Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-03-12
ECLI:NL:RBDHA:2026:10729
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,963 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10729 text/xml public 2026-05-20T10:28:35 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-12 SGR 26/129 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10729 text/html public 2026-05-19T16:13:41 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10729 Rechtbank Den Haag , 12-03-2026 / SGR 26/129 Beroep niet tijdig beslissen (ntb) in medische zaak van het Uwv, gegrond; samenhangende zaken; 8:55d lid 3 Awb: beslistermijn negen weken. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 26/129 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2026 in de zaak tussen Zeeman textielSupers B.V., uit Alphen aan den Rijn, eiseres ([gemachtigde 1]), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , het Uwv ([gemachtigde 2]). Inleiding 1. [naam], (ex-)werkneemster van eiseres, ontvangt een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Op 22 juli 2025 heeft eiseres verzocht om een herbeoordeling van het recht van de (ex-)werkneemster op deze WIA-uitkering. 1.1. Eiseres heeft op 6 januari 2026 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op het herbeoordelingsverzoek. 1.2. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. 1.3. Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de termijn om te beslissen op het herbeoordelingsverzoek is overschreden. Eiseres heeft het Uwv op 13 oktober 2025 in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv op 14 oktober 2025 zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het herbeoordelingsverzoek. Het beroep is daarom gegrond. 3. Het Uwv heeft op 16 december 2025 een dwangsombeslissing genomen, waarin aan eiseres een dwangsom van € 1.442,- is toegekend. 4. Omdat het Uwv nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het Uwv dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. 4.1. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om het Uwv op te dragen binnen negen weken een besluit bekend te maken. 4.2. Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de beslistermijn is overschreden omdat het Uwv kampt met een groot tekort aan verzekeringsartsen. 4.3. De rechtbank is van oordeel dat in dit soort zaken waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025. In het kort komt het erop neer dat de rechtbank bij haar oordeel dat sprake is van een bijzonder geval met name gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is en dat al geruime tijd sprake is van tekorten aan verzekeringsartsen bij het Uwv waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald. 4.4. In twee uitspraken van 31 maart 2025 heeft de rechtbank bepaald dat in beroepen tegen het uitblijven van beslissingen van het Uwv waarin een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten, bijvoorbeeld een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een beslissing te nemen. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak. 4.5. Indien het Uwv blijkens de dossierstukken of het verweerschrift ten tijde van de uitspraak de medische beoordeling al op een spreekuurcontact, hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of voor dossieronderzoek heeft gepland op een bepaalde datum, dan geldt dat de termijn van negen weken na de dag van verzending van de uitspraak wordt bekort, waarbij rekening wordt gehouden met de al geplande datum voor het medisch onderzoek. Het Uwv krijgt in ieder geval de wettelijke termijn van minimaal twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot de individuele situatie aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijnen. 5. Het Uwv verzoekt de rechtbank om bij het bepalen van de beslistermijn de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 30 juli 2025 in overweging te nemen. Volgens die rechtbank dient het Uwv in dit soort zaken alsnog een besluit bekend te maken binnen 30 weken bij een werknemersberoep en binnen 40 weken bij een werkgeversberoep, gerekend vanaf de datum waarop de rechtbank het beroepschrift tegen het niet tijdig beslissen heeft ontvangen. Eiseres verzoekt juist om aan te sluiten bij de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025. 5.1. Het Uwv heeft niet nader onderbouwd of toegelicht waarom de omstandigheden omtrent het artsentekort van dien aard zijn dat de rechtbank zou moeten afwijken van de beslistermijn die zij in haar uitspraken van 31 maart 2025 heeft bepaald. In die uitspraken woog de rechtbank immers ook de omstandigheid van het artsentekort mee. De rechtbank ziet dus geen aanleiding om af te wijken van de hierboven beschreven beslistermijnen. 5.2. In dit beroep geeft het Uwv in het verweerschrift aan dat nog niet kan worden aangegeven op welke termijn een beslissing op de aanvraag van eiseres zal worden genomen. Het is de rechtbank niet gebleken dat bekend is wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak. 6. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om een gerechtelijke dwangsom op te leggen. De rechtbank stelt vast dat een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- in overeenstemming is met het landelijke beleid van de rechtbanken hierover. De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit dossier van dit beleid af te wijken. De rechtbank zal bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. 7. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden. 8. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiseres gemaakte proceskosten. De rechtbank beschouwt de zaken met zaaknummer SGR 25/8754, SGR 25/9047, SGR 25/9098, SGR 25/9229, SGR 25/9274, SGR 25/9275, SGR 26/123, SGR 26/128, SGR 26/129 en SGR 26/9277 als samenhangend in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10729 text/xml public 2026-05-20T10:28:35 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-12 SGR 26/129 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10729 text/html public 2026-05-19T16:13:41 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10729 Rechtbank Den Haag , 12-03-2026 / SGR 26/129 Beroep niet tijdig beslissen (ntb) in medische zaak van het Uwv, gegrond; samenhangende zaken; 8:55d lid 3 Awb: beslistermijn negen weken. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 26/129 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2026 in de zaak tussen Zeeman textielSupers B.V., uit Alphen aan den Rijn, eiseres ([gemachtigde 1]), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , het Uwv ([gemachtigde 2]). Inleiding 1. [naam], (ex-)werkneemster van eiseres, ontvangt een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Op 22 juli 2025 heeft eiseres verzocht om een herbeoordeling van het recht van de (ex-)werkneemster op deze WIA-uitkering. 1.1. Eiseres heeft op 6 januari 2026 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op het herbeoordelingsverzoek. 1.2. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. 1.3. Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de termijn om te beslissen op het herbeoordelingsverzoek is overschreden. Eiseres heeft het Uwv op 13 oktober 2025 in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv op 14 oktober 2025 zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het herbeoordelingsverzoek. Het beroep is daarom gegrond. 3. Het Uwv heeft op 16 december 2025 een dwangsombeslissing genomen, waarin aan eiseres een dwangsom van € 1.442,- is toegekend. 4. Omdat het Uwv nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het Uwv dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. 4.1. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om het Uwv op te dragen binnen negen weken een besluit bekend te maken. 4.2. Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de beslistermijn is overschreden omdat het Uwv kampt met een groot tekort aan verzekeringsartsen. 4.3. De rechtbank is van oordeel dat in dit soort zaken waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025. In het kort komt het erop neer dat de rechtbank bij haar oordeel dat sprake is van een bijzonder geval met name gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is en dat al geruime tijd sprake is van tekorten aan verzekeringsartsen bij het Uwv waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald. 4.4. In twee uitspraken van 31 maart 2025 heeft de rechtbank bepaald dat in beroepen tegen het uitblijven van beslissingen van het Uwv waarin een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten, bijvoorbeeld een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een beslissing te nemen. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak. 4.5. Indien het Uwv blijkens de dossierstukken of het verweerschrift ten tijde van de uitspraak de medische beoordeling al op een spreekuurcontact, hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of voor dossieronderzoek heeft gepland op een bepaalde datum, dan geldt dat de termijn van negen weken na de dag van verzending van de uitspraak wordt bekort, waarbij rekening wordt gehouden met de al geplande datum voor het medisch onderzoek. Het Uwv krijgt in ieder geval de wettelijke termijn van minimaal twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot de individuele situatie aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijnen. 5. Het Uwv verzoekt de rechtbank om bij het bepalen van de beslistermijn de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 30 juli 2025 in overweging te nemen. Volgens die rechtbank dient het Uwv in dit soort zaken alsnog een besluit bekend te maken binnen 30 weken bij een werknemersberoep en binnen 40 weken bij een werkgeversberoep, gerekend vanaf de datum waarop de rechtbank het beroepschrift tegen het niet tijdig beslissen heeft ontvangen. Eiseres verzoekt juist om aan te sluiten bij de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025. 5.1. Het Uwv heeft niet nader onderbouwd of toegelicht waarom de omstandigheden omtrent het artsentekort van dien aard zijn dat de rechtbank zou moeten afwijken van de beslistermijn die zij in haar uitspraken van 31 maart 2025 heeft bepaald. In die uitspraken woog de rechtbank immers ook de omstandigheid van het artsentekort mee. De rechtbank ziet dus geen aanleiding om af te wijken van de hierboven beschreven beslistermijnen. 5.2. In dit beroep geeft het Uwv in het verweerschrift aan dat nog niet kan worden aangegeven op welke termijn een beslissing op de aanvraag van eiseres zal worden genomen. Het is de rechtbank niet gebleken dat bekend is wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak. 6. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om een gerechtelijke dwangsom op te leggen. De rechtbank stelt vast dat een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- in overeenstemming is met het landelijke beleid van de rechtbanken hierover. De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit dossier van dit beleid af te wijken. De rechtbank zal bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. 7. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden. 8. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiseres gemaakte proceskosten. De rechtbank beschouwt de zaken met zaaknummer SGR 25/8754, SGR 25/9047, SGR 25/9098, SGR 25/9229, SGR 25/9274, SGR 25/9275, SGR 26/123, SGR 26/128, SGR 26/129 en SGR 26/9277 als samenhangend in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).