Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-15
ECLI:NL:RBDHA:2026:10524
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
11,101 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10524 text/xml public 2026-05-19T11:14:43 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-15 C/09/700709 / KG ZA 26-230 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Kort geding NL Den Haag Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10524 text/html public 2026-05-19T11:09:53 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10524 Rechtbank Den Haag , 15-04-2026 / C/09/700709 / KG ZA 26-230 Kort geding. Vordering tot verwijdering van de GVM-lijst. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de selectiefunctionaris in redelijkheid kunnen besluiten tot plaatsing en handhaving van eiser op de GVM-lijst in de categorie RG. Afwijzing vordering. Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/700709/ KG ZA 26-230 Vonnis in kort geding van 15 april 2026 in de zaak van [eiser] gedetineerd in de PI [plaats 1], eiser, advocaat mr. E.A. Blok, tegen: DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid) te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. T.J. Crom. Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘de Staat’. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 10 maart 2026 met producties 1 tot en met 5; - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 3. 1.2. De zaak is mondeling behandeld ter zitting van 1 april 2026. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht aan de hand van een pleitnota. Van hetgeen voor het overige aan de orde is gekomen heeft de griffier zakelijke aantekeningen gemaakt. Aan het slot van de behandeling heeft de voorzieningenrechter vonnis bepaald op heden. 2 De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.1. Bij vonnissen van 27 februari 2024 is [eiser] door de rechtbank Midden-Nederland en door de rechtbank Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van in totaal 29 jaar en twee maanden wegens deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, het medeplegen van moord, het medeplegen van poging tot moord en medeplichtigheid aan (voorbereiding van) moord. 2.2. [eiser] heeft hoger beroep ingesteld tegen voornoemde vonnissen. 2.3. In november 2018 is [eiser] overeenkomstig het advies van het Operationeel Overleg (hierna: het OO) geplaatst op de (toenmalige) lijst van gedetineerden met een vlucht- of maatschappelijk risico (hierna: ‘GVM-lijst’) in de categorie ‘verhoogd’. Deze plaatsing geschiedde op basis van indicatie C (risico) op liquidatiedreiging of bedreiging in detentie van of door de gedetineerde. 2.4. In het verslag van het OO van 7 november 2018 is daarover het volgende vermeld: “ [plaats 2] Betrokkene is op 2-10-2018 aangehouden in zijn cel in de PI voor betrokkenheid bij twee moorden en de voorbereiding van een derde moord, deelname aan een criminele organisatie die zich richt op het plegen van moorden. Naast deze recente aanhouding is hij ook nog verdachte in het onderzoek Zeilboot (liquidatie [naam 1]). Daarnaast staat hij gesignaleerd voor [land], voor een vijfde vermoedelijk politieke moord. De [land] autoriteiten willen hem hiervoor ook nog vervolgen en uitgeleverd krijgen. Betrokkene wordt vervoerd door het BOT, omdat men er rekening mee houdt dat er vanuit het CVS van [naam 2] kan worden geprobeerd hem uit te schakelen omdat hij nu hij is aangehouden mogelijk een risico is voor de organisatie. Bij zijn aanhouding op cel op 2-10-2018 is ook een mobiele telefoon aangetroffen. Deze telefoon is nog in onderzoek. Niet valt uit te sluiten dat hij met deze telefoon zijn criminele activiteiten voort heeft weten te zetten. Beoordeling: Betrokkene wordt op de GVM lijst geplaatst met het risicoprofiel Verhoogd wegens liquidatiedreiging .” 2.5. In de jaren 2019 en 2020 is de GVM-status van [eiser] in de categorie ‘verhoogd’ gehandhaafd. Naar aanleiding van het OO van 9 juni 2021 is de GVM-status van [eiser] gewijzigd van ‘verhoogd’ naar ‘hoog’, nu naast indicatie C ook indicatie B (vermoedens van) voortgezet crimineel handelen vanuit detentie werd aangenomen. Het verslag van het OO vermeldt onder meer dat een telefoon is gevonden op de afdeling en dat [eiser] daaraan wordt gelinkt. Verder is vermeld dat [eiser] is verplaatst naar de Afdeling Intensief Toezicht. 2.6. Op 14 juni 2023 heeft het OO geadviseerd de GVM-status van [eiser] in de categorie ‘hoog’ te verlengen. Uit het verslag van het OO blijkt dat naast indicaties B en C ook indicatie A (risico op) Ontvluchting en/of bevrijding van buitenaf aanwezig werd geacht. Daarover vermeldt het verslag het volgende: “ (…) De rechtbank Midden Nederland heeft voorts het verzoek van [land] tot uitlevering van betr. voor verdenking van medeplegen/medeplichtigheid aan moord op 2 november 2017 in [[plaats 3]] toelaatbaar geacht. (…) [land] heeft de uitlevering van betr. gevraagd. De uitleveringsprocedure loopt nog. Het belang van betr. om zich te onttrekken aan detentie of te ontvluchten, is dus groot .” 2.7. Op 12 juni 2024 is daar indicatie E ondermijning van gezag van directie en personeel in de inrichting bijgekomen. De indicaties B en E zijn naar aanleiding van het OO van 11 december 2024 weer komen te vervallen. 