Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-21
ECLI:NL:RBDHA:2026:10811
Civiel recht; Arbeidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
12,164 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10811 text/xml public 2026-05-20T11:19:01 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-21 12081942 \ RP VERZ 26-50126 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10811 text/html public 2026-05-20T11:15:50 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10811 Rechtbank Den Haag , 21-04-2026 / 12081942 \ RP VERZ 26-50126 werkneemster beroept zich op strijd met Wghb/cz vanwege diagnose ADHD bij niet verlengen van de arbeidsovereenkomst. Er is geen verboden onderscheid op grond van de Wgbh/cz. RECHTBANK DEN HAAG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Den Haag esm/c Zaaknummer / rekestnummer: 12081942 \ RP VERZ 26-50126 Beschikking van 21 april 2026 in de zaak van [verzoekster] , te [woonplaats], verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoekster], gemachtigde: mr. S.M.E. Schauten, tegen [verweerster] B.V. , te [vestigingsplaats], verwerende partij, hierna te noemen: [verweerster], gemachtigde: mr. N.H.M. ten Bokum. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift, - het verweerschrift, - de aanvullende bijlagen van [verzoekster] en [verweerster], - de akte wijziging verzoek, - de mondelinge behandeling van 23 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waar beide partijen pleitaantekeningen hebben overgelegd. 1.2. De beschikking is bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. [verzoekster], geboren [geboortedatum] 1970, is op 1 oktober 2023 op basis van een arbeidsovereenkomst van bepaalde tijd voor 7 maanden in dienst getreden bij [verweerster] in de functie van [functienaam 1]. De arbeidsovereenkomst is daarna twee keer verlengd, de laatste keer tot 1 december 2025. Het laatstgenoten salaris bedraagt € 3.200,- bruto per maand. Het vakantiegeld wordt eenmaal per jaar in mei uitgekeerd over het hele jaar. 2.2. [verzoekster] is per 1 september 2023 begonnen met de opleiding tot Declarant. Het betreft een éénjarige opleiding. [verzoekster] had voor deze opleiding een studiekostenregeling gesloten met haar vorige werkgever. Toen ze bij [verweerster] in dienst kwam is afgesproken dat [verweerster] de studiekosten voor haar rekening zou nemen. Partijen hebben daarover het volgende afgesproken: “(…) Werknemer gaat per 29 augustus 2023 de FENEX cursus Declarant 2023-2024. Werkgever zal de volgende kosten conform afspraak voor haar rekening nemen, zie onderstaand. Cursus Declarant 2023-2024 Totaal excl. btw € 2.750,00 btw € 577,50 Totaal incl. btw € 3.327,50 Mochten er meer kosten ontstaan dan hier geraamd worden deze ook geacht onder deze regeling te vallen. Deze kosten worden door de werknemer aan de werkgever terugbetaald in de hierna genoemde gevallen; 1. Indien werknemer de opleiding voortijdig beëindigt of niet behaald. 2. Indien het contract door de werkgever wordt ontbonden of het (tijdelijk) contract afloopt en niet wordt verlengd. 3. Indien werknemer of werkgever het dienstverband na het behalen van het diploma beëindigt, dan dient werknemer een gedeelte van de door werkgever ter zake gedane betalingen terug te betalen, volgens de onderstaande verdeling - Binnen een jaar na het behalen van het diploma: 75% van de totale kosten. - Binnen twee jaar na het behalen van het diploma: 50%: van de totale kosten. - Binnen drie jaar na het behalen van het diploma: 25% van de totale kosten.” 2.3. [verzoekster] heeft het examen voor deze opleiding een aantal keren niet gehaald. In de beoordelingsgesprekken is het behalen van het diploma als aandachtspunt genoemd. Op 14 juli 2025 heeft ze haar diploma behaald. 2.4. [verzoekster] werkte in een team van vier medewerkers. De werkzaamheden bij [verweerster] vinden in hoofdzaak op kantoor plaats. De medewerkers werken in een kantoortuin maar kunnen ook gebruik maken van de stilteruimte. [verzoekster] heeft in de periode oktober 2023 tot november 2024 incidenteel thuisgewerkt vanwege diverse redenen (sneeuwval, geen oppas voor de hond, knieklachten, hernia). 2.5. Er vinden regelmatig beoordelingsgesprekken plaats waaruit volgt dat [verzoekster] hard werkt en goed functioneert. Als aandachtspunt wordt genoemd ‘rustiger werken waardoor de nauwkeurigheid omhoog gaat’. Als prestatieafspraak genoemd ‘het behalen van de cursus declarant’. 2.6. Op 17 november 2024 heeft zich in het privéleven van [verzoekster] een incident voorgedaan dat grote impact op haar heeft gehad. In verband daarmee heeft [verweerster] haar toegestaan om thuis te werken. 2.7. Op 25 februari 2025 is [verzoekster] doorverwezen naar de HSK Groep waarna gesprekken met de psycholoog/psychiater zijn ingepland. Zij heeft haar leidinggevende daarover geïnformeerd. Kort daarna heeft een gesprek plaatsgevonden met de General Manager van [verweerster] die haar ter bevestiging daarvan het volgende heeft gemaild: “Hi [verzoekster], Zoals besproken, hopen we dat je alles mentaal een beetje op orde krijgt. Vanaf volgende week werk je drie dagen op kantoor en twee dagen vanuit huis. Daarnaast staat op 14 en 18 maart je gesprekken met de psycholoog/psychiater gepland. Daarna zullen we opnieuw samenkomen om het vervolg te bespreken.” 2.8. In de beoordeling van 12 maart 2025 is vermeld: “[verzoekster] zal zich toch moeten gaan voorbereiden om stapsgewijs terug te keren richting kantoor. dat zij zich moet voorbereiden op de stapsgewijze terugkeer naar kantoor.” 2.9. Op 14 maart 2025 heeft de HSK Groep [verzoekster] verwezen naar ADHD Centraal. Op 26 juni 2025 is [verzoekster] gediagnosticeerd met ADHD. Dit wordt omschreven als ‘aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteitsstoornis: gecombineerd beeld (primair) ernstig’ . [verzoekster] heeft diezelfde dag via Whatsapp contact gehad met haar leidinggevende. “Hi [naam] had je nog gebeld maar even een update van mij me knie daar zit een scheurtje in me meniscus en heb vandaag me adhd-test gehad heb zwaar adhd heb nog geen medicatie daarvoor want de medicatie van vandaag sloeg niet aan dus krijg 9 juli weer een test met andere medicatie.” 