Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-29
ECLI:NL:RBDHA:2026:10823
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,053 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10823 text/xml public 2026-05-20T12:06:30 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-29 NL25.40127 en NL25.40128 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10823 text/html public 2026-05-20T12:05:59 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10823 Rechtbank Den Haag , 29-04-2026 / NL25.40127 en NL25.40128 Beroep tegen afwijzing aanvraag EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, beroep gegrond, verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. De rechtbank heeft het eerdere beroep van eiser gegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft voldaan aan wat de rechtbank in de uitspraak van 16 juli 2025 heeft opgedragen en dat verweerder het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. Verweerder heeft in het bestreden besluit ten onrechte aangenomen dat uit de uitspraak van 16 juli 2025 volgt dat de rechtbank al beschermenswaardig privéleven heeft aangenomen en dat alleen een belangenafweging ontbreekt. Daarnaast is de rechtbank het eens met eiser dat verweerder in het bestreden besluit een ondeugdelijke belangenafweging heeft gemaakt. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit motiveringsgebrek te passeren. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL25.40127 en NL25.40128 uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , V-nummer onbekend, eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. T.Y. Tsang), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. D. Gigengack). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. 1.1. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 26 juni 2024 afgewezen. Met het besluit van 17 februari 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Bij uitspraak van 16 juli 2025 heeft deze rechtbank het besluit van 17 februari 2025 vernietigd en verweerder opgedragen om een nieuw besluit te nemen. Met het bestreden besluit van 28 juli 2025 is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.2. Verweerder heeft op 4 februari 2026 een verweerschrift ingediend. Vervolgens heeft verweerder op verzoek van de rechtbank op 16 maart 2026 nog een verweerschrift ingediend. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Eiser is niet verschenen. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1980 en heeft de Indiase nationaliteit. Eiser verblijft sinds 2018 in Nederland en heeft eerder een verblijfsvergunning gehad voor verblijf bij zijn (inmiddels ex-) partner. Na verbreking van de relatie is deze verblijfsvergunning ingetrokken. De intrekking is onherroepelijk. Daarna heeft eiser een aanvraag ingediend tot het verlenen van een EU verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. 2.1. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen. 2.2. In de uitspraak van 16 juli 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder heeft nagelaten inhoudelijk in te gaan op het door eiser gedane beroep op privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. 2.3. Met het bestreden besluit is verweerder bij de afwijzing van eisers aanvraag gebleven, omdat het besluit niet in strijd is met het eisers recht op privéleven . Eiser heeft weliswaar beschermenswaardig privéleven, maar de belangenafweging in dat kader valt uit in het nadeel van eiser. Wat vindt eiser in beroep? 3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – aan dat eiser een substantieel privéleven heeft opgebouwd in Nederland omdat hij al 7,5 jaar in Nederland woont, de Nederlandse taal heeft geleerd, taallessen heeft gevolgd, een (sociaal) leven heeft opgebouwd en een eigen onderneming heeft, terwijl hij zijn leven in India volledig heeft opgegeven. Verweerder had de belangenafweging in het kader van eisers privéleven in eisers voordeel moeten laten uitvallen. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiser aangevoerd dat verweerder geen, dan wel een onvoldoende belangenafweging heeft gemaakt in het bestreden besluit. Wat is het oordeel van de rechtbank? 4. De rechtbank geeft eiser in deze zaak gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen. 5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft voldaan aan wat de rechtbank in de uitspraak van 16 juli 2025 heeft opgedragen en dat verweerder het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. Allereerst heeft verweerder in het bestreden besluit ten onrechte aangenomen dat uit de uitspraak van 16 juli 2025 volgt dat de rechtbank al beschermenswaardig privéleven heeft aangenomen en dat alleen een belangenafweging ontbreekt. In de uitspraak van 16 juli 2025 heeft de rechtbank verweerder namelijk alleen opgedragen om inhoudelijk in te gaan op het door eiser gedane beroep op privéleven. Daarnaast is de rechtbank het eens met eiser dat verweerder in het bestreden besluit een ondeugdelijke belangenafweging heeft gemaakt. Verweerder heeft namelijk niet duidelijk aangegeven welke belangen van eiser en de staat worden betrokken, welk gewicht hier aan toekomt en hoe de belangen worden afgewogen ten opzichte van elkaar. De rechtbank is het niet eens met verweerders stelling tijdens de zitting dat de belangenafweging tussen de regels door is te lezen. 5.1. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit motiveringsgebrek te passeren. Ten eerste heeft verweerder in het verweerschrift van 4 februari 2026 alsnog een ondeugdelijke belangenafweging gemaakt. Verweerder heeft namelijk niet duidelijk uiteengezet welk gewicht toekomt aan de genoemde belangen en heeft de belangen van de staat niet duidelijk afgewogen. Ten tweede vindt de rechtbank het verweerschrift van 16 maart 2026 onvoldoende, omdat dit niet alleen onduidelijk is, maar ook geen deugdelijke belangenafweging bevat. Ten derde is de rechtbank het niet eens met verweerder dat de verwijzing naar eisers andere procedure voldoende is. Verweerder heeft tijdens de zitting verwezen naar de hoorzitting en de beslissing op bezwaar over eisers aanvraag om een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat eiser hierdoor niet in zijn belangen is geschaad. Hierbij is van belang dat dat besluit niet in rechte vaststaat en ook niet ter beoordeling van de rechtbank ligt in de huidige procedure. Ook heeft de gemachtigde van eiser tijdens de zitting toegelicht dat zij het nog niet met eiser heeft kunnen bespreken en dat zij geen reactie kan geven, omdat de stukken kort voor de zitting zijn ingediend. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd. Verweerder moet een nieuw besluit nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak. 7. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit . 8. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,-. 