Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-05-04
ECLI:NL:RBDHA:2026:10528
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,016 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10528 text/xml public 2026-05-07T17:00:18 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-04 NL26.22118 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10528 text/html public 2026-05-04T15:17:38 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10528 Rechtbank Den Haag , 04-05-2026 / NL26.22118 Eerste beroep bij bewaring - kenbare belangenafweging - verlengingsbesluit - medische omstandigheden - lichter middel - beroep ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.22118 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 mei 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. E. Schoneveld), en de minister van Asiel en Migratie (gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt). Procesverloop Bij besluit van 16 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 28 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is (via een beeldverbinding) verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Eerdere perioden van bewaring 1. De rechtbank stelt bij de bespreking van de beroepsgronden het volgende voorop. 1.1. Eiser heeft eerder in bewaring gezeten. Het gaat om de volgende perioden: - van 2 oktober 2025 tot 6 oktober 2025, op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef onder a en b, van de Vw 2000, en - 6 oktober 2025 tot 13 januari 2026, op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, en - 13 januari 2026 tot 16 april 2026, op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef onder a en b, van de Vw 2000. Vervolgens is aan eiser op 16 april 2026 de voorliggende maatregel opgelegd. Heeft de minister een kenbare belangenafweging gemaakt? 2. Eiser voert aan dat de minister op 2 april 2026 een kenbare belangenafweging had moeten maken in het M120-formulier omdat hij op dat moment zes maanden ononderbroken in bewaring zat. Dat volgt uit paragraaf A5/6.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). De minister heeft deze belangenafweging niet verricht. Dat maakt de bewaring onrechtmatig. 2.1. De minister is het in zoverre met eiser eens dat hij een kenbare belangenafweging had moeten maken, omdat eiser langer dan zes maanden in bewaring zit. De minister stelt zich echter op het standpunt dat hij deze kenbare belangenafweging eerst op 16 april 2026 hoefde te maken en dat hij die belangenafweging in de voorliggende maatregel heeft gemaakt. 2.2. De rechtbank verwijst voor de uitleg van paragraaf A5/6.8 van de Vc 2000 allereerst naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van vandaag. De rechtbank leest en begrijpt het beleid zo dat de minister een kenbare belangenafweging moet maken op het moment dat sprake is van een maatregel op grond van artikel 59 van de Vw 2000 en de bewaring langer duurt dan zes maanden. Bij de berekening van deze zes maanden worden de perioden van bewaring op grond van artikel 59a en 59b van de Vw 2000 meegenomen. 2.3. In het geval van eiser betekent dit dat bij het opleggen van de voorliggende maatregel op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 sprake was van een voorafgaande periode van bewaring van meer dan zes maanden. De minister was bij het opleggen van de voorliggende maatregel dus verplicht om een kenbare belangenafweging te maken. Anders dan eiser, is de rechtbank – net als de minister – van oordeel dat de minister gehouden was om deze verzwaarde belangenafweging in de maatregel tot inbewaringstelling op te nemen, en niet in een M120-formulier, nu het immers niet gaat om een vervolgberoep, maar een eerste beroep gericht tegen de inbewaringstelling van eiser vanwege een nieuwe grondslag. Voorgaande betekent ook dat eisers stelling, dat deze kenbare belangenafweging al op 2 april 2026 had moeten worden gemaakt, niet slaagt. Ook in dit verband wordt verwezen naar de hiervoor genoemde uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van vandaag. 2.4. De volgende vraag die beantwoord moet worden, is of de minister deze belangenafweging ook kenbaar en toetsbaar heeft gemaakt. 