Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-05-06
ECLI:NL:RBDHA:2026:10682
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
3,417 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10682 text/xml public 2026-05-08T17:00:33 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-06 NL26.12573 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10682 text/html public 2026-05-06T14:37:39 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10682 Rechtbank Den Haag , 06-05-2026 / NL26.12573 Regulier; mvv; Turkije; voorlopige voorziening; 8 evrm; moeder; bijkomende elementen van afhankelijkheid; zorg; medisch; geen zwaarwegend spoedeisend belang; verzoek afgewezen. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.12573 uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 mei 2026 in de zaak tussen [verzoekster], v-nummer: [nummer], verzoekster (gemachtigde: mr. S.T.C. Rebergen), en de minister van Asiel en Migratie (gemachtigde: mr. R.S. Helmus). Procesverloop 1. Referent heeft namens verzoekster een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 4 februari 2026 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 1.1. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de voorzieningenrechter Inleiding 2. Verzoekster heeft de Syrische nationaliteit. Zij is de moeder van referent, die in Nederland verblijft en een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft. Verzoekster verblijft op dit moment in Turkije, samen met de echtgenote en dochter van referent. Referent heeft namens hen mvv-aanvragen ingediend, zodat zij allen bij hem in Nederland kunnen verblijven als familie- of gezinslid. 2.1. De minister heeft de verzochte mvv’s voor de echtgenote en dochter van referent verleend. De minister heeft de mvv-aanvraag van verzoekster afgewezen, omdat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen verzoekster en referent of zijn echtgenote. Ook is er volgens de minister geen sprake van hechte persoonlijke banden tussen verzoekster en de dochter van referent. 2.2. Hierop heeft verzoekster bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van haar aanvraag en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, waarbij zij de voorzieningenrechter primair verzoekt om te bepalen dat zij gedurende de bezwaarprocedure wordt beschouwd als ware zij in het bezit van een mvv. Subsidiair verzoekt zij de voorzieningenrechter om de minister op te dragen uiterlijk 15 juli 2026 op het bezwaar te beslissen. 2.3. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het primaire verzoek geen voorlopig karakter heeft. Toewijzing zou immers betekenen dat verzoekster Nederland kan inreizen, zodat de feitelijke situatie ontstaat die zij met haar aanvraag beoogt, terwijl de minister nog niet op het bezwaar heeft beslist. De gevolgen van toewijzing van het primaire verzoek zijn dan ook onomkeerbaar. Alleen in zeer bijzondere omstandigheden zal een dergelijk verzoek voor toewijzing in aanmerking komen, namelijk in die gevallen waarin de nadelige gevolgen voor verzoekster van de afwijzing van de aanvraag in verhouding tot de belangen van de minister bij de handhaving van die afwijzing zo onevenredig zijn dat de beslissing op het bezwaarschrift niet kan worden afgewacht. Daarvan is in beginsel alleen sprake als een zwaarwegend spoedeisend belang daartoe noodzaakt en sterk getwijfeld moet worden aan de rechtmatigheid van het besluit. Is sprake van een (zwaarwegend) spoedeisend belang? 3. Volgens verzoekster is het spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen gelegen in het feit dat de echtgenote en dochter van referent binnen enkele maanden gebruik moeten maken van de aan hen verleende mvv’s en naar Nederland moeten reizen, terwijl verzoekster onmogelijk alleen in Turkije kan achterblijven. Verzoekster is namelijk afhankelijk van referent en zijn gezin. Verzoekster wijst op het door haar overgelegde medische rapport en een verklaring van een stichting die verzoekster en de echtgenote en dochter van referent in Turkije ondersteunt. Daarmee is volgens verzoekster aannemelijk gemaakt dat zij in verband met haar gezondheid niet in staat is om zelfstandig te functioneren en dat zij aangewezen is op zorg en ondersteuning in het dagelijks leven. 