zin van die bepaling. In zoverre is sprake van een toetsing naar het moment van de aanvraag ( ex tunc ). Zoals verweerder ter zitting heeft benoemd, ziet dit arrest op gezinshereniging onder de Gezinsherenigingsrichtlijn. De rechtbank ziet in wat eiser hierover naar voren heeft gebracht geen reden om deze lijn door te trekken naar asielzaken. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder eisers aanvraag heeft mogen beoordelen naar het beleid en de situatie in Syrië op het moment van het besluit. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding deze zaak naar de meervoudige kamer te zenden, zoals de gemachtigde van eiser op de zitting heeft verzocht. Binnenlands vestigingsalternatief 8. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat verweerder hem ten onrechte een binnenlands vestigingsalternatief heeft tegengeworpen, ziet de rechtbank geen aanleiding voor deze conclusie. Verweerder heeft namelijk ter zitting bevestigd dat aan eiser geen binnenlands vestigingsalternatief is tegengeworpen. De inhoudelijke beoordeling in het bestreden besluit ziet op [provincie].
Volledig
Op die beoordeling zal de rechtbank hierna ingaan. Reëel risico op ernstige schade vanwege situatie van willekeurig geweld 9. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn , zoals geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vreemdelingenwet 2000, gaat allereerst over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict zo hoog is dat een ieder alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn kan ook betrekking hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een asielzoeker. Hoe meer een asielzoeker aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming. Bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn valt, moeten alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen en specifiek de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict, alsook andere elementen zoals de geografische omvang van het gebied waar het willekeurig geweld plaatsvindt, de daadwerkelijke bestemming van een asielzoeker bij terugkeer en het antwoord op de vraag of de strijdende partijen ook opzettelijk geweld gebruiken tegen burgers. De Afdeling heeft geoordeeld dat humanitaire omstandigheden ook als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling moeten worden betrokken. Daarbij is van belang dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van de partijen die actief betrokken zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling. 9.1. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht geconcludeerd dat uit het Algemeen Ambtsbericht over Syrië van mei 2025 het beeld naar voren komt dat er gewapende conflicten in het hele land plaatsvinden tussen verschillende gewapende actoren, leidend tot incidentele pieken in geweldsuitbarstingen en gevechten, maar dat de aantallen burgerslachtoffers als gevolg van willekeurig geweld hierbij relatief laag blijven. Verweerder heeft ook het meest recente ambtsbericht van januari 2026 bij de besluitvorming betrokken en dit in het verweerschrift en ter zitting nader toegelicht. Verweerder heeft uit het meest recente ambtsbericht van januari 2026 terecht geconcludeerd dat het aantal geweldsincidenten in Syrië flink is gedaald en ook het aantal burgerdoden is afgenomen. Ook heeft verweerder terecht geconcludeerd dat het aantal incidenten met ontplofbare oorlogsresten nauwelijks is toegenomen en dat er daarnaast maatregelen worden genomen met betrekking tot het ruimen van ontplofbare oorlogsresten. Verweerder heeft daarbij terecht geconcludeerd dat de dalende trend in geweldsincidenten ook in [provincie], het gebied van terugkeer van eiser, te zien is. Uit het ambtsbericht van januari 2026 blijkt dat de [provincie] onder controle staat van de overgangsregering. In de verslagperiode fluctueerde het maandelijkse aantal geweldsincidenten tussen 8 (september 2025) en 20 (juni 2025). In vergelijking met de voorgaande verslagperiode was sprake van een daling van het aantal geregistreerde geweldsincidenten in [provincie]. Er waren 43 incidenten met ontplofbare oorlogsresten. In de verslagperiode was sprake van ontheemding in [provincie], maar het is niet duidelijk in hoeverre dit verband hield met conflictgerelateerd geweld. In de verslagperiode keerden echter ook 275.380 binnenlands ontheemden terug naar hun oorspronkelijke woonplaats in [provincie]. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende de verschillende beschikbare bronnen betrokken in de besluitvorming. Naast de ambtsberichten heeft verweerder namelijk de EUAA Country Guidance over Syrië (ook aangehaald door eiser) en informatie van het IOM gemotiveerd betrokken bij zijn beoordeling. Het door eiser aangehaalde bericht van de UNHCR van 8 december 2025, waarin wordt opgeroepen om af te zien van gedwongen terugkeer naar Syrië, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Verweerder heeft namelijk met het bestreden besluit, het verweerschrift en de toelichting ter zitting voldoende gemotiveerd dat de verschillende bronnen in samenhang zijn beoordeeld en dat de oproep van de UNHCR op zichzelf niet leidt tot een andere conclusie. 9.2. Wat betreft de humanitaire omstandigheden heeft verweerder er terecht op gewezen dat de hoofdveroorzaker van de slechte humanitaire omstandigheden, zoals die beschreven staan in het Algemeen Ambtsbericht over Syrië uit mei 2025, het regime van Assad was, dat inmiddels geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat het meest recente ambtsbericht van januari 2026 geen reden geeft voor een andere conclusie op dit punt. Weliswaar heeft ook het handelen van de huidige partijen impact op de humanitaire situatie, maar verweerder heeft kunnen concluderen dat de slechte humanitaire situatie in hoofdzaak niet is te wijten aan huidig handelen van de nu nog actieve partijen. Anders dan eiser heeft betoogd, heeft verweerder op dit punt geen verschillende of inherent tegenstrijdige standpunten ingenomen. Verweerder heeft ook gewezen op de EUAA Country Guidance over Syrië waarin staat dat vóór de val van het Assad-regime gerapporteerd werd dat strijdende partijen bewust gezondheidsvoorzieningen aanvielen en ook de aanvoer van basisvoorzieningen tegenhielden, maar dat er geen informatie is die erop wijst dat dit nog steeds het geval is. Eiser heeft geen landeninformatie overgelegd waaruit volgt dat de partijen die momenteel actief betrokken zijn in het gewapende conflict de slechte humanitaire omstandigheden in Syrië in het algemeen en [provincie] in het bijzonder veroorzaken en/of in stand houden. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn betoog dat Assad wel gezien moet worden als actor in het huidige gewapende conflict, omdat volgens hem hetzelfde conflict is doorgegaan na de val van het regime van Assad. Met de val van het regime van Assad is de situatie in Syrië immers wezenlijk veranderd, zodat niet meer kan worden gesproken van hetzelfde conflict. 9.3. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder, met inachtneming van dat wat in deze zaak is aangevoerd, voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in [provincie]. 9.4. Verweerder heeft ook kunnen concluderen dat eiser geen individuele omstandigheden naar voren heeft gebracht die maken dat hij een verhoogd risico loopt om het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Dat eiser lange tijd niet in Syrië is geweest, is hiertoe niet voldoende. Terugkeerbesluit 10. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 23 februari 2026 geoordeeld dat verweerder in het kader van het terugkeerbesluit moet beoordelen of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Verweerder kan voor deze beoordeling niet slechts verwijzen naar zijn beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Het Hof van Justitie van de EU heeft eerder al geoordeeld dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 van het EVRM verschillen qua inhoud en dat de uitlegging van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn autonoom moet plaatsvinden. 10.1.