2.5. De rechtbank oordeelt dat dit het geval is. De minister heeft in de maatregel opnieuw een belangenafweging gemaakt en gemotiveerd waarom in het geval van eiser niet kon worden afgezien van het opleggen van de voorliggende maatregel van bewaring. Voorop staat dat de minister een aanmerkelijk belang heeft bij de verwijdering van eiser. Naast de verwijzing naar de bewaringsgronden, die een onttrekkingsrisico inhouden, heeft de minister betrokken dat uit de niet-meewerkende houding van eiser is gebleken dat hij niet zelfstandig wenst terug te keren naar Algerije. Hoewel eiser is gewezen op zijn verantwoordelijkheid tot medewerking aan terugkeer naar Algerije, heeft hij tot op heden niets ondernomen om zijn vertrek mogelijk te maken. Ook heeft hij geen gebruik gemaakt van de faciliteiten van bijvoorbeeld EURP, de IOM of een NGO. Tijdens gesprekken met de Dienst Terugkeer & Vertrek heeft eiser bovendien laten blijken niet te willen terugkeren naar Algerije. Verder heeft de minister betrokken dat eiser voorafgaand aan de oplegging van de voorliggende maatregel geen bijzondere individuele omstandigheden heeft aangevoerd die de maatregel van bewaring niet kunnen rechtvaardigen. Ook is eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling medegedeeld dat er een medische dienst is in het detentiecentrum in Rotterdam. Eiser krijgt hier een intake en de medische dienst zal beoordelen in hoeverre eiser medische en/of psychische zorg nodig heeft, en hier zorg voor dragen. De rechtbank is van oordeel dat de minister hiermee voldoende heeft gemotiveerd waarom aan zijn belang bij de inbewaringstelling van eiser meer gewicht toekomt dan aan het belang van eiser om na een voorafgaande aaneengesloten periode van feitelijke detentie van meer dan zes maanden in vrijheid te worden gesteld. Daar komt bij dat eiser ook op de zitting geen concrete feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht die moeten leiden tot het oordeel dat de kenbare belangenafweging in zijn voordeel dient uit te vallen. Deze beroepsgrond slaagt dus niet. Had de minister een verlengingsbesluit moeten nemen? 3. Eiser betoogt hij in totaal langer dan zes maanden op grond van één en hetzelfde terugkeerbesluit in bewaring heeft gezeten. Uit het arrest Aroja volgt dat de minister in dat geval een verlengingsbesluit moet nemen als bedoeld in artikel 15, zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Bij het bepalen van deze, maximale bewaringsduur tellen de perioden waarin aan eiser bewaringsmaatregelen waren opgelegd op grond van artikel 59b van de Vw 2000 ook mee. Volgens eiser volgt dat uit punt 58 van het arrest. 3.1. De rechtbank overweegt allereerst dat deze rechtbank en zittingsplaats in haar uitspraak van vandaag uitleg heeft gegeven aan het arrest Aroja. De rechtbank is van oordeel dat uit het arrest Aroja niet volgt dat de perioden van de maatregelen van bewaring op grond van artikel 59b van de Vw 2000 meetellen bij het bepalen van de maximale bewaringsduur zoals bedoeld in artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn. De perioden van bewaring op grond van artikel 59b van de Vw 2000 zijn namelijk niet gebaseerd op de Terugkeerrichtlijn (en dus ook niet ter uitvoering van een terugkeerbesluit), maar op de Opvangrichtlijn. 3.2. In geval van eiser betekent dit het volgende. 3.3. Eiser heeft in de periode van 6 oktober 2025 tot en met 13 januari 2026 op grond van de Terugkeerrichtlijn in bewaring gezeten, omdat de bewaring in die periode zijn grondslag vond in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10528 text/xml public 2026-05-07T17:00:18 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-04 NL26.22118 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10528 text/html public 2026-05-04T15:17:38 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10528 Rechtbank Den Haag , 04-05-2026 / NL26.22118 Eerste beroep bij bewaring - kenbare belangenafweging - verlengingsbesluit - medische omstandigheden - lichter middel - beroep ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.22118 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 mei 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. E. Schoneveld), en de minister van Asiel en Migratie (gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt). Procesverloop Bij besluit van 16 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 28 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is (via een beeldverbinding) verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Eerdere perioden van bewaring 1. De rechtbank stelt bij de bespreking van de beroepsgronden het volgende voorop. 