Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-05-06
ECLI:NL:RBDHA:2026:10774
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,076 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10774 text/xml public 2026-05-20T10:53:02 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-06 C/09/703953 / JE RK 26-696 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10774 text/html public 2026-05-20T10:52:24 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10774 Rechtbank Den Haag , 06-05-2026 / C/09/703953 / JE RK 26-696 Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing RECHTBANK DEN HAAG Jeugd- en Zorgrecht Zaaknummer: C/09/703953 / JE RK 26-696 Datum uitspraak: 6 mei 2026 Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van Raad voor de Kinderbescherming te Den Haag, hierna te noemen: de Raad, over [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [de minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat mr. mr. L.T.C.M. Geurts uit Den Haag. [de stiefvader] , hierna te noemen: de stiefvader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres; Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden , hierna te noemen: de gecertificeerde instelling. 1 Het verdere verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 23 april 2026 een spoedmachtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 7 mei 2026, met aanhouding van het overige deel van het verzoek. 1.2. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - de beschikking van 23 april 2026 en de hierin genoemde stukken. 1.3. Op 6 mei 2026 heeft de zitting met gesloten deuren plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig: - de moeder met mr. R. Shahbazi te Den Haag, waarnemend voor mr. L.T.C.M. Geurts; - [naam 1] , namens de Raad; - [naam 2] , namens de gecertificeerde instelling. De stiefvader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de stiefvader wel juist is opgeroepen. 2 De feiten 2.1. [de minderjarige] verblijft in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. 2.2. De kinderrechter verwijst voor een weergave van de overige feiten naar de beschikking van 23 april 2026. 3 Het verzoek 3.1. De Raad verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad heeft het verzoek, samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd. 3.2. [de minderjarige] kon door zijn gedragsproblematiek niet langer bij het gezinshuis waar hij verbleef blijven. Volgens de betrokken jeugdbeschermers en gezinshuisouders was zijn gedrag dusdanig heftig dat het ontoelaatbaar is binnen een gezinssetting. Hij moest daarom per direct worden overgeplaatst naar een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. [de minderjarige] verblijft nu op een plek waar gefocust zal worden op stabilisatie zodat uiteindelijk diagnostiek kan plaatsvinden. De vele wisselingen van verblijfplaats zijn evenwel niet wenselijk voor zo’n jonge jongen. Wel zal er een passende plek gezocht worden die dichter is bij de moeder en de stiefvader, zodat het contact tussen het gestimuleerd kan worden. De Raad benadrukt dat er een zeer goede samenwerking is tussen de moeder en de stiefvader en de gecertificeerde instelling en dat zij zich zeer transparant en meewerkend opstellen. In de komende periode zal uitgezocht moeten worden wat de onderliggende oorzaak is van de problematiek van [de minderjarige] , zodat samen met de moeder en de stiefvader onderzocht kan worden wat zij en [de minderjarige] nodig hebben om toe te kunnen werken naar een succesvolle thuisplaatsing. 4 De standpunten 4.1. Er is door en namens de moeder naar voren gebracht dat zij [de minderjarige] erg mist en dat zij het liefst zou willen dat hij weer thuis woont. De moeder heeft op dit moment vrijwel dagelijks videobelcontact met [de minderjarige] . [de minderjarige] geeft hierin aan dat hij graag naar huis wil. De moeder is bereid hiertoe intensieve hulpverlening in de thuissituatie te ontvangen. Wanneer [de minderjarige] wel nog bij de accommodatie van de jeugdhulpaanbieder moet blijven, is het van belang dat er een goed plan wordt opgesteld zodat er nog zo min mogelijk wisselingen in zijn verblijfplaats plaatsvinden. Dit is immers niet wenselijk voor zo’n jonge jongen. 4.2. De gecertificeerde instelling heeft zich achter het verzoek van de Raad geschaard. Er wordt gezien dat [de minderjarige] een lieve jongen is, maar dat zijn gedrag opeens kan escaleren. [de minderjarige] en de mensen om hem heen weten nog niet waar dit gedrag vandaan komt. Binnen het gezinshuis was zijn gedrag echter dermate ontwrichtend dat dit een negatieve weerslag had op de andere kinderen die er verbleven, waardoor hij hier niet kon blijven. [de minderjarige] is nu aangemeld voor een woongroep van Youz waar diagnostiek en passende hulpverlening geboden kan worden. Het is nog onbekend wanneer hij hier terecht zal kunnen, maar de gecertificeerde instelling zet zich ervoor in om dit zo spoedig mogelijk te laten plaatsvinden. Bij Youz kan meer duidelijkheid worden verkregen over wat er speelt bij [de minderjarige] en wat hij nodig heeft. Hiernaast zal de gecertificeerde instelling contact opnemen met de hulpverlening die betrokken was in het vrijwillige kader om erachter te komen welke vormen van hulp al zijn ingezet, om zo mogelijkheden te onderzoeken voor de eventueel nog mogelijke (intensieve) hulpverlening binnen de thuissituatie. 