3.1. Hoewel de wens van referent en zijn echtgenote om in Nederland voor verzoekster te kunnen zorgen zeer begrijpelijk is, is de voorzieningenrechter van oordeel dat er geen sprake is van een (zwaarwegend) spoedeisend belang. Met de stukken die verzoekster heeft overgelegd, heeft zij vooralsnog onvoldoende onderbouwd waarom het noodzakelijk is dat juist referent en zijn echtgenote haar moeten verzorgen. Uit het overgelegde medische rapport blijkt weliswaar dat verzoekster een zorgbehoefte heeft, maar blijkt onvoldoende waar die zorgbehoefte uit bestaat. Zo staat in het rapport dat verzoekster haar dagelijkse werkzaamheden niet kan verrichten, maar wordt dit niet nader toegelicht. Daarnaast wordt in het rapport benoemd dat verzoekster behoefte heeft aan ondersteuning door de familie, maar wordt niet toegelicht waar die ondersteuning uit zou moeten bestaan. Het is op basis van de overgelegde stukken dan ook onduidelijk welke zorg verzoekster concreet nodig heeft en of zij afhankelijk is van specifieke zorg van referent en zijn echtgenote om zelfstandig te kunnen functioneren. De minister heeft er ook terecht op gewezen dat onduidelijk is of er in Turkije een reëel zorgalternatief is. Uit de door verzoekster overgelegde verklaring van een stichting in Turkije volgt dat verzoekster en de echtgenote en dochter van referent sinds 2020 door deze stichting worden ondersteund in hun dagelijkse behoeften. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze zorg, bij vertrek van de echtgenote en dochter van referent naar Nederland, niet zou kunnen worden voortgezet of zo nodig uitgebreid. 3.2. Gelet op het voorgaande komt de voorzieningenrechter niet toe aan een voorlopig rechtmatigheidsoordeel. De overige door verzoekster aangevoerde argumenten gericht tegen het primaire besluit zullen daarom niet worden besproken. Dit zal bij de beoordeling van het bezwaar aan de orde komen. Conclusie en gevolgen 4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10682 text/xml public 2026-05-08T17:00:33 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-06 NL26.12573 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10682 text/html public 2026-05-06T14:37:39 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10682 Rechtbank Den Haag , 06-05-2026 / NL26.12573 Regulier; mvv; Turkije; voorlopige voorziening; 8 evrm; moeder; bijkomende elementen van afhankelijkheid; zorg; medisch; geen zwaarwegend spoedeisend belang; verzoek afgewezen. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.12573 uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 mei 2026 in de zaak tussen [verzoekster], v-nummer: [nummer], verzoekster (gemachtigde: mr. S.T.C. Rebergen), en de minister van Asiel en Migratie (gemachtigde: mr. R.S. Helmus). Procesverloop 1. Referent heeft namens verzoekster een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 4 februari 2026 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 1.1. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de voorzieningenrechter Inleiding 2. Verzoekster heeft de Syrische nationaliteit. Zij is de moeder van referent, die in Nederland verblijft en een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft. Verzoekster verblijft op dit moment in Turkije, samen met de echtgenote en dochter van referent. Referent heeft namens hen mvv-aanvragen ingediend, zodat zij allen bij hem in Nederland kunnen verblijven als familie- of gezinslid. 2.1. De minister heeft de verzochte mvv’s voor de echtgenote en dochter van referent verleend. De minister heeft de mvv-aanvraag van verzoekster afgewezen, omdat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen verzoekster en referent of zijn echtgenote. Ook is er volgens de minister geen sprake van hechte persoonlijke banden tussen verzoekster en de dochter van referent. 