1.1. Eiser heeft eerder in bewaring gezeten. Het gaat om de volgende perioden: - van 2 oktober 2025 tot 6 oktober 2025, op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef onder a en b, van de Vw 2000, en - 6 oktober 2025 tot 13 januari 2026, op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, en - 13 januari 2026 tot 16 april 2026, op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef onder a en b, van de Vw 2000. Vervolgens is aan eiser op 16 april 2026 de voorliggende maatregel opgelegd. Heeft de minister een kenbare belangenafweging gemaakt? 2. Eiser voert aan dat de minister op 2 april 2026 een kenbare belangenafweging had moeten maken in het M120-formulier omdat hij op dat moment zes maanden ononderbroken in bewaring zat. Dat volgt uit paragraaf A5/6.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). De minister heeft deze belangenafweging niet verricht. Dat maakt de bewaring onrechtmatig. 2.1. De minister is het in zoverre met eiser eens dat hij een kenbare belangenafweging had moeten maken, omdat eiser langer dan zes maanden in bewaring zit. De minister stelt zich echter op het standpunt dat hij deze kenbare belangenafweging eerst op 16 april 2026 hoefde te maken en dat hij die belangenafweging in de voorliggende maatregel heeft gemaakt. 2.2. De rechtbank verwijst voor de uitleg van paragraaf A5/6.8 van de Vc 2000 allereerst naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van vandaag. De rechtbank leest en begrijpt het beleid zo dat de minister een kenbare belangenafweging moet maken op het moment dat sprake is van een maatregel op grond van artikel 59 van de Vw 2000 en de bewaring langer duurt dan zes maanden. Bij de berekening van deze zes maanden worden de perioden van bewaring op grond van artikel 59a en 59b van de Vw 2000 meegenomen. 2.3. In het geval van eiser betekent dit dat bij het opleggen van de voorliggende maatregel op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 sprake was van een voorafgaande periode van bewaring van meer dan zes maanden. De minister was bij het opleggen van de voorliggende maatregel dus verplicht om een kenbare belangenafweging te maken. Anders dan eiser, is de rechtbank – net als de minister – van oordeel dat de minister gehouden was om deze verzwaarde belangenafweging in de maatregel tot inbewaringstelling op te nemen, en niet in een M120-formulier, nu het immers niet gaat om een vervolgberoep, maar een eerste beroep gericht tegen de inbewaringstelling van eiser vanwege een nieuwe grondslag. Voorgaande betekent ook dat eisers stelling, dat deze kenbare belangenafweging al op 2 april 2026 had moeten worden gemaakt, niet slaagt. Ook in dit verband wordt verwezen naar de hiervoor genoemde uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van vandaag. 2.4. De volgende vraag die beantwoord moet worden, is of de minister deze belangenafweging ook kenbaar en toetsbaar heeft gemaakt. 2.5. De rechtbank oordeelt dat dit het geval is. De minister heeft in de maatregel opnieuw een belangenafweging gemaakt en gemotiveerd waarom in het geval van eiser niet kon worden afgezien van het opleggen van de voorliggende maatregel van bewaring. Voorop staat dat de minister een aanmerkelijk belang heeft bij de verwijdering van eiser. Naast de verwijzing naar de bewaringsgronden, die een onttrekkingsrisico inhouden, heeft de minister betrokken dat uit de niet-meewerkende houding van eiser is gebleken dat hij niet zelfstandig wenst terug te keren naar Algerije. Hoewel eiser is gewezen op zijn verantwoordelijkheid tot medewerking aan terugkeer naar Algerije, heeft hij tot op heden niets ondernomen om zijn vertrek mogelijk te maken. Ook heeft hij geen gebruik gemaakt van de faciliteiten van bijvoorbeeld EURP, de IOM of een NGO. Tijdens gesprekken met de Dienst Terugkeer & Vertrek heeft eiser bovendien laten blijken niet te willen terugkeren naar Algerije. Verder heeft de minister betrokken dat eiser voorafgaand aan de oplegging van de voorliggende maatregel geen bijzondere individuele omstandigheden heeft aangevoerd die de maatregel van bewaring niet kunnen rechtvaardigen. Ook is eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling medegedeeld dat er een medische dienst is in het detentiecentrum in Rotterdam. Eiser krijgt hier een intake en de medische dienst zal beoordelen in hoeverre eiser medische en/of psychische zorg nodig heeft, en hier zorg voor dragen. De rechtbank is van oordeel dat de minister hiermee voldoende heeft gemotiveerd waarom aan zijn belang bij de inbewaringstelling van eiser meer gewicht toekomt dan aan het belang van eiser om na een voorafgaande aaneengesloten periode van feitelijke detentie van meer dan zes maanden in vrijheid te worden gesteld. Daar komt bij dat eiser ook op de zitting geen concrete feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht die moeten leiden tot het oordeel dat de kenbare belangenafweging in zijn voordeel dient uit te vallen. Deze beroepsgrond slaagt dus niet. Had de minister een verlengingsbesluit moeten nemen? 