Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-26
ECLI:NL:RBDHA:2026:10735
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Voorlopige voorziening
3,140 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10735 text/xml public 2026-05-20T10:20:12 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-26 SGR 26/1629 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10735 text/html public 2026-05-19T16:06:09 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10735 Rechtbank Den Haag , 26-03-2026 / SGR 26/1629 Verzoek voorlopige voorziening kennelijk ongegrond nu niet is gebleken dat sprake is van een spoedeisend belang. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 26/1629 uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 maart 2026 in de zaak tussen [naam], uit [woonplaats 1], verzoekster en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv ([gemachtigde]). Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen het besluit van 12 januari 2026. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 1.1. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. 1.2. Het Uwv heeft in het besluit van 12 januari 2026 het bezwaar tegen de beslissing van 15 mei 2025 over het niet toekennen van een WIA-uitkering niet-ontvankelijk verklaard, omdat verzoekster haar bezwaar te laat heeft ingediend. 1.3. Verzoekster verzoekt de voorzieningenrechter het Uwv op te dragen een voorschot te verstrekken, althans een tijdelijke financiële voorziening te treffen, totdat definitief op haar beroep is beslist. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft. 3. Volgens verzoekster is er sprake van een spoedeisend belang omdat zij sinds het wegvallen van haar uitkering niet beschikt over structureel inkomen terwijl vaste lasten blijven doorlopen. Binnen haar huishouden is er geen financiële ruimte om dit langdurig op te vangen. Haar partner is zelfstandig ondernemer en valt onder de kleineondernemersregeling. Zijn inkomen is beperkt en onvoldoende om ook haar vaste lasten te dragen. Daarnaast hebben de voortdurende onzekerheid en de complexe procedure een zware impact op haar gezondheid. Zij geeft aan dat zij nog geen bijstandsaanvraag heeft ingediend omdat zij zich in een lopende procedure tegen het Uwv bevindt en van mening is dat haar inkomensrecht binnen het Uwv valt. Daarnaast is zij door haar huidige belastbaarheid beperkt in staat om een nieuwe uitgebreide aanvraagprocedure te starten. 3.1. Verzoekster heeft ten aanzien van haar financiële situatie een deel van een email over een betalingsregeling belastingen van 26 februari 2026 overgelegd waaruit volgt dat de achterstand in de betalingsregeling tot op heden niet is betaald, dat de betalingsregeling wordt ingetrokken en dat binnenkort een dwanginvordering gestart zal worden. Daarnaast heeft zij een stuk van een gerechtsdeurwaarder van 6 januari 2026 overgelegd waaruit volgt dat een nieuwe betaalachterstand van € 769,- van Stad Holland zorgverzekeraar aan het dossier is toegevoegd. Uit een brief van Stad Holland zorgverzekeraar van 14 januari 2026 volgt dat Stad Holland zorgverzekeraar verzoekster heeft aangemeld bij het CAK vanwege de premieachterstand. Ten slotte heeft zij een brief van de gemeente [woonplaats 2] van 29 april 2025 bijgevoegd waarin zij in de gelegenheid wordt gesteld om het nog openstaande bedrag aan gemeentelijke belastingen 2024 en 2025, totaal ter hoogte van € 845,51, te voldoen in 12 termijnen. 4. Verweerder geeft aan dat niet is gebleken van een acute financiële noodsituatie omdat verzoekster haar stelling niet heeft onderbouwd met nadere stukken. Uit de polisadministratie blijkt niet dat zij zich tot de gemeente heeft gewend voor een bijstandsuitkering. Verder heeft zij geen inzage gegeven in de overige gezinsinkomsten. 5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat hieruit niet volgt dat sprake is van een spoedeisend belang. Weliswaar heeft verzoekster een aantal stukken overgelegd waaruit volgt dat er betalingsachterstanden zijn en dat er betalingsregelingen zijn afgesproken, maar tegelijkertijd geeft zij aan dat haar partner zelfstandig ondernemer is. Dat haar partner naar eigen zeggen onder de (vrijwillige) kleineondernemersregeling valt maakt dit niet anders omdat dit enkel betekent dat haar partner geen btw doorberekent aan klanten en geen btw-aangifte doet als de omzet onder de € 20.000,- is per kalenderjaar. Los daarvan is evenmin gebleken dat verzoekster vanwege haar financiële situatie een aanvraag heeft gedaan voor een bijstandsuitkering en dat deze (op welke grondslag dan ook) is afgewezen. Verzoekster heeft hiermee niet inzichtelijk gemaakt dat sprake is van een acute financiële noodsituatie die middels deze procedure zou moeten worden opgelost. Conclusie en gevolgen 6. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Bronsveld, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10735 text/xml public 2026-05-20T10:20:12 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-26 SGR 26/1629 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10735 text/html public 2026-05-19T16:06:09 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10735 Rechtbank Den Haag , 26-03-2026 / SGR 26/1629 Verzoek voorlopige voorziening kennelijk ongegrond nu niet is gebleken dat sprake is van een spoedeisend belang. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 26/1629 uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 maart 2026 in de zaak tussen [naam], uit [woonplaats 1], verzoekster en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv ([gemachtigde]). Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen het besluit van 12 januari 2026. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 1.1. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. 1.2. Het Uwv heeft in het besluit van 12 januari 2026 het bezwaar tegen de beslissing van 15 mei 2025 over het niet toekennen van een WIA-uitkering niet-ontvankelijk verklaard, omdat verzoekster haar bezwaar te laat heeft ingediend. 1.3. Verzoekster verzoekt de voorzieningenrechter het Uwv op te dragen een voorschot te verstrekken, althans een tijdelijke financiële voorziening te treffen, totdat definitief op haar beroep is beslist. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft. 3. Volgens verzoekster is er sprake van een spoedeisend belang omdat zij sinds het wegvallen van haar uitkering niet beschikt over structureel inkomen terwijl vaste lasten blijven doorlopen. Binnen haar huishouden is er geen financiële ruimte om dit langdurig op te vangen. Haar partner is zelfstandig ondernemer en valt onder de kleineondernemersregeling. Zijn inkomen is beperkt en onvoldoende om ook haar vaste lasten te dragen. Daarnaast hebben de voortdurende onzekerheid en de complexe procedure een zware impact op haar gezondheid. Zij geeft aan dat zij nog geen bijstandsaanvraag heeft ingediend omdat zij zich in een lopende procedure tegen het Uwv bevindt en van mening is dat haar inkomensrecht binnen het Uwv valt. Daarnaast is zij door haar huidige belastbaarheid beperkt in staat om een nieuwe uitgebreide aanvraagprocedure te starten. 3.1. Verzoekster heeft ten aanzien van haar financiële situatie een deel van een email over een betalingsregeling belastingen van 26 februari 2026 overgelegd waaruit volgt dat de achterstand in de betalingsregeling tot op heden niet is betaald, dat de betalingsregeling wordt ingetrokken en dat binnenkort een dwanginvordering gestart zal worden. Daarnaast heeft zij een stuk van een gerechtsdeurwaarder van 6 januari 2026 overgelegd waaruit volgt dat een nieuwe betaalachterstand van € 769,- van Stad Holland zorgverzekeraar aan het dossier is toegevoegd. Uit een brief van Stad Holland zorgverzekeraar van 14 januari 2026 volgt dat Stad Holland zorgverzekeraar verzoekster heeft aangemeld bij het CAK vanwege de premieachterstand. Ten slotte heeft zij een brief van de gemeente [woonplaats 2] van 29 april 2025 bijgevoegd waarin zij in de gelegenheid wordt gesteld om het nog openstaande bedrag aan gemeentelijke belastingen 2024 en 2025, totaal ter hoogte van € 845,51, te voldoen in 12 termijnen. 4. Verweerder geeft aan dat niet is gebleken van een acute financiële noodsituatie omdat verzoekster haar stelling niet heeft onderbouwd met nadere stukken. Uit de polisadministratie blijkt niet dat zij zich tot de gemeente heeft gewend voor een bijstandsuitkering. Verder heeft zij geen inzage gegeven in de overige gezinsinkomsten. 5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat hieruit niet volgt dat sprake is van een spoedeisend belang. Weliswaar heeft verzoekster een aantal stukken overgelegd waaruit volgt dat er betalingsachterstanden zijn en dat er betalingsregelingen zijn afgesproken, maar tegelijkertijd geeft zij aan dat haar partner zelfstandig ondernemer is. Dat haar partner naar eigen zeggen onder de (vrijwillige) kleineondernemersregeling valt maakt dit niet anders omdat dit enkel betekent dat haar partner geen btw doorberekent aan klanten en geen btw-aangifte doet als de omzet onder de € 20.000,- is per kalenderjaar. Los daarvan is evenmin gebleken dat verzoekster vanwege haar financiële situatie een aanvraag heeft gedaan voor een bijstandsuitkering en dat deze (op welke grondslag dan ook) is afgewezen. Verzoekster heeft hiermee niet inzichtelijk gemaakt dat sprake is van een acute financiële noodsituatie die middels deze procedure zou moeten worden opgelost. Conclusie en gevolgen 6. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Bronsveld, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.