2.8. In december 2024 heeft de directeur van de PI [plaats 1] aan [eiser] toezichtmaatregelen opgelegd. [eiser] heeft daartegen beklag ingesteld, welk beklag gegrond is verklaard waarna de directeur van de PI de toezichtmaatregelen heeft afgeschaald. Ook is [eiser] uitgeplaatst van de Afdeling Intensief Toezicht. 2.9. Naar aanleiding van het OO van 12 maart 2025 is [eiser] afgeschaald naar de categorie ‘verhoogd’. De GVM-status van [eiser] in de categorie ‘verhoogd’ is verlengd naar aanleiding van het OO van 11 juni 2025. Het OO heeft daarover het volgende overwogen: “ Afgelopen maart is betrokkene afgeschaald van hoog naar verhoogd en is van de AIT af. Hij moest na zijn verplaatsing naar een reguliere afdeling wennen aan de drukte die een grote afdeling met zich mee brengt maar heeft zijn draai inmiddels gevonden. Hij doet het goed in de groep en op de afdeling. De GVM-verhoogd status wordt verlengd met indicaties A en C opdat betrokkene verder gemonitord kan worden op zijn gedrag, gelet op de recentelijke verruiming van zijn vrijheden. ” 2.10. Per 1 november 2025 is een nieuwe GVM-circulaire (hierna: de Circulaire) in werking getreden, die de Circulaire uit 2021 heeft vervangen. In de Circulaire worden twee categorieën onderscheiden: risicogedetineerden (hierna: RG) en hoogrisicogedetineerden (hierna: HRG). Deze categorieën zijn in de plaats gekomen van de categorieën ‘verhoogd’, ‘hoog’ en ‘extreem’. De status van risicogedetineerde kan worden toegekend door de selectiefunctionaris na een advies van het Overleg Risicogedetineerden (ORG), dat per 1 november 2025 in de plaats is getreden van het OO. 2.11. [eiser] is besproken in het ORG van 14 januari 2026, waarbij het ORG heeft geadviseerd [eiser] als RG aan te merken vanwege (nog altijd aanwezige) risico’s op vluchtgevaar en liquidatie. De selectiefunctionaris heeft op advies van het ORG de GVM-status van [eiser] verlengd en aan [eiser] de status RG toegekend. 2.12. Op 23 januari 2026 heeft de directeur van de PI [plaats 1] [eiser] geïnformeerd over de verlenging van zijn GVM-status. De directeur heeft verder aan [eiser] medegedeeld dat aan hem diverse toezichtmaatregelen zijn opgelegd. In de mededeling van de directeur staat onder meer het volgende: “ U bent door de selectiefunctionaris aangemerkt als gedetineerde met een vlucht- en/of maatschappelijk risico (GVM), waarbij u bent onderverdeeld in de categorie risicogedetineerde. Deze aanmerking is gebaseerd op (een of meerdere van) de volgende categorieën: A. (risico op) Ontvluchting en/of bevrijding van buitenaf, C. (risico op) Liquidatie, geweld of bedreiging in detentie van of door de gedetineerde Beschrijving van de beschikbare informatie, waarop onderstaande maatregelen zijn gebaseerd: Indicatie C (risico op) liquidatie of bedreiging in detentie van of door de gedetineerde en indicatie A (risico op) ontvluchting en/of bevrijding van buitenaf blijven van kracht.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10524 text/xml public 2026-05-19T11:14:43 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-15 C/09/700709 / KG ZA 26-230 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Kort geding NL Den Haag Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10524 text/html public 2026-05-19T11:09:53 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10524 Rechtbank Den Haag , 15-04-2026 / C/09/700709 / KG ZA 26-230 Kort geding. Vordering tot verwijdering van de GVM-lijst. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de selectiefunctionaris in redelijkheid kunnen besluiten tot plaatsing en handhaving van eiser op de GVM-lijst in de categorie RG. Afwijzing vordering. Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/700709/ KG ZA 26-230 Vonnis in kort geding van 15 april 2026 in de zaak van [eiser] gedetineerd in de PI [plaats 1], eiser, advocaat mr. E.A. Blok, tegen: DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid) te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. T.J. Crom. Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘de Staat’. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 10 maart 2026 met producties 1 tot en met 5; - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 3. 1.2. De zaak is mondeling behandeld ter zitting van 1 april 2026. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht aan de hand van een pleitnota. Van hetgeen voor het overige aan de orde is gekomen heeft de griffier zakelijke aantekeningen gemaakt. Aan het slot van de behandeling heeft de voorzieningenrechter vonnis bepaald op heden. 2 De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.1. Bij vonnissen van 27 februari 2024 is [eiser] door de rechtbank Midden-Nederland en door de rechtbank Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van in totaal 29 jaar en twee maanden wegens deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, het medeplegen van moord, het medeplegen van poging tot moord en medeplichtigheid aan (voorbereiding van) moord. 2.2. [eiser] heeft hoger beroep ingesteld tegen voornoemde vonnissen. 2.3. In november 2018 is [eiser] overeenkomstig het advies van het Operationeel Overleg (hierna: het OO) geplaatst op de (toenmalige) lijst van gedetineerden met een vlucht- of maatschappelijk risico (hierna: ‘GVM-lijst’) in de categorie ‘verhoogd’. Deze plaatsing geschiedde op basis van indicatie C (risico) op liquidatiedreiging of bedreiging in detentie van of door de gedetineerde. 