3. Eiser betoogt hij in totaal langer dan zes maanden op grond van één en hetzelfde terugkeerbesluit in bewaring heeft gezeten. Uit het arrest Aroja volgt dat de minister in dat geval een verlengingsbesluit moet nemen als bedoeld in artikel 15, zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Bij het bepalen van deze, maximale bewaringsduur tellen de perioden waarin aan eiser bewaringsmaatregelen waren opgelegd op grond van artikel 59b van de Vw 2000 ook mee. Volgens eiser volgt dat uit punt 58 van het arrest. 3.1. De rechtbank overweegt allereerst dat deze rechtbank en zittingsplaats in haar uitspraak van vandaag uitleg heeft gegeven aan het arrest Aroja. De rechtbank is van oordeel dat uit het arrest Aroja niet volgt dat de perioden van de maatregelen van bewaring op grond van artikel 59b van de Vw 2000 meetellen bij het bepalen van de maximale bewaringsduur zoals bedoeld in artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn. De perioden van bewaring op grond van artikel 59b van de Vw 2000 zijn namelijk niet gebaseerd op de Terugkeerrichtlijn (en dus ook niet ter uitvoering van een terugkeerbesluit), maar op de Opvangrichtlijn. 3.2. In geval van eiser betekent dit het volgende. 3.3. Eiser heeft in de periode van 6 oktober 2025 tot en met 13 januari 2026 op grond van de Terugkeerrichtlijn in bewaring gezeten, omdat de bewaring in die periode zijn grondslag vond in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
Volledig
Vanaf 16 april 2026 zit eiser weer op grond van de Terugkeerrichtlijn in bewaring. Als deze twee perioden, 6 oktober 2025 tot en met 13 januari 2026, en de periode van 16 april 2026 tot en met het sluiten van het onderzoek op 28 april 2026, bij elkaar worden opgeteld, wordt de termijn van zes maanden als bedoeld in artikel 15, vijfde lid, van de Terugkeerrichtlijn nog niet bereikt. Eiser zit dan namelijk 113 dagen in bewaring. De minister had daarom nog geen verlengingsbesluit hoeven te nemen. Deze beroepsgrond slaagt dus niet. Is de maatregel onvoldoende zorgvuldig voorbereid? 4. Eiser voert verder aan dat de minister de maatregel onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid en heeft gemotiveerd. In geval van omzetting van de maatregel wegens een gewijzigde grondslag, waarvan in het voorliggende geval van eiser sprake is, moet de minister een nieuw onderzoek doen naar de vraag of het opleggen van de maatregel voldoet aan proportionaliteit en subsidiariteit. Dit is niet gebeurd. Eiser is namelijk wel gehoord, maar dat was slechts een formaliteit. In het gehoor is enkel terugverwezen naar de eerdere maatregel en is aan eiser alleen gevraagd of er sinds zijn vorige gehoor nog iets is gewijzigd. Van eiser kan niet verwacht worden dat hij nog precies weet wat aan de vorige maatregel ten grondslag lag en hoe zijn persoonlijke situatie op dat moment precies zat. Daarnaast komt de inhoud van de maatregel vrijwel overeen met de inhoud van de vorige maatregel. De motivering van de gronden lijkt één op één te zijn overgenomen. 4.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank oordeelt dat de minister de maatregel voldoende zorgvuldig heeft voorbereid. Eiser is gehoord en in dat gehoor is aan eiser de gelegenheid gegeven om kenbaar te maken of er, met betrekking tot de in de maatregel van bewaring opgenomen gronden en persoonlijke belangen, nieuwe of nog niet eerder door hem gestelde bijzondere feiten en omstandigheden aan de orde zijn ten opzichte van het gehoor van 13 januari 2026. Dat de minister hiermee onvoldoende zorgvuldig heeft gehoord, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft bovendien in het gehoor, maar ook later, niet aangegeven dat er sprake zou zijn van nieuwe of gewijzigde omstandigheden. Het enkele feit dat bij het gehoor voorafgaande aan het opleggen van de nu voorliggende maatregel verwezen is naar het vorige gehoor, maakt niet dat geconcludeerd kan worden dat onvoldoende onderzoek is gedaan. Daar komt bij dat eiser tijdens dat gehoor ook niet heeft aangegeven dat de minister (door het gehoor op deze manier vorm te geven) essentiële (persoonlijke) feiten en omstandigheden mist. 4.2. Eiser voert in dit verband verder aan dat de minister onvoldoende heeft doorgevraagd naar zijn medische problemen. Hij heeft in het detentiecentrum veel briefjes ingevuld, maar hij is nog nooit opgeroepen door een arts. 4.3. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. In het gehoor voorafgaand aan de maatregel is aan eiser gevraagd of zijn medische situatie is gewijzigd ten opzichte van het voorgaande gehoor. Eiser heeft verklaard dat dit niet het geval is. Dat de minister nog verder had moeten doorvragen, ziet de rechtbank dan ook niet in. Indien eiser vindt dat hij in het detentiecentrum onjuist is behandeld, omdat hij nog nooit door een arts is opgeroepen, kan hij hierover een klacht indienen. 4.4. Ook het enkele feit dat de motivering van de gronden identiek zouden zijn aan de motivering van de gronden uit een eerdere aan eiser opgelegde maatregel tot bewaring, betekent niet zonder meer dat de maatregel onzorgvuldig is voorbereid. Of voldoende gronden bestaan om de maatregel te dragen, en of deze voldoende gemotiveerd zijn, bespreekt de rechtbank hieronder. Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen? 5. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is in belang van de openbare orde omdat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, en omdat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zijn daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; 3i. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan één of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden; 4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend, die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 5.1. Op de zitting heeft de minister zware grond 3d laten vallen. Deze ligt dus niet langer ten grondslag aan de maatregel van bewaring. 5.2. Eiser heeft de overgebleven gronden niet betwist. Ook naar het ambtshalve oordeel van de rechtbank zijn de zware en lichte gronden feitelijk juist en voldoende (gemotiveerd) om een risico aan te nemen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen. Had de minister een lichter middel moeten opleggen? 6. Eiser betoogt verder dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling. Hij heeft namelijk medische problemen. 6.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft in de maatregel van bewaring gemotiveerd – zoals ook overwogen in 2.5 – waarom hij het noodzakelijk vindt om eiser in bewaring te stellen en waarom een minder dwingende maatregel niet doeltreffend is toe te passen. Zoals verder in 5.2 is overwogen, zijn er voldoende gronden die de maatregel kunnen dragen. Verder heeft de minister uitvraag gedaan naar de medische klachten van eiser en deze klachten in de maatregel van bewaring meegewogen, maar zich op het standpunt gesteld dat deze niet maken dat eiser detentieongeschikt is. In het detentiecentrum is namelijk medische zorg aanwezig die gelijkwaardig is aan de medische zorg in de vrije maatschappij, mocht eiser deze zorg nodig hebben. Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel? 7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Zaaknummer NL26.19810 (nog niet gepubliceerd). HvJEU 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148. Zaaknummer NL26.19810 (nog niet gepubliceerd). Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).
Volledig
Vanaf 16 april 2026 zit eiser weer op grond van de Terugkeerrichtlijn in bewaring. Als deze twee perioden, 6 oktober 2025 tot en met 13 januari 2026, en de periode van 16 april 2026 tot en met het sluiten van het onderzoek op 28 april 2026, bij elkaar worden opgeteld, wordt de termijn van zes maanden als bedoeld in artikel 15, vijfde lid, van de Terugkeerrichtlijn nog niet bereikt. Eiser zit dan namelijk 113 dagen in bewaring. De minister had daarom nog geen verlengingsbesluit hoeven te nemen. Deze beroepsgrond slaagt dus niet. Is de maatregel onvoldoende zorgvuldig voorbereid? 4. Eiser voert verder aan dat de minister de maatregel onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid en heeft gemotiveerd. In geval van omzetting van de maatregel wegens een gewijzigde grondslag, waarvan in het voorliggende geval van eiser sprake is, moet de minister een nieuw onderzoek doen naar de vraag of het opleggen van de maatregel voldoet aan proportionaliteit en subsidiariteit. Dit is niet gebeurd. Eiser is namelijk wel gehoord, maar dat was slechts een formaliteit. In het gehoor is enkel terugverwezen naar de eerdere maatregel en is aan eiser alleen gevraagd of er sinds zijn vorige gehoor nog iets is gewijzigd. Van eiser kan niet verwacht worden dat hij nog precies weet wat aan de vorige maatregel ten grondslag lag en hoe zijn persoonlijke situatie op dat moment precies zat. Daarnaast komt de inhoud van de maatregel vrijwel overeen met de inhoud van de vorige maatregel. De motivering van de gronden lijkt één op één te zijn overgenomen. 