Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-01-21
ECLI:NL:RBDHA:2026:1063
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL25.58071 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. R.P.M. Ngasirin), en de minister van Asiel en Migratie Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 24 november 2025. De minister heeft in dit besluit bepaald de asielaanvraag van eiser van 28 augustus 2025 niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. 1.1. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden. 3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Totstandkoming van het besluit 4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek geaccepteerd. Interstatelijk vertrouwensbeginsel 5. Eiser betoogt dat de minister voor Duitsland niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Volgens hem zijn de opvangvoorzieningen in Duitsland gebrekkig en voldoen deze niet aan de Opvangrichtlijn. Hierdoor loopt hij het risico om in een situatie terecht te komen die in strijd is artikel 4 van het EU Handvest. Ter onderbouwing verwijst eiser naar verschillende AIDA-rapporten, waaruit blijkt dat de voorzieningen in Duitse opvangcentra niet voldoen aan de basisbehoeften, er een gebrek aan privacy is, dat sprake is van incidenten en aanvallen op asielzoekerscentra en op individuele asielzoekers of vluchtelingen en dat haatmisdrijven tegen asielzoekers zijn toegenomen. Eiser werd niet geholpen in Duitsland toen hij werd lastiggevallen en gechanteerd. Hij heeft hiervan aangifte gedaan bij de politie, maar de politie heeft na de aangifte geen verdere actie ondernomen. Ook wijst eiser erop dat hij in Duitsland geen recht heeft op gratis rechtsbijstand. Tot slot stelt eiser dat terugzending naar Duitsland zal leiden tot indirect refoulement: de kans is groot dat hij bij terugkeer in Duitsland zal worden teruggestuurd naar Tunesië waar hij vreest voor de Tunesische autoriteiten. 5.1. Bij de beoordeling van de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een door een vreemdeling in een van de lidstaten ingediend asielverzoek, mag de minister uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van de vreemdeling in de aangezochte lidstaat in overeenstemming is met de bepalingen van het EU Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Uit artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening en de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt echter dat de minister een vreemdeling niet mag overdragen aan de verantwoordelijke lidstaat als hij niet onkundig kan zijn van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in dat land waardoor de verzoeker een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het EU Handvest. De minister moet bij zijn beoordeling alle informatie betrekken die de verzoeker heeft ingebracht, en ook uit eigen beweging rekening houden met releva