2.4. In het verslag van het OO van 7 november 2018 is daarover het volgende vermeld: “ [plaats 2] Betrokkene is op 2-10-2018 aangehouden in zijn cel in de PI voor betrokkenheid bij twee moorden en de voorbereiding van een derde moord, deelname aan een criminele organisatie die zich richt op het plegen van moorden. Naast deze recente aanhouding is hij ook nog verdachte in het onderzoek Zeilboot (liquidatie [naam 1]). Daarnaast staat hij gesignaleerd voor [land], voor een vijfde vermoedelijk politieke moord. De [land] autoriteiten willen hem hiervoor ook nog vervolgen en uitgeleverd krijgen. Betrokkene wordt vervoerd door het BOT, omdat men er rekening mee houdt dat er vanuit het CVS van [naam 2] kan worden geprobeerd hem uit te schakelen omdat hij nu hij is aangehouden mogelijk een risico is voor de organisatie. Bij zijn aanhouding op cel op 2-10-2018 is ook een mobiele telefoon aangetroffen. Deze telefoon is nog in onderzoek. Niet valt uit te sluiten dat hij met deze telefoon zijn criminele activiteiten voort heeft weten te zetten. Beoordeling: Betrokkene wordt op de GVM lijst geplaatst met het risicoprofiel Verhoogd wegens liquidatiedreiging .” 2.5. In de jaren 2019 en 2020 is de GVM-status van [eiser] in de categorie ‘verhoogd’ gehandhaafd. Naar aanleiding van het OO van 9 juni 2021 is de GVM-status van [eiser] gewijzigd van ‘verhoogd’ naar ‘hoog’, nu naast indicatie C ook indicatie B (vermoedens van) voortgezet crimineel handelen vanuit detentie werd aangenomen. Het verslag van het OO vermeldt onder meer dat een telefoon is gevonden op de afdeling en dat [eiser] daaraan wordt gelinkt. Verder is vermeld dat [eiser] is verplaatst naar de Afdeling Intensief Toezicht. 2.6. Op 14 juni 2023 heeft het OO geadviseerd de GVM-status van [eiser] in de categorie ‘hoog’ te verlengen. Uit het verslag van het OO blijkt dat naast indicaties B en C ook indicatie A (risico op) Ontvluchting en/of bevrijding van buitenaf aanwezig werd geacht. Daarover vermeldt het verslag het volgende: “ (…) De rechtbank Midden Nederland heeft voorts het verzoek van [land] tot uitlevering van betr. voor verdenking van medeplegen/medeplichtigheid aan moord op 2 november 2017 in [[plaats 3]] toelaatbaar geacht. (…) [land] heeft de uitlevering van betr. gevraagd. De uitleveringsprocedure loopt nog. Het belang van betr. om zich te onttrekken aan detentie of te ontvluchten, is dus groot .” 2.7. Op 12 juni 2024 is daar indicatie E ondermijning van gezag van directie en personeel in de inrichting bijgekomen. De indicaties B en E zijn naar aanleiding van het OO van 11 december 2024 weer komen te vervallen. 2.8. In december 2024 heeft de directeur van de PI [plaats 1] aan [eiser] toezichtmaatregelen opgelegd. [eiser] heeft daartegen beklag ingesteld, welk beklag gegrond is verklaard waarna de directeur van de PI de toezichtmaatregelen heeft afgeschaald. Ook is [eiser] uitgeplaatst van de Afdeling Intensief Toezicht. 2.9. Naar aanleiding van het OO van 12 maart 2025 is [eiser] afgeschaald naar de categorie ‘verhoogd’. De GVM-status van [eiser] in de categorie ‘verhoogd’ is verlengd naar aanleiding van het OO van 11 juni 2025. Het OO heeft daarover het volgende overwogen: “ Afgelopen maart is betrokkene afgeschaald van hoog naar verhoogd en is van de AIT af. Hij moest na zijn verplaatsing naar een reguliere afdeling wennen aan de drukte die een grote afdeling met zich mee brengt maar heeft zijn draai inmiddels gevonden. Hij doet het goed in de groep en op de afdeling. De GVM-verhoogd status wordt verlengd met indicaties A en C opdat betrokkene verder gemonitord kan worden op zijn gedrag, gelet op de recentelijke verruiming van zijn vrijheden. ” 2.10. Per 1 november 2025 is een nieuwe GVM-circulaire (hierna: de Circulaire) in werking getreden, die de Circulaire uit 2021 heeft vervangen. In de Circulaire worden twee categorieën onderscheiden: risicogedetineerden (hierna: RG) en hoogrisicogedetineerden (hierna: HRG). Deze categorieën zijn in de plaats gekomen van de categorieën ‘verhoogd’, ‘hoog’ en ‘extreem’. De status van risicogedetineerde kan worden toegekend door de selectiefunctionaris na een advies van het Overleg Risicogedetineerden (ORG), dat per 1 november 2025 in de plaats is getreden van het OO. 2.11. [eiser] is besproken in het ORG van 14 januari 2026, waarbij het ORG heeft geadviseerd [eiser] als RG aan te merken vanwege (nog altijd aanwezige) risico’s op vluchtgevaar en liquidatie. De selectiefunctionaris heeft op advies van het ORG de GVM-status van [eiser] verlengd en aan [eiser] de status RG toegekend. 2.12. Op 23 januari 2026 heeft de directeur van de PI [plaats 1] [eiser] geïnformeerd over de verlenging van zijn GVM-status. De directeur heeft verder aan [eiser] medegedeeld dat aan hem diverse toezichtmaatregelen zijn opgelegd. In de mededeling van de directeur staat onder meer het volgende: “ U bent door de selectiefunctionaris aangemerkt als gedetineerde met een vlucht- en/of maatschappelijk risico (GVM), waarbij u bent onderverdeeld in de categorie risicogedetineerde. Deze aanmerking is gebaseerd op (een of meerdere van) de volgende categorieën: A. (risico op) Ontvluchting en/of bevrijding van buitenaf, C. (risico op) Liquidatie, geweld of bedreiging in detentie van of door de gedetineerde Beschrijving van de beschikbare informatie, waarop onderstaande maatregelen zijn gebaseerd: Indicatie C (risico op) liquidatie of bedreiging in detentie van of door de gedetineerde en indicatie A (risico op) ontvluchting en/of bevrijding van buitenaf blijven van kracht.
