Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-05-04
ECLI:NL:RBDHA:2026:10620
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,148 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10620 text/xml public 2026-05-11T18:00:19 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-04 NL26.23039 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10620 text/html public 2026-05-06T11:05:03 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10620 Rechtbank Den Haag , 04-05-2026 / NL26.23039 Vervolgberoep. 59.1.a. Beroep ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL26.23039 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser gemachtigde: mr. M. Rasul, en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop De minister heeft op 28 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 30 april 2026. Overwegingen 1. Eiser stelt van Gambiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1978. 2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. 3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 18 maart 2026 in de zaak NL26.12944 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 16 maart 2026. 4. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is en dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering. Op 30 september 2025 is er al een laissez passer (lp) aangevraagd. Inmiddels is er al bijna een half jaar verstreken maar is er nog immer geen lp afgegeven. Eiser is al gepresenteerd, maar het blijft echter onduidelijk waarom het zo lang duurt voordat er een lp wordt afgegeven. Er is onvoldoende gerappelleerd sinds het onderzoek in het vorige vervolgberoep is gesloten op 16 maart 2026 en de minister heeft onvoldoende navraag gedaan waarom de Gambiaanse autoriteiten nog niet hebben gereageerd op de lp-aanvraag. Het had volgens eiser op de weg van de minister gelegen om hier navraag na te doen. Ook vinden er onvoldoende vertrekgesprekken plaats. Eiser meent dat niet is gebleken dat de Gambiaanse autoriteiten hem terug willen. Zo heeft de presentatie van eiser bij de ambassade al plaatsgevonden maar is er nog geen lp afgegeven. Eiser meent dat het zicht op uitzetting in zijn geval ontbreekt. 4.1 In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is of dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering uit Nederland. De rechtbank stelt voorop dat in het algemeen zicht op uitzetting naar Gambia binnen een redelijke termijn bestaat. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht die erop wijzen dat het zicht op uitzetting in zijn specifieke geval ontbreekt. Het onderzoek bij de Gambiaanse autoriteiten loopt nog en zij hebben niet te kennen gegeven dat in het geval van eiser geen lp zal worden afgegeven. De minister moet maandelijks uitzettingshandelingen verrichten en het is aan de minister om te bepalen hoe het contact met de desbetreffende ambassade verloopt. Uit de voortgangs-rapportage (M120) blijkt dat de minister regelmatig rappelleert, laatstelijk op 23 april 2026. Van eiser mag worden verwacht dat hij actief en volledig meewerkt aan zijn uitzetting. Dat heeft eiser niet gedaan. Uit het dossier blijkt dat eiser meerdere malen niet is ingegaan op uitnodigingen voor vertrekgesprekken en heeft geweigerd in te stappen voor het vervoer naar de presentatie voor de Gambiaanse ambassade. Eiser is daarom op 14 april 2026 schriftelijk gepresenteerd. Op 30 maart 2026 heeft er een vertrekgesprek plaatsgevonden. Het komt voor rekening en risico van eiser dat de bewaring voortduurt, omdat hij niet aan zijn meewerkplicht voldoet. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet. 5. Eiser voert aan dat de minister met een lichter middel had moeten volstaan. Eiser verblijft inmiddels al bijna vier maanden in vreemdelingenbewaring. Aan eiser zou een meldplicht kunnen worden opgelegd, of eiser zou in een AZC dan wel een VBL kunnen worden geplaatst. Ook eisers medische situatie moet hiertoe aanleiding geven, hij heeft immers last van astma en een hoge bloeddruk. 5.1 Voor de beroepsgrond over het opleggen van een lichter middel verwijst de rechtbank naar haar eerdere uitspraak van 16 december 2025, geregistreerd onder nummer NL25.58594. De rechtbank ziet geen aanleiding daar thans anders over te oordelen en overweegt daarbij dat tot op heden niet is gebleken dat eiser meewerkt aan zijn uitzetting naar Gambia. De beroepsgrond slaagt daarom niet. 6. Ook overigens is niet gebleken dat (het voortduren van) de maatregel van bewaring onrechtmatig is. 7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. H.W.H. Oude Aarninkhof, rechter, in aanwezigheid van H.B. Slot - Akkerman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. ECLI:NL:RVS:2023:3003. ECLI:EU:C:2022:858, ECLI:EU:C:2025:647, ECLI:EU:C:2026:148.