Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-05-04
ECLI:NL:RBDHA:2026:10529
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Vereenvoudigde behandeling
2,854 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10529 text/xml public 2026-05-04T15:19:23 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-04 NL25.61246, NL26.9748 en NL26.9759 Uitspraak Vereenvoudigde behandeling NL Groningen Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10529 text/html public 2026-05-04T15:19:13 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10529 Rechtbank Den Haag , 04-05-2026 / NL25.61246, NL26.9748 en NL26.9759 BNT Asiel, meerdere BNT ingediend. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummers: NL25.61246, NL26.9748 en NL26.9759 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiseres, V-nummer: [nummer], (gemachtigde: mr. M.R. Verdoner), en de minister van Asiel en Migratie, de minister. Inleiding 1. Deze uitspraak gaat over de beroepen die eiseres heeft ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 17 januari 2025. 1.1. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank stelt vast dat eiseres meerdere beroepen heeft ingediend, omdat de minister niet tijdig zou hebben beslist. Op 15 december 2025 heeft eiseres een beroep niet tijdig beslissen ingediend, dat met kenmerk NL25.61246 is geregistreerd. Op 21 februari 2026 heeft eiseres nog twee beroepen ingediend, die zijn geregistreerd met de kenmerken NL26.9748 en NL26.9759. Is het beroep van 15 december 2025 (NL25.61246) ontvankelijk en kennelijk gegrond? 3. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn om op de aanvraag te beslissen is verstreken. Eiseres heeft de minister, na het verstrijken van de termijn, gevraagd om alsnog binnen twee weken te beslissen. Dat heeft de minister niet gedaan en eiseres heeft vervolgens op 15 december 2025 beroep ingesteld. 4. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond. Welke beslistermijn legt de rechtbank de minister op? 5. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvraag. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft geoordeeld dat bij het bepalen van een nieuwe beslistermijn rekening moet worden gehouden met het ‘8+8 wekenmodel’. Dit betekent dat de minister binnen een termijn van zestien weken een besluit moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak. Welke dwangsom legt de rechtbank op? 6. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op. 7. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 100,- per dag moet betalen als hij de door de rechtbank opgelegde beslistermijn overschrijdt. Hierbij geldt een maximum van € 15.000,-. Zijn de beroepen van 21 februari 2026 (NL26.9748 en NL26.9759) ontvankelijk? 8. De rechtbank dient ambtshalve te beoordelen of eiseres procesbelang heeft bij een beoordeling van de beroepen die zij op 21 februari 2026 heeft ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt dit procesbelang. Eiseres heeft deze beroep ingesteld, terwijl er al een beroep tegen het niet tijdig beslissen op haar asielaanvraag aanhangig was. Op dat eerste beroep wordt nu beslist. De rechtbank stelt vast dat in de beroepen van 21 februari 2026 geen (aanvullende) beroepsgronden zijn opgenomen. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank geen belang meer bij de beoordeling van deze beroepen. 9. De beroepen zijn niet-ontvankelijk. Conclusie en gevolgen 10. Het beroep van 15 december 2025 is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en de minister zestien weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eiseres een dwangsom verschuldigd. 11. De minister moet de door eiseres gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op €467,-. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep met zaaknummer NL25.61246 gegrond; vernietigt het met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; draagt de minister op om binnen zestien weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken; bepaalt dat de minister aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres in de zaak NL25.61246 tot een bedrag van €467,-; verklaart de beroepen met zaaknummer NL26.9748 en NL26.9759 niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. Deze uitspraak is bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 42 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder a, van de Awb. Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder b, van de Awb. Artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb. ECLI:NL:RVS:2020:1560. ECLI:NL:RVS:2022:3352 en ECLI:NL:RVS:2022:3353. Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10529 text/xml public 2026-05-04T15:19:23 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-04 NL25.61246, NL26.9748 en NL26.9759 Uitspraak Vereenvoudigde behandeling NL Groningen Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10529 text/html public 2026-05-04T15:19:13 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10529 Rechtbank Den Haag , 04-05-2026 / NL25.61246, NL26.9748 en NL26.9759 BNT Asiel, meerdere BNT ingediend. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummers: NL25.61246, NL26.9748 en NL26.9759 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiseres, V-nummer: [nummer], (gemachtigde: mr. M.R. Verdoner), en de minister van Asiel en Migratie, de minister. Inleiding 1. Deze uitspraak gaat over de beroepen die eiseres heeft ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 17 januari 2025. 1.1. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank stelt vast dat eiseres meerdere beroepen heeft ingediend, omdat de minister niet tijdig zou hebben beslist. Op 15 december 2025 heeft eiseres een beroep niet tijdig beslissen ingediend, dat met kenmerk NL25.61246 is geregistreerd. Op 21 februari 2026 heeft eiseres nog twee beroepen ingediend, die zijn geregistreerd met de kenmerken NL26.9748 en NL26.9759. Is het beroep van 15 december 2025 (NL25.61246) ontvankelijk en kennelijk gegrond? 3. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn om op de aanvraag te beslissen is verstreken. Eiseres heeft de minister, na het verstrijken van de termijn, gevraagd om alsnog binnen twee weken te beslissen. Dat heeft de minister niet gedaan en eiseres heeft vervolgens op 15 december 2025 beroep ingesteld. 4. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond. Welke beslistermijn legt de rechtbank de minister op? 5. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvraag. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft geoordeeld dat bij het bepalen van een nieuwe beslistermijn rekening moet worden gehouden met het ‘8+8 wekenmodel’. Dit betekent dat de minister binnen een termijn van zestien weken een besluit moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak. Welke dwangsom legt de rechtbank op? 6. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op. 7. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 100,- per dag moet betalen als hij de door de rechtbank opgelegde beslistermijn overschrijdt. Hierbij geldt een maximum van € 15.000,-. Zijn de beroepen van 21 februari 2026 (NL26.9748 en NL26.9759) ontvankelijk? 8. De rechtbank dient ambtshalve te beoordelen of eiseres procesbelang heeft bij een beoordeling van de beroepen die zij op 21 februari 2026 heeft ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt dit procesbelang. Eiseres heeft deze beroep ingesteld, terwijl er al een beroep tegen het niet tijdig beslissen op haar asielaanvraag aanhangig was. Op dat eerste beroep wordt nu beslist. De rechtbank stelt vast dat in de beroepen van 21 februari 2026 geen (aanvullende) beroepsgronden zijn opgenomen. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank geen belang meer bij de beoordeling van deze beroepen. 9. De beroepen zijn niet-ontvankelijk. Conclusie en gevolgen 10. Het beroep van 15 december 2025 is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en de minister zestien weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eiseres een dwangsom verschuldigd. 11. De minister moet de door eiseres gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op €467,-. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep met zaaknummer NL25.61246 gegrond; vernietigt het met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; draagt de minister op om binnen zestien weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken; bepaalt dat de minister aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres in de zaak NL25.61246 tot een bedrag van €467,-; verklaart de beroepen met zaaknummer NL26.9748 en NL26.9759 niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. Deze uitspraak is bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 42 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder a, van de Awb. Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder b, van de Awb. Artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb. ECLI:NL:RVS:2020:1560. ECLI:NL:RVS:2022:3352 en ECLI:NL:RVS:2022:3353. Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5.