Volledig
De reden hiervoor is dat u in de [zaaknaam] bent vervolgd in verband met een reeks aan levensdelicten. Het Openbaar Ministerie (OM) heeft terzake van deze levensdelicten in eerste aanleg een levenslange gevangenisstraf geëist. Op 27 februari 2024 heeft de rechtbank Amsterdam u veroordeeld tot een gevangenisstraf van 29 jaar en 2 maanden. Tegen deze uitspraak is hoger beroep ingesteld. Uw strafzaak is dan ook nog niet afgerond, is nog volop in ontwikkeling en genereert veel media-aandacht. De omvang van de [zaaknaam] is aanzienlijk, evenals de criminele organisaties (CSV) die hierin een rol speelt en de maatschappelijke impact daarvan. Vanwege uw betrokkenheid bij het criminele samenwerkingsverbanden, de liquidaties en de grote omvang van de onderzoeken, vormt u mogelijk een risico voor het CSV en kan er vanuit het CSV worden gepoogd om u uit te schakelen. Ook een dreiging vanuit de relaties van de slachtoffers valt niet uit te sluiten. Er is derhalve sprake van een latente liquidatiedreiging jegens u. Dat op dit moment nog onduidelijkheid is hoe uw rol in de strafzaak wordt beoordeeld door het gerechtshof c.q. wat de uitkomst van het hoger beroep zal zijn, maakt dat niet anders. Daarnaast loopt er een verzoek van [land] tot uw uitlevering, vanwege de verdenking van medeplegen/medeplichtigheid aan moord op de zoon van een rechter in [plaats 3] in november 2017. Derhalve kan er gesteld worden dat uw belang om zich te onttrekken aan detentie of te ontvluchten groot is (GRIP-rapportage.23 februari, 2023). Inhoud hoorgesprek U geeft aan dat de zaak in [land] u blijft achtervolgen en u begrijpt niet waarom. Er zijn recent twee verdachten in die zaak veroordeeld tot de doodstraf, maar dit zou voor u geen optie zijn. Derhalve begrijpt u niet waarom u dan zou willen ontvluchten. U stelt dat u, gelet op de reeds bestaande veroordeling van 29 jaar en 2 maanden, niet meer dan 10 maanden gevangenisstraf opgelegd kan worden. Dit omdat er een maximum van 30 jaar bestaat. Individuele belangenafweging Het ORG stelt dat u gelet op het nog lange strafrestant, de mogelijke uitlevering naar [land] en de recente veroordeling tot de doodstraf van twee medeverdachte in deze strafzaak dat de kans op ontvluchting nog altijd aannemelijk is. Daarnaast wordt dit risico in combinatie met uw netwerk als actueel gezien. [Derhalve] is het ORG van mening om aan u toezichtsmaatregelen op te leggen gericht op indicaties A en C. (…) Gelet op de onderliggende informatie, in combinatie met mijn verantwoordelijkheid voor uw veiligheid en de veiligheid binnen de inrichting, heb ik besloten om aan u de volgende maatregelen op te leggen, dit voor een periode tot na de eerstvolgende toetsing van uw risicoprofiel in het Overleg Risico-gedetineerden. (…) ” 2.13. [eiser] heeft bij de Commissie van Toezicht beklag ingesteld tegen de aan hem opgelegde toezichtmaatregelen. Op het beklag van [eiser] is nog niet beslist. 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert – zakelijk weergegeven – de Staat te veroordelen om [eiser] van de GVM-lijst te verwijderen en daarvan melding te maken bij de directeur van de PI, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000 voor iedere dag dat de Staat hiermee in gebreke blijft, vermeerderd met de wettelijke rente. [eiser] vordert verder dat de Staat wordt veroordeeld in de proceskosten. 3.2. Daartoe stelt [eiser] – samengevat – het volgende. Van een risico op vluchtgevaar of liquidatie is geen sprake. Daarvoor is geen enkele concrete aanwijzing. De categorieën A en C berusten dan ook niet op actuele, concrete en verifieerbare informatie. De informatie waar het ORG naar verwijst, is gedateerd en kan vanwege het tijdverloop niet (meer) als basis dienen voor handhaving van de GVM-status van [eiser]. De plaatsing op de GVM-lijst en de verlenging daarvan heeft tot gevolg gehad dat aan [eiser] diverse toezichtmaatregelen zijn opgelegd, die [eiser] ernstig beperken in zijn contact met de buitenwereld en in zijn bewegingsvrijheid. Bekayye heeft er daarom belang bij dat hij zo snel mogelijk van de GVM-lijst wordt verwijderd. De Staat handelt onrechtmatig door de GVM-status van [eiser] te handhaven. 3.3. De conclusie van de Staat strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. Het verweer van de Staat zal hierna, voor zover nodig, worden besproken. 4 De beoordeling 4.1. De Staat voert als meest verstrekkende verweer aan dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vordering. In de visie van de Staat beoogt [eiser] met dit kort geding op te komen tegen de aan hem opgelegde toezichtmaatregelen, terwijl daarvoor al een bijzondere (met voldoende waarborgen omklede) rechtsgang bestaat, namelijk de beklagprocedure (die momenteel loopt). De voorzieningenrechter gaat hieraan voorbij. Het is juist dat [eiser] stelt dat hij negatieve gevolgen ondervindt van het feit dat hij op de GVM-lijst staat omdat hij daardoor toezichtmaatregelen opgelegd krijgt, maar aan de vordering van [eiser] ligt ten grondslag dat de Staat onrechtmatig handelt door [eiser] nog op de GVM-lijst te houden omdat de indicaties daarvoor onvoldoende zijn. Dat is wat ter beoordeling voorligt en niet of de toezichtmaatregelen al dan niet terecht zijn opgelegd en verband houden met de GVM-status van [eiser]. Voor het opkomen tegen de plaatsing en handhaving op de GVM-lijst staat geen andere rechtsgang voor [eiser] open. Gelet hierop is de voorzieningenrechter bevoegd om van de vordering van [eiser] kennis te nemen en is [eiser] ook ontvankelijk in zijn vordering. 