5 De beoordeling 5.1. Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. 5.2. De kinderrechter overweegt daartoe dat uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht blijkt dat er grote zorgen bestaan over het gedrag en de problematiek van [de minderjarige] en over het feit dat nog niet bekend is bij betrokkenen wat onderliggend is aan deze problematiek. [de minderjarige] kon door zijn problematiek niet langer blijven bij het gezinshuis waar hij verbleef en is overgeplaatst naar een observatieplek. Gezien wordt dat dit op dit moment de beste plek voor hem is. In de komende periode zal worden gefocust op stabilisatie en, wanneer mogelijk, op diagnostiek. De kinderrechter vindt het belangrijk dat duidelijk wordt wat er speelt bij [de minderjarige] en wat hij nodig heeft zodat de moeder en stiefvader in de thuissituatie op een passende manier bij [de minderjarige] kunnen aansluiten. Op dit moment is dit nog onvoldoende bekend zodat [de minderjarige] niet terug kan naar de moeder en de stiefvader. Ook is er geen mogelijkheid meer is voor hem om terug te gaan naar het gezinshuis. Daarom acht de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder noodzakelijk. De kinderrechter hecht er evenwel aan te benadrukken dat er in een zeer korte periode drie wisselingen van verblijfplaats hebben plaatsgevonden, wat zeer belastend kan zijn voor zo’n jonge jongen. De moeder en de stiefvader stellen zich zeer welwillend op en de moeder heeft ter zitting aangegeven dat zij zondermeer bereid zijn om mee te werken aan een intensieve hulpverlening in de thuissituatie om een thuisplaatsing mogelijk te maken. Het is belangrijk dat grondig onderzoek wordt gedaan naar mogelijkheden voor een verblijf van [de minderjarige] binnen de thuissituatie met intensieve hulpverlening, voor wanneer wordt bemerkt dat de overplaatsing naar de woongroep van Youz zo lang gaat duren dat de baten hiervan niet meer opwegen tegen de lasten van het niet thuis wonen. 5.3. Gelet op het voorgaande verleent de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot het einde van de voorlopige ondertoezichtstelling, zijnde tot 1 juli 2026. 5.4.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10774 text/xml public 2026-05-20T10:53:02 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-06 C/09/703953 / JE RK 26-696 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10774 text/html public 2026-05-20T10:52:24 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10774 Rechtbank Den Haag , 06-05-2026 / C/09/703953 / JE RK 26-696 Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing RECHTBANK DEN HAAG Jeugd- en Zorgrecht Zaaknummer: C/09/703953 / JE RK 26-696 Datum uitspraak: 6 mei 2026 Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van Raad voor de Kinderbescherming te Den Haag, hierna te noemen: de Raad, over [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [de minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat mr. mr. L.T.C.M. Geurts uit Den Haag. [de stiefvader] , hierna te noemen: de stiefvader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres; Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden , hierna te noemen: de gecertificeerde instelling. 1 Het verdere verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 23 april 2026 een spoedmachtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 7 mei 2026, met aanhouding van het overige deel van het verzoek. 1.2. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - de beschikking van 23 april 2026 en de hierin genoemde stukken. 1.3. Op 6 mei 2026 heeft de zitting met gesloten deuren plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig: - de moeder met mr. R. Shahbazi te Den Haag, waarnemend voor mr. L.T.C.M. Geurts; - [naam 1] , namens de Raad; - [naam 2] , namens de gecertificeerde instelling. De stiefvader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de stiefvader wel juist is opgeroepen. 2 De feiten 2.1. [de minderjarige] verblijft in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. 2.2. De kinderrechter verwijst voor een weergave van de overige feiten naar de beschikking van 23 april 2026. 