2.10. Op 9 juli 2025 had [verzoekster] telefonisch contact met de General Manager en is opnieuw gesproken over de terugkeer naar kantoor. In de periode daarna was er vrijwel dagelijks telefonisch contact met de teamleider. In het beoordelingsgesprek van 3 september 2025 is opnieuw afgesproken dat ze (stapsgewijs) zou terugkeren naar kantoor. 2.11. Op 18 september 2025 heeft [verweerster] aan [verzoekster] laten weten de arbeidsovereenkomst niet te zullen verlengen na 1 december 2025. Als reden is genoemd: “De reden hiervoor is dat jij gedurende jouw dienstverband grotendeels vanuit huis hebt gewerkt. Dit is, zoals eerder meermaals met jou is besproken, niet in lijn met ons beleid.” 2.12. De huisarts van [verzoekster] heeft bij brief van 23 januari 2026 - onder meer - geschreven: “[verzoekster] is in 2025 gediagnosticeerd met ADHD, ernstig in de vorm van klachten en interferentie met dagelijks leven. Het is een chronische aandoening en retrospectief heeft mevrouw inderdaad al haar hele leven klachten hiervan. Zij heeft een uitgebreid diagnostisch traject ondergaan en de diagnose is bevestigd, waarna zij is ingesteld op medicatie. [verzoekster] bevindt zich al langere tijd in een multi probleem situatie, welke spanningen heeft en haar dagelijks leven en algemeen functioneren fors beïnvloedden.” 2.13. Het UWV heeft [verzoekster] bij beschikking van 13 februari 2026 een Ziektewetuitkering toegekend. 3 Het verzoek en het verweer 3.1. [verzoekster] verzoekt - na wijziging van het verzoek - de kantonrechter om: I. [verweerster] te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding inclusief vergoeding voor immateriële schade van € 62.912,54 bruto; II. te verklaren voor recht dat het studiekostenbeding nietig is, althans niet rechtsgeldig is, althans dat [verweerster] geen rechtsgeldig beroep op dit beding kan doen en dus geen vordering op [verzoekster] heeft; III. [verweerster] te veroordelen tot betaling van de studiekosten van € 5.267,12 netto, te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging van € 2.633,56 netto, derhalve totaal € 7.900,68 netto; IV.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10811 text/xml public 2026-05-20T11:19:01 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-21 12081942 \ RP VERZ 26-50126 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10811 text/html public 2026-05-20T11:15:50 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10811 Rechtbank Den Haag , 21-04-2026 / 12081942 \ RP VERZ 26-50126 werkneemster beroept zich op strijd met Wghb/cz vanwege diagnose ADHD bij niet verlengen van de arbeidsovereenkomst. Er is geen verboden onderscheid op grond van de Wgbh/cz. RECHTBANK DEN HAAG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Den Haag esm/c Zaaknummer / rekestnummer: 12081942 \ RP VERZ 26-50126 Beschikking van 21 april 2026 in de zaak van [verzoekster] , te [woonplaats], verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoekster], gemachtigde: mr. S.M.E. Schauten, tegen [verweerster] B.V. , te [vestigingsplaats], verwerende partij, hierna te noemen: [verweerster], gemachtigde: mr. N.H.M. ten Bokum. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift, - het verweerschrift, - de aanvullende bijlagen van [verzoekster] en [verweerster], - de akte wijziging verzoek, - de mondelinge behandeling van 23 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waar beide partijen pleitaantekeningen hebben overgelegd. 1.2. De beschikking is bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. [verzoekster], geboren [geboortedatum] 1970, is op 1 oktober 2023 op basis van een arbeidsovereenkomst van bepaalde tijd voor 7 maanden in dienst getreden bij [verweerster] in de functie van [functienaam 1]. De arbeidsovereenkomst is daarna twee keer verlengd, de laatste keer tot 1 december 2025. Het laatstgenoten salaris bedraagt € 3.200,- bruto per maand. Het vakantiegeld wordt eenmaal per jaar in mei uitgekeerd over het hele jaar. 2.2. [verzoekster] is per 1 september 2023 begonnen met de opleiding tot Declarant. Het betreft een éénjarige opleiding. [verzoekster] had voor deze opleiding een studiekostenregeling gesloten met haar vorige werkgever. Toen ze bij [verweerster] in dienst kwam is afgesproken dat [verweerster] de studiekosten voor haar rekening zou nemen. Partijen hebben daarover het volgende afgesproken: “(…) Werknemer gaat per 29 augustus 2023 de FENEX cursus Declarant 2023-2024. Werkgever zal de volgende kosten conform afspraak voor haar rekening nemen, zie onderstaand. Cursus Declarant 2023-2024 Totaal excl. btw € 2.750,00 btw € 577,50 Totaal incl. btw € 3.327,50 Mochten er meer kosten ontstaan dan hier geraamd worden deze ook geacht onder deze regeling te vallen. Deze kosten worden door de werknemer aan de werkgever terugbetaald in de hierna genoemde gevallen; 1. Indien werknemer de opleiding voortijdig beëindigt of niet behaald. 2. Indien het contract door de werkgever wordt ontbonden of het (tijdelijk) contract afloopt en niet wordt verlengd. 3. Indien werknemer of werkgever het dienstverband na het behalen van het diploma beëindigt, dan dient werknemer een gedeelte van de door werkgever ter zake gedane betalingen terug te betalen, volgens de onderstaande verdeling - Binnen een jaar na het behalen van het diploma: 75% van de totale kosten. - Binnen twee jaar na het behalen van het diploma: 50%: van de totale kosten. - Binnen drie jaar na het behalen van het diploma: 25% van de totale kosten.” 2.3. [verzoekster] heeft het examen voor deze opleiding een aantal keren niet gehaald. In de beoordelingsgesprekken is het behalen van het diploma als aandachtspunt genoemd. Op 14 juli 2025 heeft ze haar diploma behaald. 2.4. [verzoekster] werkte in een team van vier medewerkers. De werkzaamheden bij [verweerster] vinden in hoofdzaak op kantoor plaats. De medewerkers werken in een kantoortuin maar kunnen ook gebruik maken van de stilteruimte. [verzoekster] heeft in de periode oktober 2023 tot november 2024 incidenteel thuisgewerkt vanwege diverse redenen (sneeuwval, geen oppas voor de hond, knieklachten, hernia). 