4.2. Plaatsing van gedetineerden op de GVM-lijst is geregeld in de Circulaire. De selectiefunctionaris beslist of de status van risicogedetineerde wordt toegekend na een advies van het ORG. Het ORG betrekt bij zijn advies in ieder geval de levensloop van de gedetineerde en aspecten als het strafrestant, het criminele verleden, signalen dat de gedetineerde van zins is zijn criminele activiteiten voort te zetten in detentie, incidenten die zijn voorgevallen tijdens (eerdere) detentie, het netwerk, de rol en status van de gedetineerde binnen een criminele organisatie en diens beschikbare financiële middelen. Op basis van aangeleverde informatie van de betrokken inrichting, het Gedetineerden Recherche Informatiepunt (GRIP), het Openbaar Ministerie en/of het Landelijk Bureau Inlichtingen & Veiligheid van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) maakt het ORG een inschatting van de ernst van de risico's. De selectiefunctionaris maakt vervolgens een individuele belangenafweging en beslist welk risicoprofiel wordt toegekend aan de gedetineerde. Gedetineerden die als RG zijn aangemerkt worden standaard na drie, zes of twaalf maanden opnieuw besproken en herbeoordeeld. 4.3. Bij de beoordeling over de plaatsing van een gedetineerde op de GVM-lijst komt de selectiefunctionaris een ruime mate van beoordelingsvrijheid toe. De voorzieningenrechter moet het besluit van de selectiefunctionaris dan ook terughoudend toetsen. Voor ingrijpen is slechts plaats indien de selectiefunctionaris, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, in redelijkheid niet tot het besluit heeft kunnen komen om [eiser] als risicogedetineerde aan te merken. 4.4. [eiser] stelt dat de onderbouwing voor de verlenging van zijn GVM-status niet toereikend is, omdat deze is gebaseerd op gedateerde informatie die bovendien te algemeen van aard is. Volgens [eiser] zijn er geen actuele, concrete aanwijzingen die het aannemen van risico’s op vluchtgevaar en liquidatie, die aan zijn GVM-status ten grondslag liggen, rechtvaardigen. 4.5. Met betrekking tot het risico op liquidatie heeft de selectiefunctionaris relevant geacht dat [eiser] is vervolgd in het Marengo-proces en dat zijn strafzaak in ontwikkeling is en veel media-aandacht genereert. Benoemd is dat [eiser] tot een lange gevangenisstraf is veroordeeld voor levensdelicten en dat zijn hoger beroep procedure nog loopt. Ook is gewicht toegekend aan de betrokkenheid van [eiser] bij het crimineel samenwerkingsverband (hierna: het CSV) dat een rol speelt in het Marengo-proces en de liquidaties die in dat verband hebben plaatsgevonden.
Volledig
De reden hiervoor is dat u in de [zaaknaam] bent vervolgd in verband met een reeks aan levensdelicten. Het Openbaar Ministerie (OM) heeft terzake van deze levensdelicten in eerste aanleg een levenslange gevangenisstraf geëist. Op 27 februari 2024 heeft de rechtbank Amsterdam u veroordeeld tot een gevangenisstraf van 29 jaar en 2 maanden. Tegen deze uitspraak is hoger beroep ingesteld. Uw strafzaak is dan ook nog niet afgerond, is nog volop in ontwikkeling en genereert veel media-aandacht. De omvang van de [zaaknaam] is aanzienlijk, evenals de criminele organisaties (CSV) die hierin een rol speelt en de maatschappelijke impact daarvan. Vanwege uw betrokkenheid bij het criminele samenwerkingsverbanden, de liquidaties en de grote omvang van de onderzoeken, vormt u mogelijk een risico voor het CSV en kan er vanuit het CSV worden gepoogd om u uit te schakelen. Ook een dreiging vanuit de relaties van de slachtoffers valt niet uit te sluiten. Er is derhalve sprake van een latente liquidatiedreiging jegens u. Dat op dit moment nog onduidelijkheid is hoe uw rol in de strafzaak wordt beoordeeld door het gerechtshof c.q. wat de uitkomst van het hoger beroep zal zijn, maakt dat niet anders. Daarnaast loopt er een verzoek van [land] tot uw uitlevering, vanwege de verdenking van medeplegen/medeplichtigheid aan moord op de zoon van een rechter in [plaats 3] in november 2017. Derhalve kan er gesteld worden dat uw belang om zich te onttrekken aan detentie of te ontvluchten groot is (GRIP-rapportage.23 februari, 2023). Inhoud hoorgesprek U geeft aan dat de zaak in [land] u blijft achtervolgen en u begrijpt niet waarom. Er zijn recent twee verdachten in die zaak veroordeeld tot de doodstraf, maar dit zou voor u geen optie zijn. Derhalve begrijpt u niet waarom u dan zou willen ontvluchten. U stelt dat u, gelet op de reeds bestaande veroordeling van 29 jaar en 2 maanden, niet meer dan 10 maanden gevangenisstraf opgelegd kan worden. Dit omdat er een maximum van 30 jaar bestaat. Individuele belangenafweging Het ORG stelt dat u gelet op het nog lange strafrestant, de mogelijke uitlevering naar [land] en de recente veroordeling tot de doodstraf van twee medeverdachte in deze strafzaak dat de kans op ontvluchting nog altijd aannemelijk is. Daarnaast wordt dit risico in combinatie met uw netwerk als actueel gezien. [Derhalve] is het ORG van mening om aan u toezichtsmaatregelen op te leggen gericht op indicaties A en C. (…) Gelet op de onderliggende informatie, in combinatie met mijn verantwoordelijkheid voor uw veiligheid en de veiligheid binnen de inrichting, heb ik besloten om aan u de volgende maatregelen op te leggen, dit voor een periode tot na de eerstvolgende toetsing van uw risicoprofiel in het Overleg Risico-gedetineerden. (…) ” 2.13. [eiser] heeft bij de Commissie van Toezicht beklag ingesteld tegen de aan hem opgelegde toezichtmaatregelen. Op het beklag van [eiser] is nog niet beslist. 