Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-09
ECLI:NL:RBDHA:2026:10738
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Voorlopige voorziening
2,368 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10738 text/xml public 2026-05-20T10:14:08 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-09 SGR 26/1481 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10738 text/html public 2026-05-19T15:51:34 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10738 Rechtbank Den Haag , 09-04-2026 / SGR 26/1481 Verzoek voorlopige voorziening kennelijk ongegrond nu niet is gebleken dat sprake is van een spoedeisend belang. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 26/1481 uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 april 2026 in de zaak tussen [naam], uit [woonplaats], verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van Leiden, het college (gemachtigde: mr. W.A. Kremer). Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de verlaging van zijn bijstandsuitkering. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 1.1. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. 1.2. Met het bestreden besluit van 9 februari 2026 (bestreden besluit 1) heeft het college verzoeker meegedeeld dat zijn bijstandsuitkering naar de norm van gehuwden wordt verlaagd met 100% gedurende de periode van 1 februari 2026 tot en met 30 april 2026. Verzoeker heeft hiertegen op 17 februari 2026 bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. 1.3. Het college heeft op 23 februari 2025 een verweerschrift ingediend en meegedeeld dat het bestreden besluit 1 met een besluit van 23 februari 2026 (bestreden besluit 2) is ingetrokken. De maatregel is niet correct geformuleerd in het bestreden besluit 1. Bij het bestreden besluit 2 is aan verzoeker meegedeeld dat zijn bijstandsuitkering voor de duur van één maand wordt verlaagd met 100%, verdeeld over drie maanden. Gelet daarop stelt het college dat het spoedeisend belang is komen te vervallen. 1.4. Bij brieven 27 februari 2026 en 10 maart 2026 heeft de rechtbank verzoeker verzocht om binnen een week aan te geven of bestreden besluit 2 aanleiding geeft om het verzoek om een voorlopige voorziening in te trekken en zo nee, de reden daarvoor aan te geven. Verzoeker heeft niet gereageerd. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist. Het is aan verzoeker om aannemelijk te maken dat hij een spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening. Er is sprake van een spoedeisend belang als aannemelijk is dat het bestreden besluit leidt tot een dreigende noodsituatie of dreigende onomkeerbare gevolgen voor verzoeker, waardoor de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs niet kan worden afgewacht. 3. Verzoeker heeft desgevraagd niet toegelicht wat maakt dat hij de behandeling van het bezwaar tegen de verlaging van zijn bijstand niet af kan wachten. 4. De voorzieningenrechter ziet verder geen reden om aan te nemen dat het bestreden besluit 2 leidt tot een dreigende (financiële) noodsituatie. Uit dit besluit volgt dat het college de verlaging van 100% voor de duur van een maand heeft verdeeld over drie maanden en dat de verlaging in gaat op 1 februari 2026 en eindigt op 30 april 2026. Per maand komt dit neer op een verlaging van de uitkering met 33,33% gedurende die periode. De voorzieningenrechter ziet geen reden om aan te nemen dat verzoeker hierdoor in een noodsituatie komt te verkeren. Daarbij komt dat verzoeker ook maandelijks toeslagen ontvangt van de Belastingdienst. Uit de door verzoeker overgelegde bankafschriften blijkt dat verzoeker op 20 februari 2026 € 636,- heeft ontvangen aan toeslagen en zijn partner € 645,-. Conclusie en gevolgen 5. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Bronsveld, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10738 text/xml public 2026-05-20T10:14:08 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-09 SGR 26/1481 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10738 text/html public 2026-05-19T15:51:34 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10738 Rechtbank Den Haag , 09-04-2026 / SGR 26/1481 Verzoek voorlopige voorziening kennelijk ongegrond nu niet is gebleken dat sprake is van een spoedeisend belang. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 26/1481 uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 april 2026 in de zaak tussen [naam], uit [woonplaats], verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van Leiden, het college (gemachtigde: mr. W.A. Kremer). Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de verlaging van zijn bijstandsuitkering. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 1.1. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. 1.2. Met het bestreden besluit van 9 februari 2026 (bestreden besluit 1) heeft het college verzoeker meegedeeld dat zijn bijstandsuitkering naar de norm van gehuwden wordt verlaagd met 100% gedurende de periode van 1 februari 2026 tot en met 30 april 2026. Verzoeker heeft hiertegen op 17 februari 2026 bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. 1.3. Het college heeft op 23 februari 2025 een verweerschrift ingediend en meegedeeld dat het bestreden besluit 1 met een besluit van 23 februari 2026 (bestreden besluit 2) is ingetrokken. De maatregel is niet correct geformuleerd in het bestreden besluit 1. Bij het bestreden besluit 2 is aan verzoeker meegedeeld dat zijn bijstandsuitkering voor de duur van één maand wordt verlaagd met 100%, verdeeld over drie maanden. Gelet daarop stelt het college dat het spoedeisend belang is komen te vervallen. 1.4. Bij brieven 27 februari 2026 en 10 maart 2026 heeft de rechtbank verzoeker verzocht om binnen een week aan te geven of bestreden besluit 2 aanleiding geeft om het verzoek om een voorlopige voorziening in te trekken en zo nee, de reden daarvoor aan te geven. Verzoeker heeft niet gereageerd. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist. Het is aan verzoeker om aannemelijk te maken dat hij een spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening. Er is sprake van een spoedeisend belang als aannemelijk is dat het bestreden besluit leidt tot een dreigende noodsituatie of dreigende onomkeerbare gevolgen voor verzoeker, waardoor de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs niet kan worden afgewacht. 3. Verzoeker heeft desgevraagd niet toegelicht wat maakt dat hij de behandeling van het bezwaar tegen de verlaging van zijn bijstand niet af kan wachten. 4. De voorzieningenrechter ziet verder geen reden om aan te nemen dat het bestreden besluit 2 leidt tot een dreigende (financiële) noodsituatie. Uit dit besluit volgt dat het college de verlaging van 100% voor de duur van een maand heeft verdeeld over drie maanden en dat de verlaging in gaat op 1 februari 2026 en eindigt op 30 april 2026. Per maand komt dit neer op een verlaging van de uitkering met 33,33% gedurende die periode. De voorzieningenrechter ziet geen reden om aan te nemen dat verzoeker hierdoor in een noodsituatie komt te verkeren. Daarbij komt dat verzoeker ook maandelijks toeslagen ontvangt van de Belastingdienst. Uit de door verzoeker overgelegde bankafschriften blijkt dat verzoeker op 20 februari 2026 € 636,- heeft ontvangen aan toeslagen en zijn partner € 645,-. Conclusie en gevolgen 5. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Bronsveld, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.