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10620 text/xml public 2026-05-11T18:00:19 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-04 NL26.23039 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10620 text/html public 2026-05-06T11:05:03 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10620 Rechtbank Den Haag , 04-05-2026 / NL26.23039 Vervolgberoep. 59.1.a. Beroep ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL26.23039 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser gemachtigde: mr. M. Rasul, en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop De minister heeft op 28 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 30 april 2026. Overwegingen 1. Eiser stelt van Gambiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1978. 2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. 3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 18 maart 2026 in de zaak NL26.12944 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 16 maart 2026. 4. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is en dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering. Op 30 september 2025 is er al een laissez passer (lp) aangevraagd. Inmiddels is er al bijna een half jaar verstreken maar is er nog immer geen lp afgegeven. Eiser is al gepresenteerd, maar het blijft echter onduidelijk waarom het zo lang duurt voordat er een lp wordt afgegeven. Er is onvoldoende gerappelleerd sinds het onderzoek in het vorige vervolgberoep is gesloten op 16 maart 2026 en de minister heeft onvoldoende navraag gedaan waarom de Gambiaanse autoriteiten nog niet hebben gereageerd op de lp-aanvraag. Het had volgens eiser op de weg van de minister gelegen om hier navraag na te doen. Ook vinden er onvoldoende vertrekgesprekken plaats. Eiser meent dat niet is gebleken dat de Gambiaanse autoriteiten hem terug willen. Zo heeft de presentatie van eiser bij de ambassade al plaatsgevonden maar is er nog geen lp afgegeven. Eiser meent dat het zicht op uitzetting in zijn geval ontbreekt. 4.1 In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is of dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering uit Nederland. De rechtbank stelt voorop dat in het algemeen zicht op uitzetting naar Gambia binnen een redelijke termijn bestaat. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht die erop wijzen dat het zicht op uitzetting in zijn specifieke geval ontbreekt. Het onderzoek bij de Gambiaanse autoriteiten loopt nog en zij hebben niet te kennen gegeven dat in het geval van eiser geen lp zal worden afgegeven. De minister moet maandelijks uitzettingshandelingen verrichten en het is aan de minister om te bepalen hoe het contact met de desbetreffende ambassade verloopt. Uit de voortgangs-rapportage (M120) blijkt dat de minister regelmatig rappelleert, laatstelijk op 23 april 2026. Van eiser mag worden verwacht dat hij actief en volledig meewerkt aan zijn uitzetting. Dat heeft eiser niet gedaan. Uit het dossier blijkt dat eiser meerdere malen niet is ingegaan op uitnodigingen voor vertrekgesprekken en heeft geweigerd in te stappen voor het vervoer naar de presentatie voor de Gambiaanse ambassade. Eiser is daarom op 14 april 2026 schriftelijk gepresenteerd. Op 30 maart 2026 heeft er een vertrekgesprek plaatsgevonden. Het komt voor rekening en risico van eiser dat de bewaring voortduurt, omdat hij niet aan zijn meewerkplicht voldoet. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet. 5. Eiser voert aan dat de minister met een lichter middel had moeten volstaan. Eiser verblijft inmiddels al bijna vier maanden in vreemdelingenbewaring. Aan eiser zou een meldplicht kunnen worden opgelegd, of eiser zou in een AZC dan wel een VBL kunnen worden geplaatst. Ook eisers medische situatie moet hiertoe aanleiding geven, hij heeft immers last van astma en een hoge bloeddruk. 5.1 Voor de beroepsgrond over het opleggen van een lichter middel verwijst de rechtbank naar haar eerdere uitspraak van 16 december 2025, geregistreerd onder nummer NL25.58594. De rechtbank ziet geen aanleiding daar thans anders over te oordelen en overweegt daarbij dat tot op heden niet is gebleken dat eiser meewerkt aan zijn uitzetting naar Gambia. De beroepsgrond slaagt daarom niet. 6. Ook overigens is niet gebleken dat (het voortduren van) de maatregel van bewaring onrechtmatig is. 7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. H.W.H. Oude Aarninkhof, rechter, in aanwezigheid van H.B. Slot - Akkerman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. ECLI:NL:RVS:2023:3003. ECLI:EU:C:2022:858, ECLI:EU:C:2025:647, ECLI:EU:C:2026:148.