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert – zakelijk weergegeven – de Staat te veroordelen om [eiser] van de GVM-lijst te verwijderen en daarvan melding te maken bij de directeur van de PI, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000 voor iedere dag dat de Staat hiermee in gebreke blijft, vermeerderd met de wettelijke rente. [eiser] vordert verder dat de Staat wordt veroordeeld in de proceskosten. 3.2. Daartoe stelt [eiser] – samengevat – het volgende. Van een risico op vluchtgevaar of liquidatie is geen sprake. Daarvoor is geen enkele concrete aanwijzing. De categorieën A en C berusten dan ook niet op actuele, concrete en verifieerbare informatie. De informatie waar het ORG naar verwijst, is gedateerd en kan vanwege het tijdverloop niet (meer) als basis dienen voor handhaving van de GVM-status van [eiser]. De plaatsing op de GVM-lijst en de verlenging daarvan heeft tot gevolg gehad dat aan [eiser] diverse toezichtmaatregelen zijn opgelegd, die [eiser] ernstig beperken in zijn contact met de buitenwereld en in zijn bewegingsvrijheid. Bekayye heeft er daarom belang bij dat hij zo snel mogelijk van de GVM-lijst wordt verwijderd. De Staat handelt onrechtmatig door de GVM-status van [eiser] te handhaven. 3.3. De conclusie van de Staat strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. Het verweer van de Staat zal hierna, voor zover nodig, worden besproken. 4 De beoordeling 4.1. De Staat voert als meest verstrekkende verweer aan dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vordering. In de visie van de Staat beoogt [eiser] met dit kort geding op te komen tegen de aan hem opgelegde toezichtmaatregelen, terwijl daarvoor al een bijzondere (met voldoende waarborgen omklede) rechtsgang bestaat, namelijk de beklagprocedure (die momenteel loopt). De voorzieningenrechter gaat hieraan voorbij. Het is juist dat [eiser] stelt dat hij negatieve gevolgen ondervindt van het feit dat hij op de GVM-lijst staat omdat hij daardoor toezichtmaatregelen opgelegd krijgt, maar aan de vordering van [eiser] ligt ten grondslag dat de Staat onrechtmatig handelt door [eiser] nog op de GVM-lijst te houden omdat de indicaties daarvoor onvoldoende zijn. Dat is wat ter beoordeling voorligt en niet of de toezichtmaatregelen al dan niet terecht zijn opgelegd en verband houden met de GVM-status van [eiser]. Voor het opkomen tegen de plaatsing en handhaving op de GVM-lijst staat geen andere rechtsgang voor [eiser] open. Gelet hierop is de voorzieningenrechter bevoegd om van de vordering van [eiser] kennis te nemen en is [eiser] ook ontvankelijk in zijn vordering. 4.2. Plaatsing van gedetineerden op de GVM-lijst is geregeld in de Circulaire. De selectiefunctionaris beslist of de status van risicogedetineerde wordt toegekend na een advies van het ORG. Het ORG betrekt bij zijn advies in ieder geval de levensloop van de gedetineerde en aspecten als het strafrestant, het criminele verleden, signalen dat de gedetineerde van zins is zijn criminele activiteiten voort te zetten in detentie, incidenten die zijn voorgevallen tijdens (eerdere) detentie, het netwerk, de rol en status van de gedetineerde binnen een criminele organisatie en diens beschikbare financiële middelen. Op basis van aangeleverde informatie van de betrokken inrichting, het Gedetineerden Recherche Informatiepunt (GRIP), het Openbaar Ministerie en/of het Landelijk Bureau Inlichtingen & Veiligheid van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) maakt het ORG een inschatting van de ernst van de risico's. De selectiefunctionaris maakt vervolgens een individuele belangenafweging en beslist welk risicoprofiel wordt toegekend aan de gedetineerde. Gedetineerden die als RG zijn aangemerkt worden standaard na drie, zes of twaalf maanden opnieuw besproken en herbeoordeeld. 4.3. Bij de beoordeling over de plaatsing van een gedetineerde op de GVM-lijst komt de selectiefunctionaris een ruime mate van beoordelingsvrijheid toe. De voorzieningenrechter moet het besluit van de selectiefunctionaris dan ook terughoudend toetsen. Voor ingrijpen is slechts plaats indien de selectiefunctionaris, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, in redelijkheid niet tot het besluit heeft kunnen komen om [eiser] als risicogedetineerde aan te merken. 4.4. [eiser] stelt dat de onderbouwing voor de verlenging van zijn GVM-status niet toereikend is, omdat deze is gebaseerd op gedateerde informatie die bovendien te algemeen van aard is. Volgens [eiser] zijn er geen actuele, concrete aanwijzingen die het aannemen van risico’s op vluchtgevaar en liquidatie, die aan zijn GVM-status ten grondslag liggen, rechtvaardigen. 4.5. Met betrekking tot het risico op liquidatie heeft de selectiefunctionaris relevant geacht dat [eiser] is vervolgd in het Marengo-proces en dat zijn strafzaak in ontwikkeling is en veel media-aandacht genereert. Benoemd is dat [eiser] tot een lange gevangenisstraf is veroordeeld voor levensdelicten en dat zijn hoger beroep procedure nog loopt. Ook is gewicht toegekend aan de betrokkenheid van [eiser] bij het crimineel samenwerkingsverband (hierna: het CSV) dat een rol speelt in het Marengo-proces en de liquidaties die in dat verband hebben plaatsgevonden.