2.5. Er vinden regelmatig beoordelingsgesprekken plaats waaruit volgt dat [verzoekster] hard werkt en goed functioneert. Als aandachtspunt wordt genoemd ‘rustiger werken waardoor de nauwkeurigheid omhoog gaat’. Als prestatieafspraak genoemd ‘het behalen van de cursus declarant’. 2.6. Op 17 november 2024 heeft zich in het privéleven van [verzoekster] een incident voorgedaan dat grote impact op haar heeft gehad. In verband daarmee heeft [verweerster] haar toegestaan om thuis te werken. 2.7. Op 25 februari 2025 is [verzoekster] doorverwezen naar de HSK Groep waarna gesprekken met de psycholoog/psychiater zijn ingepland. Zij heeft haar leidinggevende daarover geïnformeerd. Kort daarna heeft een gesprek plaatsgevonden met de General Manager van [verweerster] die haar ter bevestiging daarvan het volgende heeft gemaild: “Hi [verzoekster], Zoals besproken, hopen we dat je alles mentaal een beetje op orde krijgt. Vanaf volgende week werk je drie dagen op kantoor en twee dagen vanuit huis. Daarnaast staat op 14 en 18 maart je gesprekken met de psycholoog/psychiater gepland. Daarna zullen we opnieuw samenkomen om het vervolg te bespreken.” 2.8. In de beoordeling van 12 maart 2025 is vermeld: “[verzoekster] zal zich toch moeten gaan voorbereiden om stapsgewijs terug te keren richting kantoor. dat zij zich moet voorbereiden op de stapsgewijze terugkeer naar kantoor.” 2.9. Op 14 maart 2025 heeft de HSK Groep [verzoekster] verwezen naar ADHD Centraal. Op 26 juni 2025 is [verzoekster] gediagnosticeerd met ADHD. Dit wordt omschreven als ‘aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteitsstoornis: gecombineerd beeld (primair) ernstig’ . [verzoekster] heeft diezelfde dag via Whatsapp contact gehad met haar leidinggevende. “Hi [naam] had je nog gebeld maar even een update van mij me knie daar zit een scheurtje in me meniscus en heb vandaag me adhd-test gehad heb zwaar adhd heb nog geen medicatie daarvoor want de medicatie van vandaag sloeg niet aan dus krijg 9 juli weer een test met andere medicatie.” 2.10. Op 9 juli 2025 had [verzoekster] telefonisch contact met de General Manager en is opnieuw gesproken over de terugkeer naar kantoor. In de periode daarna was er vrijwel dagelijks telefonisch contact met de teamleider. In het beoordelingsgesprek van 3 september 2025 is opnieuw afgesproken dat ze (stapsgewijs) zou terugkeren naar kantoor. 2.11. Op 18 september 2025 heeft [verweerster] aan [verzoekster] laten weten de arbeidsovereenkomst niet te zullen verlengen na 1 december 2025. Als reden is genoemd: “De reden hiervoor is dat jij gedurende jouw dienstverband grotendeels vanuit huis hebt gewerkt. Dit is, zoals eerder meermaals met jou is besproken, niet in lijn met ons beleid.” 2.12. De huisarts van [verzoekster] heeft bij brief van 23 januari 2026 - onder meer - geschreven: “[verzoekster] is in 2025 gediagnosticeerd met ADHD, ernstig in de vorm van klachten en interferentie met dagelijks leven. Het is een chronische aandoening en retrospectief heeft mevrouw inderdaad al haar hele leven klachten hiervan. Zij heeft een uitgebreid diagnostisch traject ondergaan en de diagnose is bevestigd, waarna zij is ingesteld op medicatie. [verzoekster] bevindt zich al langere tijd in een multi probleem situatie, welke spanningen heeft en haar dagelijks leven en algemeen functioneren fors beïnvloedden.” 2.13. Het UWV heeft [verzoekster] bij beschikking van 13 februari 2026 een Ziektewetuitkering toegekend. 3 Het verzoek en het verweer 3.1. [verzoekster] verzoekt - na wijziging van het verzoek - de kantonrechter om: I. [verweerster] te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding inclusief vergoeding voor immateriële schade van € 62.912,54 bruto; II. te verklaren voor recht dat het studiekostenbeding nietig is, althans niet rechtsgeldig is, althans dat [verweerster] geen rechtsgeldig beroep op dit beding kan doen en dus geen vordering op [verzoekster] heeft; III. [verweerster] te veroordelen tot betaling van de studiekosten van € 5.267,12 netto, te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging van € 2.633,56 netto, derhalve totaal € 7.900,68 netto; IV.
Volledig
betaling van de wettelijke transitievergoeding van € 3.339,00 bruto; V. [verweerster] te veroordelen tot betaling van € 293,61 bruto aan niet uitbetaald vakantiegeld over 2025, vermeerderd met 50% wettelijke verhoging van € 146,81, derhalve totaal € 440,42 bruto; VI. [verweerster] te veroordelen tot betaling van de door [verzoekster] gemaakte juridische kosten op basis van artikel 7:611 BW, ten bedrage van € 2.921,25 inclusief btw; VII. [verweerster] te veroordelen om binnen een week na betekening van deze beschikking aan [verzoekster] gecorrigeerde bruto-/nettospecificaties te verstrekken over de referteperiode van 1 oktober 2024 tot 1 november 2025, waarin de vakantiebijslag over de in die periode gewerkte overuren alsnog is verwerkt; VIII. [verweerster] te veroordelen tot het verstrekken van een schriftelijke en deugdelijke bruto/nettospecificatie aan [verzoekster], binnen een week na deze beschikking waarin de onder I, III, IV, V en VI bedoelde bedragen zijn verwerkt; IX. [verweerster] te veroordelen in de wettelijke rente over de onder I, III, IV, V en VI genoemde bedragen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd tot aan de dag van volledige betaling; X. [verweerster] te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf twee weken na de beschikking. 3.2. Aan haar verzoeken heeft [verzoekster] het volgende ten grondslag gelegd. 