2.2. Hierop heeft verzoekster bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van haar aanvraag en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, waarbij zij de voorzieningenrechter primair verzoekt om te bepalen dat zij gedurende de bezwaarprocedure wordt beschouwd als ware zij in het bezit van een mvv. Subsidiair verzoekt zij de voorzieningenrechter om de minister op te dragen uiterlijk 15 juli 2026 op het bezwaar te beslissen. 2.3. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het primaire verzoek geen voorlopig karakter heeft. Toewijzing zou immers betekenen dat verzoekster Nederland kan inreizen, zodat de feitelijke situatie ontstaat die zij met haar aanvraag beoogt, terwijl de minister nog niet op het bezwaar heeft beslist. De gevolgen van toewijzing van het primaire verzoek zijn dan ook onomkeerbaar. Alleen in zeer bijzondere omstandigheden zal een dergelijk verzoek voor toewijzing in aanmerking komen, namelijk in die gevallen waarin de nadelige gevolgen voor verzoekster van de afwijzing van de aanvraag in verhouding tot de belangen van de minister bij de handhaving van die afwijzing zo onevenredig zijn dat de beslissing op het bezwaarschrift niet kan worden afgewacht. Daarvan is in beginsel alleen sprake als een zwaarwegend spoedeisend belang daartoe noodzaakt en sterk getwijfeld moet worden aan de rechtmatigheid van het besluit. Is sprake van een (zwaarwegend) spoedeisend belang? 3. Volgens verzoekster is het spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen gelegen in het feit dat de echtgenote en dochter van referent binnen enkele maanden gebruik moeten maken van de aan hen verleende mvv’s en naar Nederland moeten reizen, terwijl verzoekster onmogelijk alleen in Turkije kan achterblijven. Verzoekster is namelijk afhankelijk van referent en zijn gezin. Verzoekster wijst op het door haar overgelegde medische rapport en een verklaring van een stichting die verzoekster en de echtgenote en dochter van referent in Turkije ondersteunt. Daarmee is volgens verzoekster aannemelijk gemaakt dat zij in verband met haar gezondheid niet in staat is om zelfstandig te functioneren en dat zij aangewezen is op zorg en ondersteuning in het dagelijks leven. 3.1. Hoewel de wens van referent en zijn echtgenote om in Nederland voor verzoekster te kunnen zorgen zeer begrijpelijk is, is de voorzieningenrechter van oordeel dat er geen sprake is van een (zwaarwegend) spoedeisend belang. Met de stukken die verzoekster heeft overgelegd, heeft zij vooralsnog onvoldoende onderbouwd waarom het noodzakelijk is dat juist referent en zijn echtgenote haar moeten verzorgen. Uit het overgelegde medische rapport blijkt weliswaar dat verzoekster een zorgbehoefte heeft, maar blijkt onvoldoende waar die zorgbehoefte uit bestaat. Zo staat in het rapport dat verzoekster haar dagelijkse werkzaamheden niet kan verrichten, maar wordt dit niet nader toegelicht. Daarnaast wordt in het rapport benoemd dat verzoekster behoefte heeft aan ondersteuning door de familie, maar wordt niet toegelicht waar die ondersteuning uit zou moeten bestaan. Het is op basis van de overgelegde stukken dan ook onduidelijk welke zorg verzoekster concreet nodig heeft en of zij afhankelijk is van specifieke zorg van referent en zijn echtgenote om zelfstandig te kunnen functioneren. De minister heeft er ook terecht op gewezen dat onduidelijk is of er in Turkije een reëel zorgalternatief is. Uit de door verzoekster overgelegde verklaring van een stichting in Turkije volgt dat verzoekster en de echtgenote en dochter van referent sinds 2020 door deze stichting worden ondersteund in hun dagelijkse behoeften. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze zorg, bij vertrek van de echtgenote en dochter van referent naar Nederland, niet zou kunnen worden voortgezet of zo nodig uitgebreid. 3.2. Gelet op het voorgaande komt de voorzieningenrechter niet toe aan een voorlopig rechtmatigheidsoordeel. De overige door verzoekster aangevoerde argumenten gericht tegen het primaire besluit zullen daarom niet worden besproken. Dit zal bij de beoordeling van het bezwaar aan de orde komen. Conclusie en gevolgen 4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.