Volledig
Alle hiervoor genoemde omstandigheden hebben meegewogen bij de door het ORG gemaakte inschatting van de kans op en impact van bepaalde dreigingen en risico’s zoals beschreven in de Circulaire. Dat deze informatie al lange tijd bekend is, zoals [eiser] stelt, maakt niet dat de informatie vanwege tijdverloop zijn relevantie verliest. Volgens de Circulaire kan immers bij het maken van de risico-inschatting worden gekeken naar het strafrestant, de criminele carrière, de beschikbare financiële middelen en het netwerk van de gedetineerde en de rol van de gedetineerde binnen een criminele organisatie en/of samenwerkingsverband. Dat recente meldingen of incidenten ontbreken hoeft niet zonder meer te leiden tot de conclusie dat het risico op liquidatie is geweken. Zoals gezegd is [eiser] veroordeeld in een grootschalige strafzaak die volop in de media is, waarin diverse levensdelicten zijn gepleegd en waarvoor [eiser] medeplichtig is gehouden. De Staat voert in dit verband terecht aan dat binnen het criminele milieu waar het hier om gaat, niet ondenkbaar is dat represailles worden genomen. Het enkele feit dat [eiser] een bekennende verdachte zou zijn, maar alleen over zichzelf zou verklaren, is in ieder geval niet zwaarwegend genoeg geacht door de selectiefunctionaris om te oordelen dat [eiser] geen gevaar (meer) vormt voor zichzelf en anderen, ook omdat de dreiging vanuit relaties van de slachtoffers zou kunnen komen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. 4.6. Voor wat betreft het risico op vluchtgevaar is meegewogen dat [land] om de uitlevering van [eiser] heeft verzocht wegens verdenking van medeplegen van/medeplichtigheid aan moord op de zoon van een rechter in [plaats 3] in november 2017. De Staat heeft erop gewezen dat de uitlevering van [eiser] toelaatbaar is verklaard ondanks dat [eiser] zich daartegen had verzet. Ook hier heeft het ORG op basis van de in de Circulaire genoemde factoren een inschatting gemaakt van de risico’s en geconcludeerd dat niet kan worden uitgesloten dat [eiser] er belang bij kan hebben om zich te onttrekken aan detentie. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk. Hierbij is mede van belang dat de Staat heeft aangevoerd dat andere leden van het CSV waar [eiser] deel van uitmaakt al eens (gewelddadige) ontsnappingsplannen hebben beraamd. Hoewel het juist is dat [eiser] niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor gedragingen van medeverdachten, kan deze omstandigheid wel meewegen bij het maken van de risico-inschatting door het ORG. Dat [eiser] tot op heden geen poging tot ontsnapping heeft ondernomen, hoeft dan ook niet doorslaggevend te zijn. 4.7. Voor zover [eiser] aanvoert dat hij al een jaar lang goed en stabiel gedrag vertoont en dat hij daarom niet begrijpt waarom hij nog op de GVM-lijst staat, wordt dit betoog verworpen. De voorzieningenrechter is met de Staat van oordeel dat het enkele feit dat de detentie van [eiser] nu ruim een jaar een positiever verloop kent, niet tot gevolg heeft dat moet worden geconcludeerd dat de veiligheidsrisico’s zodanig zijn afgenomen dat monitoring door het ORG niet meer nodig is. Ter waarborging van de orde en veiligheid in de inrichtingen kan monitoring (en het signaleren van risico’s) voor langere tijd noodzakelijk zijn en dat is volgens het ORG hier het geval, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen. 4.8. Concluderend is de voorzieningenrechter van oordeel dat de selectiefunctionaris in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot plaatsing en de handhaving van [eiser] op de GVM-lijst in de categorie RG. Voor een ingrijpen als in 4.3 bedoeld is geen grond. Dat betekent dat de vordering van [eiser] wordt afgewezen. 4.9. [eiser] heeft nog aangevoerd dat zijn GVM-status door de komst van de nieuwe Circulaire zonder enige onderbouwing is opgeschaald en dat dit automatisch tot een verzwaring van de toezichtmaatregelen heeft geleid. Voor zover [eiser] stelt dat ook om die reden zijn plaatsing en handhaving op de GVM-lijst onrechtmatig is, slaagt dit betoog evenmin. Het is juist dat in de nieuwe Circulaire de categorieën ‘verhoogd’ en ‘hoog’ zijn samengekomen in de categorie RG. Dat [eiser] als RG is aangemerkt, is dan ook een logisch gevolg van het toepassen van de nieuwe regelgeving. [eiser] stelt nog dat gedetineerden die eerder in de categorie ‘verhoogd’ zaten, nu in een strenger regime zijn terechtgekomen. Dit acht de voorzieningenrechter niet relevant. [eiser] miskent met deze stelling namelijk dat het ORG iedere gedetineerde individueel beoordeelt en per gedetineerde adviseert over het al dan niet opleggen van bepaalde (toezicht)maatregelen. Voor toetsing van de rechtmatigheid van de aan [eiser] opgelegde toezichtmaatregelen is in dit kort geding geen plaats. De beklagprocedure die al is ingezet is daarvoor de geëigende weg. 4.10. [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op: - griffierecht € 735 - salaris advocaat € 1.177 - nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.101 4.11. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De voorzieningenrechter: 5.1. wijst de vorderingen af; 5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.101, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend; 5.3. veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald; 5.4. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026. yd