3.2.1. [verzoekster] berust in het einde van de arbeidsovereenkomst. [verweerster] heeft als reden voor het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst gegeven dat [verzoekster] (te veel) thuiswerkt en dat dit in strijd met het beleid is. De behoefte van [verzoekster] om thuis te werken houdt echter verband met haar chronische ziekte ADHD. Op kantoor krijgt zij teveel prikkels hetgeen zij vanwege haar ADHD niet aan kan. [verweerster] maakt dan ook indirect onderscheid op grond van chronische ziekte. Het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst is in strijd met artikel 4 en artikel 1 van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (hierna: Wgbh/cz). Op grond van art. 2 lid 1 Wgbh/cz is de werkgever verplicht om al naar gelang de behoefte doeltreffende aanpassingen te doen, wat een onderzoeksplicht voor de werkgever meebrengt. [verweerster] heeft nagelaten enig onderzoek te verrichten naar mogelijke doeltreffende aanpassingen voor [verzoekster] terwijl zij meerdere malen heeft laten blijken dat thuiswerken een oplossing voor haar ADHD zou zijn. [verweerster] heeft ook niet onderbouwd waarom dit een onevenredige belasting voor [verweerster] zou zijn. Op basis van deze feiten is dan ook sprake van een vermoeden van onderscheid als bedoeld in art. 4 Wgbh/cz. Het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst is daarom is ernstig verwijtbaar. [verzoekster] verzoekt een billijke vergoeding ter hoogte van een bruto jaarsalaris van € 55.412,54, een bedrag van € 2.500,- en een bedrag van € 5.000,- als immateriële schade. 3.2.2. Het studiekostenbeding is nietig omdat de opleiding noodzakelijk is voor de functie. Dat blijkt onder meer uit het feit dat deze opleiding in iedere beoordeling werd vermeld als verbeterpunt. Verder geldt dat het beding niet voldoet aan de vereisten van een geldig studiekostenbeding en het beding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en in strijd met goed werkgeverschap. 3.2.3. [verweerster] heeft ten onrechte geen vakantiebijslag over overuren betaald. De verstrekte specificaties zijn daardoor onjuist. Vanwege die onjuiste specificaties heeft het UWV een te laag dagloon vastgesteld. Dit komt doordat [verweerster] onjuiste bruto/nettospecificaties heeft verstrekt. [verzoekster] heeft dan ook belang bij het verstrekken van gecorrigeerde bruto/nettospecificaties. 3.2.4. [verweerster] dient de juridische kosten/buitengerechtelijke incassokosten die [verzoekster] heeft moeten maken te vergoeden. Deze kosten belopen € 2.921,25 inclusief btw. 3.3. [verweerster] voert verweer en voert het volgende aan. 3.3.1. [verweerster] betwist dat de aandoening van [verzoekster] als chronische ziekte in de zin van de Wgbh/cz moet worden aangemerkt omdat niet is gebleken dat de ADHD haar belemmert om volledig, en daadwerkelijk en op gelijke voet deel te nemen aan het werk. Tot het incident in de privésfeer werkte zij altijd op kantoor. Niet gebleken is dat zij daarmee problemen had. [verzoekster] heeft ook niet aangetoond dat het op grond van haar ADHD nodig was om thuis te werken. Zij heeft ook nooit gemeld dat zij om die reden thuis wilde werken. De hoofdregel bij [verweerster] is dat het werk op kantoor wordt uitgevoerd. Dit beleid is bekend en wordt strikt gehandhaafd. Thuiswerken is slechts sporadisch en in beperkte mate toegestaan. Ook andere medewerkers die langdurig thuiswerkten zijn daarop aangesproken teruggekeerd naar kantoor. Het langdurig thuiswerken zorgde ook voor fricties tussen [verzoekster] en haar collega’s. 3.3.2. Het studiekostenbeding is rechtsgeldig overeengekomen. De opleiding declarant is niet noodzakelijk voor de functie van [verzoekster]. Haar werkzaamheden zijn voornamelijk administratief van aard. Daarnaast voldoet het beding aan alle vereisten die de Hoge Raad daaraan stelt. [verzoekster] was bovendien al met deze opleiding begonnen voor zij bij [verweerster] in dienst kwam. 3.3.3. [verweerster] erkent dat de transitievergoeding en vakantiegeld over 2025 verkeerd heeft berekend. Zij heeft dit inmiddels betaald. [verweerster] betwist dat zij nog een bedrag aan vakantiegeld van € 293,61 verschuldigd is. Het vakantiegeld is in mei 2025 voor het hele jaar betaald en dus één maand te veel. Dat is in mindering gebracht. 4 De beoordeling 4.1. Het gaat in deze zaak om de vraag of het besluit van [verweerster] om de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] niet te verlengen in strijd is met het bepaalde in art. 4 Wgbh/cz in samenhang met art. 1 Wgbh/cz. Daarnaast is de vraag of [verzoekster] haar studiekosten moet terugbetalen. Tot slot hebben partijen nog discussie over de financiële afwikkeling van de arbeidsovereenkomst. 4.2. [verweerster] heeft bezwaar gemaakt tegen de door [verzoekster] ingediende akte wijziging verzoek. Dit bezwaar wordt verworpen. De akte is tien dagen voor de zitting ingediend en bevat alleen een wijziging ten aanzien van het vakantiegeld en in verband daarmee het verstrekken van bruto/nettospecificaties. [verweerster] heeft ter zitting op deze wijziging kunnen reageren en niet gebleken is dat door de wijziging in haar processuele belang is geschaad. De akte wijziging verzoek wordt daarom toegestaan. Geen strijd met Wgbh/cz 4.3. In art. 7:673 lid 9 BW is bepaald dat de kantonrechter de werknemer een billijke vergoeding kan toekennen, als het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Uitgangspunt is dat de werkgever in beginsel het recht heeft om een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet te verlengen als hij daartoe aanleiding ziet. Van ernstige verwijtbaarheid zal dan ook niet snel sprake zijn. Dat is anders als de werkgever de arbeidsovereenkomst niet verlengt vanwege een chronische ziekte of handicap. In dat geval maakt de werkgever een verboden onderscheid bij het aanbieden en beëindigen van de arbeidsverhouding als bedoeld in art. 4 Wgbh/cz. 4.4. Uit art. 10 van de Wgbh/cz volgt dat het aan [verzoekster] is om feiten aan te voeren die het door haar gestelde verboden onderscheid kunnen doen vermoeden. Dat betekent dat zij feiten moet stellen en deze bij betwisting moet bewijzen waaruit een dergelijk vermoeden volgt. Als zij hierin slaagt, is het aan [verweerster] te bewijzen dat zij geen verboden onderscheid jegens [verzoekster] heeft gemaakt. 4.5. In de Wgbh/cz, die is gebaseerd op Richtlijn 2000/78/EG (de Kaderrichtlijn), wordt niet omschreven wat onder handicap en chronische ziekte moet worden verstaan. In de Kaderrichtlijn wordt tussen deze gronden geen verschil gemaakt.