Volledig
Daarbij is van belang dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi twee situaties onderscheidt: - In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor. - In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor. In de eerste situatie geldt een zwaardere toets dan in de tweede situatie en ligt de lat voor eiser daarmee hoger. 10.2. In het verweerschrift heeft verweerder erop gewezen dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi heeft overwogen dat van schending van artikel 3 van het EVRM wegens humanitaire omstandigheden die niet worden veroorzaakt door het doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor, slechts sprake kan zijn bij ‘very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling’. Volgens verweerder is niet gebleken dat eiser bij terugkeer naar Syrië terecht zal komen in een zodanig schrijnende humanitaire situatie. 10.3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Dit motiveringsgebrek is in het verweerschrift deels hersteld. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom in dit geval moet worden aangesloten bij de ‘zwaardere’ toets van het arrest Sufi en Elmi in plaats van de ‘lichtere’ toets. Wanneer de humanitaire crisis in overwegende mate veroorzaakt is door de strijdende partijen, moet namelijk gekeken worden naar eisers ‘ability to cater for his most basic needs, such as food, hygiene and shelter, his vulnerability to ill-treatment and the prospect of his situation improving within a reasonable time-frame.’ Verweerder heeft, in het kader van artikel 3 van het EVRM, niet gemotiveerd dat de humanitaire crisis niet in overwegende mate veroorzaakt is door de strijdende partijen. Hoewel verweerder dit in het kader van de 15c-beoordeling wel heeft gemotiveerd, heeft verweerder niet gemotiveerd dat en waarom dezelfde argumentatie ook in het kader van artikel 3 van het EVRM opgaat. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen moet de uitleg van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en de uitleg van artikel 3 van het EVRM autonoom plaatsvinden. De rechtbank stelt echter vast dat verweerder wel een individuele beoordeling heeft gemaakt van de vraag of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Verweerder heeft er ter zitting op gewezen dat eiser tijdens het nader gehoor is bevraagd over zijn situatie bij terugkeer. Eiser heeft verklaard dat zijn ouders in [provincie] onderdak hebben. Verweerder heeft er daarnaast op gewezen dat eiser jong en gezond is en dat verbonden aan informatie van het IOM waaruit volgt dat de omstandigheden in [provincie] ‘mostly conducive’ zijn voor terugkeer, met kleine obstakels. Verweerder heeft daarmee voldoende de individuele situatie van eiser bij terugkeer in zijn beoordeling betrokken. Verweerder heeft zich gelet hierop, ook als moet worden uitgegaan van de ‘zwaardere’ toets van het arrest Sufi en Elmi, terecht op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 EVRM. Conclusie en gevolgen 11. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, omdat sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, gelet op wat zij hiervoor onder 10.3 heeft overwogen. Dit betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand blijft. 12. Omdat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.868,-. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit van 3 februari 2026; bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand worden gelaten; veroordeelt verweerder in de totale proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Paragraaf C7/33.4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Eiser verwijst naar het arrest A.S. van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 april 2018 (ECLI:EU:C:2018:248). Zie paragraaf C2/3.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking). Dit volgt uit het arrest Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843 ( X en Y ). Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472 ( CF en DN ). Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153. Uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.2. Zie de Beslisnota van 4 juni 2025, behorend bij de Kamerbrief over het landenbeleid voor Syrië van 10 juni 2025. EUAA Country Guidance: Syria Comprehensive update, december 2025, p. 58. Zie pagina 3 en 23 van het rapport Syrian Arab Republic — Communities of Return Index — Round 4 (1 January - 4 February 2026) van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM). Uitspraak van 23 februari 2026, noot 12, r.o. 7.3. EUAA Country Guidance: Syria Comprehensive update, december 2025, p. 58. Uitspraak van 23 februari 2026, noot 12, r.o. 7.4. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 17 februari 2009, ECLI:EU:C:2009:94 ( Elgafaji ), punt 28. Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 ( Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk ), punt 278-283. Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 ( Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk ), punt 283. Zie pagina 3 en 23 van het rapport Syrian Arab Republic — Communities of Return Index — Round 4 (1 January - 4 February 2026) van de IOM. 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.