Volledig
Alle hiervoor genoemde omstandigheden hebben meegewogen bij de door het ORG gemaakte inschatting van de kans op en impact van bepaalde dreigingen en risico’s zoals beschreven in de Circulaire. Dat deze informatie al lange tijd bekend is, zoals [eiser] stelt, maakt niet dat de informatie vanwege tijdverloop zijn relevantie verliest. Volgens de Circulaire kan immers bij het maken van de risico-inschatting worden gekeken naar het strafrestant, de criminele carrière, de beschikbare financiële middelen en het netwerk van de gedetineerde en de rol van de gedetineerde binnen een criminele organisatie en/of samenwerkingsverband. Dat recente meldingen of incidenten ontbreken hoeft niet zonder meer te leiden tot de conclusie dat het risico op liquidatie is geweken. Zoals gezegd is [eiser] veroordeeld in een grootschalige strafzaak die volop in de media is, waarin diverse levensdelicten zijn gepleegd en waarvoor [eiser] medeplichtig is gehouden. De Staat voert in dit verband terecht aan dat binnen het criminele milieu waar het hier om gaat, niet ondenkbaar is dat represailles worden genomen. Het enkele feit dat [eiser] een bekennende verdachte zou zijn, maar alleen over zichzelf zou verklaren, is in ieder geval niet zwaarwegend genoeg geacht door de selectiefunctionaris om te oordelen dat [eiser] geen gevaar (meer) vormt voor zichzelf en anderen, ook omdat de dreiging vanuit relaties van de slachtoffers zou kunnen komen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. 4.6. Voor wat betreft het risico op vluchtgevaar is meegewogen dat [land] om de uitlevering van [eiser] heeft verzocht wegens verdenking van medeplegen van/medeplichtigheid aan moord op de zoon van een rechter in [plaats 3] in november 2017. De Staat heeft erop gewezen dat de uitlevering van [eiser] toelaatbaar is verklaard ondanks dat [eiser] zich daartegen had verzet. Ook hier heeft het ORG op basis van de in de Circulaire genoemde factoren een inschatting gemaakt van de risico’s en geconcludeerd dat niet kan worden uitgesloten dat [eiser] er belang bij kan hebben om zich te onttrekken aan detentie. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk. Hierbij is mede van belang dat de Staat heeft aangevoerd dat andere leden van het CSV waar [eiser] deel van uitmaakt al eens (gewelddadige) ontsnappingsplannen hebben beraamd. Hoewel het juist is dat [eiser] niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor gedragingen van medeverdachten, kan deze omstandigheid wel meewegen bij het maken van de risico-inschatting door het ORG. Dat [eiser] tot op heden geen poging tot ontsnapping heeft ondernomen, hoeft dan ook niet doorslaggevend te zijn. 4.7. Voor zover [eiser] aanvoert dat hij al een jaar lang goed en stabiel gedrag vertoont en dat hij daarom niet begrijpt waarom hij nog op de GVM-lijst staat, wordt dit betoog verworpen. De voorzieningenrechter is met de Staat van oordeel dat het enkele feit dat de detentie van [eiser] nu ruim een jaar een positiever verloop kent, niet tot gevolg heeft dat moet worden geconcludeerd dat de veiligheidsrisico’s zodanig zijn afgenomen dat monitoring door het ORG niet meer nodig is. Ter waarborging van de orde en veiligheid in de inrichtingen kan monitoring (en het signaleren van risico’s) voor langere tijd noodzakelijk zijn en dat is volgens het ORG hier het geval, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen. 4.8. Concluderend is de voorzieningenrechter van oordeel dat de selectiefunctionaris in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot plaatsing en de handhaving van [eiser] op de GVM-lijst in de categorie RG. Voor een ingrijpen als in 4.3 bedoeld is geen grond. Dat betekent dat de vordering van [eiser] wordt afgewezen. 4.9. [eiser] heeft nog aangevoerd dat zijn GVM-status door de komst van de nieuwe Circulaire zonder enige onderbouwing is opgeschaald en dat dit automatisch tot een verzwaring van de toezichtmaatregelen heeft geleid. Voor zover [eiser] stelt dat ook om die reden zijn plaatsing en handhaving op de GVM-lijst onrechtmatig is, slaagt dit betoog evenmin. Het is juist dat in de nieuwe Circulaire de categorieën ‘verhoogd’ en ‘hoog’ zijn samengekomen in de categorie RG. Dat [eiser] als RG is aangemerkt, is dan ook een logisch gevolg van het toepassen van de nieuwe regelgeving. [eiser] stelt nog dat gedetineerden die eerder in de categorie ‘verhoogd’ zaten, nu in een strenger regime zijn terechtgekomen. Dit acht de voorzieningenrechter niet relevant. [eiser] miskent met deze stelling namelijk dat het ORG iedere gedetineerde individueel beoordeelt en per gedetineerde adviseert over het al dan niet opleggen van bepaalde (toezicht)maatregelen. Voor toetsing van de rechtmatigheid van de aan [eiser] opgelegde toezichtmaatregelen is in dit kort geding geen plaats. De beklagprocedure die al is ingezet is daarvoor de geëigende weg. 4.10. [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op: - griffierecht € 735 - salaris advocaat € 1.177 - nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.101 4.11. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De voorzieningenrechter: 5.1. wijst de vorderingen af; 5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.101, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend; 5.3. veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald; 5.4. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026. yd