Volledig
betaling van de wettelijke transitievergoeding van € 3.339,00 bruto; V. [verweerster] te veroordelen tot betaling van € 293,61 bruto aan niet uitbetaald vakantiegeld over 2025, vermeerderd met 50% wettelijke verhoging van € 146,81, derhalve totaal € 440,42 bruto; VI. [verweerster] te veroordelen tot betaling van de door [verzoekster] gemaakte juridische kosten op basis van artikel 7:611 BW, ten bedrage van € 2.921,25 inclusief btw; VII. [verweerster] te veroordelen om binnen een week na betekening van deze beschikking aan [verzoekster] gecorrigeerde bruto-/nettospecificaties te verstrekken over de referteperiode van 1 oktober 2024 tot 1 november 2025, waarin de vakantiebijslag over de in die periode gewerkte overuren alsnog is verwerkt; VIII. [verweerster] te veroordelen tot het verstrekken van een schriftelijke en deugdelijke bruto/nettospecificatie aan [verzoekster], binnen een week na deze beschikking waarin de onder I, III, IV, V en VI bedoelde bedragen zijn verwerkt; IX. [verweerster] te veroordelen in de wettelijke rente over de onder I, III, IV, V en VI genoemde bedragen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd tot aan de dag van volledige betaling; X. [verweerster] te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf twee weken na de beschikking. 3.2. Aan haar verzoeken heeft [verzoekster] het volgende ten grondslag gelegd. 3.2.1. [verzoekster] berust in het einde van de arbeidsovereenkomst. [verweerster] heeft als reden voor het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst gegeven dat [verzoekster] (te veel) thuiswerkt en dat dit in strijd met het beleid is. De behoefte van [verzoekster] om thuis te werken houdt echter verband met haar chronische ziekte ADHD. Op kantoor krijgt zij teveel prikkels hetgeen zij vanwege haar ADHD niet aan kan. [verweerster] maakt dan ook indirect onderscheid op grond van chronische ziekte. Het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst is in strijd met artikel 4 en artikel 1 van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (hierna: Wgbh/cz). Op grond van art. 2 lid 1 Wgbh/cz is de werkgever verplicht om al naar gelang de behoefte doeltreffende aanpassingen te doen, wat een onderzoeksplicht voor de werkgever meebrengt. [verweerster] heeft nagelaten enig onderzoek te verrichten naar mogelijke doeltreffende aanpassingen voor [verzoekster] terwijl zij meerdere malen heeft laten blijken dat thuiswerken een oplossing voor haar ADHD zou zijn. [verweerster] heeft ook niet onderbouwd waarom dit een onevenredige belasting voor [verweerster] zou zijn. Op basis van deze feiten is dan ook sprake van een vermoeden van onderscheid als bedoeld in art. 4 Wgbh/cz. Het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst is daarom is ernstig verwijtbaar. [verzoekster] verzoekt een billijke vergoeding ter hoogte van een bruto jaarsalaris van € 55.412,54, een bedrag van € 2.500,- en een bedrag van € 5.000,- als immateriële schade. 3.2.2. Het studiekostenbeding is nietig omdat de opleiding noodzakelijk is voor de functie. Dat blijkt onder meer uit het feit dat deze opleiding in iedere beoordeling werd vermeld als verbeterpunt. Verder geldt dat het beding niet voldoet aan de vereisten van een geldig studiekostenbeding en het beding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en in strijd met goed werkgeverschap. 3.2.3. [verweerster] heeft ten onrechte geen vakantiebijslag over overuren betaald. De verstrekte specificaties zijn daardoor onjuist. Vanwege die onjuiste specificaties heeft het UWV een te laag dagloon vastgesteld. Dit komt doordat [verweerster] onjuiste bruto/nettospecificaties heeft verstrekt. [verzoekster] heeft dan ook belang bij het verstrekken van gecorrigeerde bruto/nettospecificaties. 3.2.4. [verweerster] dient de juridische kosten/buitengerechtelijke incassokosten die [verzoekster] heeft moeten maken te vergoeden. Deze kosten belopen € 2.921,25 inclusief btw. 3.3. [verweerster] voert verweer en voert het volgende aan. 3.3.1. [verweerster] betwist dat de aandoening van [verzoekster] als chronische ziekte in de zin van de Wgbh/cz moet worden aangemerkt omdat niet is gebleken dat de ADHD haar belemmert om volledig, en daadwerkelijk en op gelijke voet deel te nemen aan het werk. Tot het incident in de privésfeer werkte zij altijd op kantoor. Niet gebleken is dat zij daarmee problemen had. [verzoekster] heeft ook niet aangetoond dat het op grond van haar ADHD nodig was om thuis te werken. Zij heeft ook nooit gemeld dat zij om die reden thuis wilde werken. De hoofdregel bij [verweerster] is dat het werk op kantoor wordt uitgevoerd. Dit beleid is bekend en wordt strikt gehandhaafd. Thuiswerken is slechts sporadisch en in beperkte mate toegestaan. Ook andere medewerkers die langdurig thuiswerkten zijn daarop aangesproken teruggekeerd naar kantoor. Het langdurig thuiswerken zorgde ook voor fricties tussen [verzoekster] en haar collega’s. 3.3.2. Het studiekostenbeding is rechtsgeldig overeengekomen. De opleiding declarant is niet noodzakelijk voor de functie van [verzoekster]. Haar werkzaamheden zijn voornamelijk administratief van aard. Daarnaast voldoet het beding aan alle vereisten die de Hoge Raad daaraan stelt. [verzoekster] was bovendien al met deze opleiding begonnen voor zij bij [verweerster] in dienst kwam. 3.3.3. [verweerster] erkent dat de transitievergoeding en vakantiegeld over 2025 verkeerd heeft berekend. Zij heeft dit inmiddels betaald. [verweerster] betwist dat zij nog een bedrag aan vakantiegeld van € 293,61 verschuldigd is. Het vakantiegeld is in mei 2025 voor het hele jaar betaald en dus één maand te veel. Dat is in mindering gebracht. 4 De beoordeling 4.1. Het gaat in deze zaak om de vraag of het besluit van [verweerster] om de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] niet te verlengen in strijd is met het bepaalde in art. 4 Wgbh/cz in samenhang met art. 1 Wgbh/cz. Daarnaast is de vraag of [verzoekster] haar studiekosten moet terugbetalen. Tot slot hebben partijen nog discussie over de financiële afwikkeling van de arbeidsovereenkomst. 4.2. [verweerster] heeft bezwaar gemaakt tegen de door [verzoekster] ingediende akte wijziging verzoek. Dit bezwaar wordt verworpen. De akte is tien dagen voor de zitting ingediend en bevat alleen een wijziging ten aanzien van het vakantiegeld en in verband daarmee het verstrekken van bruto/nettospecificaties. [verweerster] heeft ter zitting op deze wijziging kunnen reageren en niet gebleken is dat door de wijziging in haar processuele belang is geschaad. De akte wijziging verzoek wordt daarom toegestaan. Geen strijd met Wgbh/cz 4.3. In art. 7:673 lid 9 BW is bepaald dat de kantonrechter de werknemer een billijke vergoeding kan toekennen, als het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Uitgangspunt is dat de werkgever in beginsel het recht heeft om een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet te verlengen als hij daartoe aanleiding ziet. Van ernstige verwijtbaarheid zal dan ook niet snel sprake zijn. Dat is anders als de werkgever de arbeidsovereenkomst niet verlengt vanwege een chronische ziekte of handicap. In dat geval maakt de werkgever een verboden onderscheid bij het aanbieden en beëindigen van de arbeidsverhouding als bedoeld in art. 4 Wgbh/cz. 4.4. Uit art. 10 van de Wgbh/cz volgt dat het aan [verzoekster] is om feiten aan te voeren die het door haar gestelde verboden onderscheid kunnen doen vermoeden. Dat betekent dat zij feiten moet stellen en deze bij betwisting moet bewijzen waaruit een dergelijk vermoeden volgt. Als zij hierin slaagt, is het aan [verweerster] te bewijzen dat zij geen verboden onderscheid jegens [verzoekster] heeft gemaakt. 4.5. In de Wgbh/cz, die is gebaseerd op Richtlijn 2000/78/EG (de Kaderrichtlijn), wordt niet omschreven wat onder handicap en chronische ziekte moet worden verstaan. In de Kaderrichtlijn wordt tussen deze gronden geen verschil gemaakt.