9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-; - bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 194,- moet vergoeden.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10823 text/xml public 2026-05-20T12:06:30 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-29 NL25.40127 en NL25.40128 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10823 text/html public 2026-05-20T12:05:59 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10823 Rechtbank Den Haag , 29-04-2026 / NL25.40127 en NL25.40128 Beroep tegen afwijzing aanvraag EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, beroep gegrond, verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. De rechtbank heeft het eerdere beroep van eiser gegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft voldaan aan wat de rechtbank in de uitspraak van 16 juli 2025 heeft opgedragen en dat verweerder het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. Verweerder heeft in het bestreden besluit ten onrechte aangenomen dat uit de uitspraak van 16 juli 2025 volgt dat de rechtbank al beschermenswaardig privéleven heeft aangenomen en dat alleen een belangenafweging ontbreekt. Daarnaast is de rechtbank het eens met eiser dat verweerder in het bestreden besluit een ondeugdelijke belangenafweging heeft gemaakt. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit motiveringsgebrek te passeren. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL25.40127 en NL25.40128 uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , V-nummer onbekend, eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. T.Y. Tsang), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. D. Gigengack). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. 1.1. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 26 juni 2024 afgewezen. Met het besluit van 17 februari 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Bij uitspraak van 16 juli 2025 heeft deze rechtbank het besluit van 17 februari 2025 vernietigd en verweerder opgedragen om een nieuw besluit te nemen. Met het bestreden besluit van 28 juli 2025 is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.2. Verweerder heeft op 4 februari 2026 een verweerschrift ingediend. Vervolgens heeft verweerder op verzoek van de rechtbank op 16 maart 2026 nog een verweerschrift ingediend. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Eiser is niet verschenen. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1980 en heeft de Indiase nationaliteit. Eiser verblijft sinds 2018 in Nederland en heeft eerder een verblijfsvergunning gehad voor verblijf bij zijn (inmiddels ex-) partner. Na verbreking van de relatie is deze verblijfsvergunning ingetrokken. De intrekking is onherroepelijk. Daarna heeft eiser een aanvraag ingediend tot het verlenen van een EU verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. 2.1. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen. 2.2. In de uitspraak van 16 juli 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder heeft nagelaten inhoudelijk in te gaan op het door eiser gedane beroep op privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. 2.3. Met het bestreden besluit is verweerder bij de afwijzing van eisers aanvraag gebleven, omdat het besluit niet in strijd is met het eisers recht op privéleven . Eiser heeft weliswaar beschermenswaardig privéleven, maar de belangenafweging in dat kader valt uit in het nadeel van eiser. Wat vindt eiser in beroep? 3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – aan dat eiser een substantieel privéleven heeft opgebouwd in Nederland omdat hij al 7,5 jaar in Nederland woont, de Nederlandse taal heeft geleerd, taallessen heeft gevolgd, een (sociaal) leven heeft opgebouwd en een eigen onderneming heeft, terwijl hij zijn leven in India volledig heeft opgegeven. Verweerder had de belangenafweging in het kader van eisers privéleven in eisers voordeel moeten laten uitvallen. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiser aangevoerd dat verweerder geen, dan wel een onvoldoende belangenafweging heeft gemaakt in het bestreden besluit. Wat is het oordeel van de rechtbank? 4. De rechtbank geeft eiser in deze zaak gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen. 5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft voldaan aan wat de rechtbank in de uitspraak van 16 juli 2025 heeft opgedragen en dat verweerder het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. Allereerst heeft verweerder in het bestreden besluit ten onrechte aangenomen dat uit de uitspraak van 16 juli 2025 volgt dat de rechtbank al beschermenswaardig privéleven heeft aangenomen en dat alleen een belangenafweging ontbreekt. In de uitspraak van 16 juli 2025 heeft de rechtbank verweerder namelijk alleen opgedragen om inhoudelijk in te gaan op het door eiser gedane beroep op privéleven. Daarnaast is de rechtbank het eens met eiser dat verweerder in het bestreden besluit een ondeugdelijke belangenafweging heeft gemaakt. Verweerder heeft namelijk niet duidelijk aangegeven welke belangen van eiser en de staat worden betrokken, welk gewicht hier aan toekomt en hoe de belangen worden afgewogen ten opzichte van elkaar. De rechtbank is het niet eens met verweerders stelling tijdens de zitting dat de belangenafweging tussen de regels door is te lezen. 5.1. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit motiveringsgebrek te passeren. Ten eerste heeft verweerder in het verweerschrift van 4 februari 2026 alsnog een ondeugdelijke belangenafweging gemaakt. Verweerder heeft namelijk niet duidelijk uiteengezet welk gewicht toekomt aan de genoemde belangen en heeft de belangen van de staat niet duidelijk afgewogen. Ten tweede vindt de rechtbank het verweerschrift van 16 maart 2026 onvoldoende, omdat dit niet alleen onduidelijk is, maar ook geen deugdelijke belangenafweging bevat. Ten derde is de rechtbank het niet eens met verweerder dat de verwijzing naar eisers andere procedure voldoende is. Verweerder heeft tijdens de zitting verwezen naar de hoorzitting en de beslissing op bezwaar over eisers aanvraag om een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat eiser hierdoor niet in zijn belangen is geschaad. Hierbij is van belang dat dat besluit niet in rechte vaststaat en ook niet ter beoordeling van de rechtbank ligt in de huidige procedure. Ook heeft de gemachtigde van eiser tijdens de zitting toegelicht dat zij het nog niet met eiser heeft kunnen bespreken en dat zij geen reactie kan geven, omdat de stukken kort voor de zitting zijn ingediend. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd. Verweerder moet een nieuw besluit nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak. 7. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit . 8. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,-. 9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-; - bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 194,- moet vergoeden.