3 Het verzoek 3.1. De Raad verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad heeft het verzoek, samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd. 3.2. [de minderjarige] kon door zijn gedragsproblematiek niet langer bij het gezinshuis waar hij verbleef blijven. Volgens de betrokken jeugdbeschermers en gezinshuisouders was zijn gedrag dusdanig heftig dat het ontoelaatbaar is binnen een gezinssetting. Hij moest daarom per direct worden overgeplaatst naar een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. [de minderjarige] verblijft nu op een plek waar gefocust zal worden op stabilisatie zodat uiteindelijk diagnostiek kan plaatsvinden. De vele wisselingen van verblijfplaats zijn evenwel niet wenselijk voor zo’n jonge jongen. Wel zal er een passende plek gezocht worden die dichter is bij de moeder en de stiefvader, zodat het contact tussen het gestimuleerd kan worden. De Raad benadrukt dat er een zeer goede samenwerking is tussen de moeder en de stiefvader en de gecertificeerde instelling en dat zij zich zeer transparant en meewerkend opstellen. In de komende periode zal uitgezocht moeten worden wat de onderliggende oorzaak is van de problematiek van [de minderjarige] , zodat samen met de moeder en de stiefvader onderzocht kan worden wat zij en [de minderjarige] nodig hebben om toe te kunnen werken naar een succesvolle thuisplaatsing. 4 De standpunten 4.1. Er is door en namens de moeder naar voren gebracht dat zij [de minderjarige] erg mist en dat zij het liefst zou willen dat hij weer thuis woont. De moeder heeft op dit moment vrijwel dagelijks videobelcontact met [de minderjarige] . [de minderjarige] geeft hierin aan dat hij graag naar huis wil. De moeder is bereid hiertoe intensieve hulpverlening in de thuissituatie te ontvangen. Wanneer [de minderjarige] wel nog bij de accommodatie van de jeugdhulpaanbieder moet blijven, is het van belang dat er een goed plan wordt opgesteld zodat er nog zo min mogelijk wisselingen in zijn verblijfplaats plaatsvinden. Dit is immers niet wenselijk voor zo’n jonge jongen. 4.2. De gecertificeerde instelling heeft zich achter het verzoek van de Raad geschaard. Er wordt gezien dat [de minderjarige] een lieve jongen is, maar dat zijn gedrag opeens kan escaleren. [de minderjarige] en de mensen om hem heen weten nog niet waar dit gedrag vandaan komt. Binnen het gezinshuis was zijn gedrag echter dermate ontwrichtend dat dit een negatieve weerslag had op de andere kinderen die er verbleven, waardoor hij hier niet kon blijven. [de minderjarige] is nu aangemeld voor een woongroep van Youz waar diagnostiek en passende hulpverlening geboden kan worden. Het is nog onbekend wanneer hij hier terecht zal kunnen, maar de gecertificeerde instelling zet zich ervoor in om dit zo spoedig mogelijk te laten plaatsvinden. Bij Youz kan meer duidelijkheid worden verkregen over wat er speelt bij [de minderjarige] en wat hij nodig heeft. Hiernaast zal de gecertificeerde instelling contact opnemen met de hulpverlening die betrokken was in het vrijwillige kader om erachter te komen welke vormen van hulp al zijn ingezet, om zo mogelijkheden te onderzoeken voor de eventueel nog mogelijke (intensieve) hulpverlening binnen de thuissituatie. 5 De beoordeling 5.1. Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. 5.2. De kinderrechter overweegt daartoe dat uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht blijkt dat er grote zorgen bestaan over het gedrag en de problematiek van [de minderjarige] en over het feit dat nog niet bekend is bij betrokkenen wat onderliggend is aan deze problematiek. [de minderjarige] kon door zijn problematiek niet langer blijven bij het gezinshuis waar hij verbleef en is overgeplaatst naar een observatieplek. Gezien wordt dat dit op dit moment de beste plek voor hem is. In de komende periode zal worden gefocust op stabilisatie en, wanneer mogelijk, op diagnostiek. De kinderrechter vindt het belangrijk dat duidelijk wordt wat er speelt bij [de minderjarige] en wat hij nodig heeft zodat de moeder en stiefvader in de thuissituatie op een passende manier bij [de minderjarige] kunnen aansluiten. Op dit moment is dit nog onvoldoende bekend zodat [de minderjarige] niet terug kan naar de moeder en de stiefvader. Ook is er geen mogelijkheid meer is voor hem om terug te gaan naar het gezinshuis. Daarom acht de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder noodzakelijk. De kinderrechter hecht er evenwel aan te benadrukken dat er in een zeer korte periode drie wisselingen van verblijfplaats hebben plaatsgevonden, wat zeer belastend kan zijn voor zo’n jonge jongen. De moeder en de stiefvader stellen zich zeer welwillend op en de moeder heeft ter zitting aangegeven dat zij zondermeer bereid zijn om mee te werken aan een intensieve hulpverlening in de thuissituatie om een thuisplaatsing mogelijk te maken. Het is belangrijk dat grondig onderzoek wordt gedaan naar mogelijkheden voor een verblijf van [de minderjarige] binnen de thuissituatie met intensieve hulpverlening, voor wanneer wordt bemerkt dat de overplaatsing naar de woongroep van Youz zo lang gaat duren dat de baten hiervan niet meer opwegen tegen de lasten van het niet thuis wonen. 5.3. Gelet op het voorgaande verleent de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot het einde van de voorlopige ondertoezichtstelling, zijnde tot 1 juli 2026. 5.4.