Volledig
Het Europese Hof heeft voor de uitleg van het begrip handicap in de Kaderrichtlijn aansluiting gezocht bij het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, welk verdrag door de EU is goedgekeurd en daarom deel uitmaakt van de rechtsorde van de Unie. Het Europese Hof omschrijft handicap als een beperking die met name het gevolg is van langdurige lichamelijke, geestelijke of psychische aandoeningen die in wisselwerking met diverse drempels de betrokkene kunnen beletten volledig, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid met andere werknemers aan het beroepsleven deel te nemen. Een handicap impliceert niet noodzakelijkerwijs volledige uitsluiting van het werk of het beroepsleven, maar kan ook meebrengen dat een werknemer zijn arbeid slechts beperkt kan verrichten. Eerder oordeelde het Europese Hof dat een beperking slechts als een handicap kan worden opgevat indien het waarschijnlijk is dat zij van lange duur is. Ontslag wegens ziekte valt daarom niet gelijk te stellen aan ontslag op grond van een handicap . 4.6. Het ligt op de weg van [verzoekster] om voldoende te onderbouwen dat het besluit van [verweerster] om de arbeidsovereenkomst niet te verlengen in strijd is met art. 4 Wgbh/cz. Zij legt aan haar verzoek ten grondslag dat zij vanwege haar ADHD genoodzaakt is om thuis te werken zodat het thuiswerken bij de beslissing om niet te verlengen geen rol mag spelen. 4.7. De eerste vraag die moet worden beantwoord is of [verzoekster] door de ADHD wordt belemmerd om op voet van gelijkheid deel te nemen aan het arbeidsproces. Daarbij moet vooropgesteld worden dat ADHD een aandoening is die in vele vormen voorkomt en waarbij de beperkingen die het met zich brengt per persoon kunnen verschillen. Juist omdat ADHD een breed begrip is, is van belang dat wordt onderbouwd wat dit voor [verzoekster] betekent en welke beperkingen zij erdoor heeft. [verzoekster] heeft alleen algemene informatie over ADHD overgelegd en geen objectieve informatie waaruit specifiek blijkt welke beperkingen zij door de ADHD ondervindt en hoe daaraan tegemoet gekomen kan worden. Ook de verklaring van haar huisarts van 23 januari 2026 zegt niets over de specifieke klachten die [verzoekster] heeft als gevolg van ADHD, maar spreekt over multi-problematiek. Het medisch journaal noemt meerdere medische klachten die er bij [verzoekster] spelen naast ADHD. De noodzaak tot thuiswerken blijkt hier niet uit en [verzoekster] heeft ook geen andere stukken overgelegd waaruit die noodzaak blijkt. Dat zij vanwege haar ADHD genoodzaakt is om thuis te werken is dan ook onvoldoende onderbouwd, zeker in het licht van het feit dat zij van 1 oktober 2023 tot 17 november 2024 vrijwel volledig op kantoor werkte, zij daarbij geen gebruik maakte van de op kantoor aanwezige stilteruimte en niet gebleken is dat zij daarvan problemen ondervond. Evenmin is gebleken dat zij op kantoor minder goed functioneerde of kwalitatief minder werk afleverde. Voor de stelling dat [verzoekster] vanwege de diagnose ADHD zou zijn aangewezen op thuiswerken zijn daarom onvoldoende aanknopingspunten. 4.8. Bovendien is niet gebleken dat [verzoekster] tijdens het dienstverband met [verweerster] heeft besproken dat haar wens om thuis te werken was ingegeven door ADHD. Na de diagnose hebben nog gesprekken plaatsgevonden waarin [verzoekster] is meegedeeld dat zij meer op kantoor moest komen. Niet gebleken is dat [verzoekster] toen heeft gezegd dat zij daartoe vanwege haar ADHD niet of minder goed in staat was. 4.9. [verzoekster] heeft nog aangevoerd dat [verweerster] zelf onderzoek had moeten doen naar doeltreffende aanpassingen. De kantonrechter volgt haar niet in deze stelling. De verplichting om doeltreffende aanpassingen te doen ontstaat pas als de werknemer zijn behoefte aan aanpassingen kenbaar maakt en dat heeft [verzoekster] niet gedaan. Overigens beschikt [verweerster] over een prikkelarme werkplek waarvan [verzoekster] gebruik had kunnen maken maar dat heeft ze niet gedaan. 4.10. De conclusie is dan ook dat [verweerster] geen onderscheid als bedoeld in de Wgbh/cz heeft gemaakt door de arbeidsovereenkomst niet te verlengen. Van ernstig verwijtbaar handelen in de zin van art. 7:673 lid 9 BW is dan ook geen sprake. De verzochte billijke vergoeding wordt dus niet toegewezen. Studiekostenbeding 4.11. Het uitgangspunt is dat een werkgever is gehouden scholingskosten kosteloos aan zijn werknemer aan te bieden als deze scholing noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie. Als dat het geval is mogen studiekosten niet op de werknemer wordt verhaald en is een studiekostenbeding nietig. Dat het beschikken over het diploma Declarant noodzakelijk is voor het uitoefenen van de functie van [functienaam 1] is niet gebleken. Volgens de functieomschrijving is het beschikken over het diploma assistent declarant een pré. Het beschikken over het diploma Declarant wordt niet als eis genoemd. Ook overigens heeft [verzoekster] niet voldoende onderbouwd dat dit noodzakelijk was. Weliswaar wordt het behalen van het diploma als doelstelling genoemd in haar beoordelingen maar aannemelijk is dat dit, zoals [verweerster] heeft aangevoerd, samenhangt met de nog lopende studieregeling waarvan vaststaat dat die is getroffen omdat [verzoekster] bij indiensttreding met de opleiding was begonnen en een studieregeling met haar toenmalige werkgever had. Een verplichting of noodzaak om deze scholing te volgen kan er dan ook niet uit worden afgeleid. Andere stukken waaruit een dergelijke verplichting kan blijken zijn niet overgelegd. Het beroep op de nietigheid van het studiekostenbeding wordt dan ook verworpen. 