4.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank oordeelt dat de minister de maatregel voldoende zorgvuldig heeft voorbereid. Eiser is gehoord en in dat gehoor is aan eiser de gelegenheid gegeven om kenbaar te maken of er, met betrekking tot de in de maatregel van bewaring opgenomen gronden en persoonlijke belangen, nieuwe of nog niet eerder door hem gestelde bijzondere feiten en omstandigheden aan de orde zijn ten opzichte van het gehoor van 13 januari 2026. Dat de minister hiermee onvoldoende zorgvuldig heeft gehoord, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft bovendien in het gehoor, maar ook later, niet aangegeven dat er sprake zou zijn van nieuwe of gewijzigde omstandigheden. Het enkele feit dat bij het gehoor voorafgaande aan het opleggen van de nu voorliggende maatregel verwezen is naar het vorige gehoor, maakt niet dat geconcludeerd kan worden dat onvoldoende onderzoek is gedaan. Daar komt bij dat eiser tijdens dat gehoor ook niet heeft aangegeven dat de minister (door het gehoor op deze manier vorm te geven) essentiële (persoonlijke) feiten en omstandigheden mist. 4.2. Eiser voert in dit verband verder aan dat de minister onvoldoende heeft doorgevraagd naar zijn medische problemen. Hij heeft in het detentiecentrum veel briefjes ingevuld, maar hij is nog nooit opgeroepen door een arts. 4.3. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. In het gehoor voorafgaand aan de maatregel is aan eiser gevraagd of zijn medische situatie is gewijzigd ten opzichte van het voorgaande gehoor. Eiser heeft verklaard dat dit niet het geval is. Dat de minister nog verder had moeten doorvragen, ziet de rechtbank dan ook niet in. Indien eiser vindt dat hij in het detentiecentrum onjuist is behandeld, omdat hij nog nooit door een arts is opgeroepen, kan hij hierover een klacht indienen. 4.4. Ook het enkele feit dat de motivering van de gronden identiek zouden zijn aan de motivering van de gronden uit een eerdere aan eiser opgelegde maatregel tot bewaring, betekent niet zonder meer dat de maatregel onzorgvuldig is voorbereid. Of voldoende gronden bestaan om de maatregel te dragen, en of deze voldoende gemotiveerd zijn, bespreekt de rechtbank hieronder. Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen? 5. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is in belang van de openbare orde omdat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, en omdat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zijn daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; 3i. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan één of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden; 4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend, die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 5.1. Op de zitting heeft de minister zware grond 3d laten vallen. Deze ligt dus niet langer ten grondslag aan de maatregel van bewaring. 5.2. Eiser heeft de overgebleven gronden niet betwist. Ook naar het ambtshalve oordeel van de rechtbank zijn de zware en lichte gronden feitelijk juist en voldoende (gemotiveerd) om een risico aan te nemen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen. Had de minister een lichter middel moeten opleggen? 6. Eiser betoogt verder dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling. Hij heeft namelijk medische problemen. 6.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft in de maatregel van bewaring gemotiveerd – zoals ook overwogen in 2.5 – waarom hij het noodzakelijk vindt om eiser in bewaring te stellen en waarom een minder dwingende maatregel niet doeltreffend is toe te passen. Zoals verder in 5.2 is overwogen, zijn er voldoende gronden die de maatregel kunnen dragen. Verder heeft de minister uitvraag gedaan naar de medische klachten van eiser en deze klachten in de maatregel van bewaring meegewogen, maar zich op het standpunt gesteld dat deze niet maken dat eiser detentieongeschikt is. In het detentiecentrum is namelijk medische zorg aanwezig die gelijkwaardig is aan de medische zorg in de vrije maatschappij, mocht eiser deze zorg nodig hebben. Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel? 7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Zaaknummer NL26.19810 (nog niet gepubliceerd). HvJEU 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148. Zaaknummer NL26.19810 (nog niet gepubliceerd). Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).