4.12. [verzoekster] heeft verder aangevoerd dat het studiekostenbeding niet rechtsgeldig is, omdat het niet voldoet aan de door de Hoge Raad in het arrest Muller/Van Opzeeland gestelde eisen. De kantonrechter volgt [verzoekster] daarin niet. In de tussen partijen overeengekomen regeling worden de totale kosten genoemd en wordt vermeld in welke gevallen de kosten moeten worden terugbetaald. Voor de terugbetalingsverplichting geldt een glijdende schaal waarbij de kosten verminderen naar mate de arbeidsovereenkomst voortduurt. De regeling is daarmee voldoende transparant. De toepassing van de regeling kan onder omstandigheden worden beperkt door de werking van de redelijkheid en billijkheid. De kantonrechter ziet daarvoor geen aanleiding. Daarbij is van belang dat [verzoekster] de opleiding al volgde toen ze bij [verweerster] in dienst trad en daarvoor ook al een studiekostenbeding had gesloten. Als [verweerster] de kosten niet had overgenomen had zij deze aan haar vorige werkgever moeten terugbetalen. Het sluiten van het beding was in zoverre dan ook in het voordeel van [verzoekster]. Bovendien heeft ze de opleiding op eigen initiatief gevolgd en vergroot deze haar mogelijkheden op de arbeidsmarkt. 4.13. [verzoekster] heeft nog aangevoerd dat de totale kosten onduidelijk zijn doordat in de regeling wordt vermeld dat meerkosten worden verrekend terwijl niet duidelijk is om welke kosten het gaat en dat kosten voor herexamens eenzijdig zijn verrekend met het examen. Vaststaat dat de meerkosten zijn veroorzaakt doordat [verzoekster] een aantal keren herexamen heeft gedaan. Uit het e-mailcontact, dat partijen hierover in juli 2024 hebben gehad, blijkt dat [verzoekster] heeft ingestemd met het verrekenen van die kosten met haar salaris. 4.14. Op grond van het hiervoor overwogene worden de verklaring van recht en het verzoek tot (terug)betaling van de studiekosten afgewezen. 4.15. De stelling van [verzoekster] dat [verweerster] deze kosten niet kon verrekenen met het nettobedrag van de transitievergoeding is juist. Daarvoor was instemming van [verzoekster] voor nodig, conform de cumulatieve vereisten in artikel 2 van het Besluit voorwaarden in mindering brengen kosten op transitievergoeding. Gesteld noch gebleken is dat [verzoekster] met deze inhouding heeft ingestemd. Omdat [verzoekster] hieraan geen rechtsgevolgen heeft verbonden, blijft het bij deze constatering. Dat er geen rekening is gehouden met de beslagvrije voet behoeft daarom ook geen bespreking. Juridische kosten/Buitengerechtelijke incassokosten 4.16.
Volledig
Het Europese Hof heeft voor de uitleg van het begrip handicap in de Kaderrichtlijn aansluiting gezocht bij het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, welk verdrag door de EU is goedgekeurd en daarom deel uitmaakt van de rechtsorde van de Unie. Het Europese Hof omschrijft handicap als een beperking die met name het gevolg is van langdurige lichamelijke, geestelijke of psychische aandoeningen die in wisselwerking met diverse drempels de betrokkene kunnen beletten volledig, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid met andere werknemers aan het beroepsleven deel te nemen. Een handicap impliceert niet noodzakelijkerwijs volledige uitsluiting van het werk of het beroepsleven, maar kan ook meebrengen dat een werknemer zijn arbeid slechts beperkt kan verrichten. Eerder oordeelde het Europese Hof dat een beperking slechts als een handicap kan worden opgevat indien het waarschijnlijk is dat zij van lange duur is. Ontslag wegens ziekte valt daarom niet gelijk te stellen aan ontslag op grond van een handicap . 4.6. Het ligt op de weg van [verzoekster] om voldoende te onderbouwen dat het besluit van [verweerster] om de arbeidsovereenkomst niet te verlengen in strijd is met art. 4 Wgbh/cz. Zij legt aan haar verzoek ten grondslag dat zij vanwege haar ADHD genoodzaakt is om thuis te werken zodat het thuiswerken bij de beslissing om niet te verlengen geen rol mag spelen. 4.7. De eerste vraag die moet worden beantwoord is of [verzoekster] door de ADHD wordt belemmerd om op voet van gelijkheid deel te nemen aan het arbeidsproces. Daarbij moet vooropgesteld worden dat ADHD een aandoening is die in vele vormen voorkomt en waarbij de beperkingen die het met zich brengt per persoon kunnen verschillen. Juist omdat ADHD een breed begrip is, is van belang dat wordt onderbouwd wat dit voor [verzoekster] betekent en welke beperkingen zij erdoor heeft. [verzoekster] heeft alleen algemene informatie over ADHD overgelegd en geen objectieve informatie waaruit specifiek blijkt welke beperkingen zij door de ADHD ondervindt en hoe daaraan tegemoet gekomen kan worden. Ook de verklaring van haar huisarts van 23 januari 2026 zegt niets over de specifieke klachten die [verzoekster] heeft als gevolg van ADHD, maar spreekt over multi-problematiek. Het medisch journaal noemt meerdere medische klachten die er bij [verzoekster] spelen naast ADHD. De noodzaak tot thuiswerken blijkt hier niet uit en [verzoekster] heeft ook geen andere stukken overgelegd waaruit die noodzaak blijkt. Dat zij vanwege haar ADHD genoodzaakt is om thuis te werken is dan ook onvoldoende onderbouwd, zeker in het licht van het feit dat zij van 1 oktober 2023 tot 17 november 2024 vrijwel volledig op kantoor werkte, zij daarbij geen gebruik maakte van de op kantoor aanwezige stilteruimte en niet gebleken is dat zij daarvan problemen ondervond. Evenmin is gebleken dat zij op kantoor minder goed functioneerde of kwalitatief minder werk afleverde. Voor de stelling dat [verzoekster] vanwege de diagnose ADHD zou zijn aangewezen op thuiswerken zijn daarom onvoldoende aanknopingspunten. 4.8. Bovendien is niet gebleken dat [verzoekster] tijdens het dienstverband met [verweerster] heeft besproken dat haar wens om thuis te werken was ingegeven door ADHD. Na de diagnose hebben nog gesprekken plaatsgevonden waarin [verzoekster] is meegedeeld dat zij meer op kantoor moest komen. Niet gebleken is dat [verzoekster] toen heeft gezegd dat zij daartoe vanwege haar ADHD niet of minder goed in staat was. 4.9. [verzoekster] heeft nog aangevoerd dat [verweerster] zelf onderzoek had moeten doen naar doeltreffende aanpassingen. De kantonrechter volgt haar niet in deze stelling. De verplichting om doeltreffende aanpassingen te doen ontstaat pas als de werknemer zijn behoefte aan aanpassingen kenbaar maakt en dat heeft [verzoekster] niet gedaan. Overigens beschikt [verweerster] over een prikkelarme werkplek waarvan [verzoekster] gebruik had kunnen maken maar dat heeft ze niet gedaan. 4.10. De conclusie is dan ook dat [verweerster] geen onderscheid als bedoeld in de Wgbh/cz heeft gemaakt door de arbeidsovereenkomst niet te verlengen. Van ernstig verwijtbaar handelen in de zin van art. 7:673 lid 9 BW is dan ook geen sprake. De verzochte billijke vergoeding wordt dus niet toegewezen. Studiekostenbeding 4.11. Het uitgangspunt is dat een werkgever is gehouden scholingskosten kosteloos aan zijn werknemer aan te bieden als deze scholing noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie. Als dat het geval is mogen studiekosten niet op de werknemer wordt verhaald en is een studiekostenbeding nietig. Dat het beschikken over het diploma Declarant noodzakelijk is voor het uitoefenen van de functie van [functienaam 1] is niet gebleken. Volgens de functieomschrijving is het beschikken over het diploma assistent declarant een pré. Het beschikken over het diploma Declarant wordt niet als eis genoemd. Ook overigens heeft [verzoekster] niet voldoende onderbouwd dat dit noodzakelijk was. Weliswaar wordt het behalen van het diploma als doelstelling genoemd in haar beoordelingen maar aannemelijk is dat dit, zoals [verweerster] heeft aangevoerd, samenhangt met de nog lopende studieregeling waarvan vaststaat dat die is getroffen omdat [verzoekster] bij indiensttreding met de opleiding was begonnen en een studieregeling met haar toenmalige werkgever had. Een verplichting of noodzaak om deze scholing te volgen kan er dan ook niet uit worden afgeleid. Andere stukken waaruit een dergelijke verplichting kan blijken zijn niet overgelegd. Het beroep op de nietigheid van het studiekostenbeding wordt dan ook verworpen. 4.12. [verzoekster] heeft verder aangevoerd dat het studiekostenbeding niet rechtsgeldig is, omdat het niet voldoet aan de door de Hoge Raad in het arrest Muller/Van Opzeeland gestelde eisen. De kantonrechter volgt [verzoekster] daarin niet. In de tussen partijen overeengekomen regeling worden de totale kosten genoemd en wordt vermeld in welke gevallen de kosten moeten worden terugbetaald. Voor de terugbetalingsverplichting geldt een glijdende schaal waarbij de kosten verminderen naar mate de arbeidsovereenkomst voortduurt. De regeling is daarmee voldoende transparant. De toepassing van de regeling kan onder omstandigheden worden beperkt door de werking van de redelijkheid en billijkheid. De kantonrechter ziet daarvoor geen aanleiding. Daarbij is van belang dat [verzoekster] de opleiding al volgde toen ze bij [verweerster] in dienst trad en daarvoor ook al een studiekostenbeding had gesloten. Als [verweerster] de kosten niet had overgenomen had zij deze aan haar vorige werkgever moeten terugbetalen. Het sluiten van het beding was in zoverre dan ook in het voordeel van [verzoekster]. Bovendien heeft ze de opleiding op eigen initiatief gevolgd en vergroot deze haar mogelijkheden op de arbeidsmarkt. 4.13. [verzoekster] heeft nog aangevoerd dat de totale kosten onduidelijk zijn doordat in de regeling wordt vermeld dat meerkosten worden verrekend terwijl niet duidelijk is om welke kosten het gaat en dat kosten voor herexamens eenzijdig zijn verrekend met het examen. Vaststaat dat de meerkosten zijn veroorzaakt doordat [verzoekster] een aantal keren herexamen heeft gedaan. Uit het e-mailcontact, dat partijen hierover in juli 2024 hebben gehad, blijkt dat [verzoekster] heeft ingestemd met het verrekenen van die kosten met haar salaris. 4.14. Op grond van het hiervoor overwogene worden de verklaring van recht en het verzoek tot (terug)betaling van de studiekosten afgewezen. 4.15. De stelling van [verzoekster] dat [verweerster] deze kosten niet kon verrekenen met het nettobedrag van de transitievergoeding is juist. Daarvoor was instemming van [verzoekster] voor nodig, conform de cumulatieve vereisten in artikel 2 van het Besluit voorwaarden in mindering brengen kosten op transitievergoeding. Gesteld noch gebleken is dat [verzoekster] met deze inhouding heeft ingestemd. Omdat [verzoekster] hieraan geen rechtsgevolgen heeft verbonden, blijft het bij deze constatering. Dat er geen rekening is gehouden met de beslagvrije voet behoeft daarom ook geen bespreking. Juridische kosten/Buitengerechtelijke incassokosten 4.16.