Rechtspraak Rechtbank Den Haag 2026-01-26
ECLI:NL:RBDHA:2026:1051
Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige kamer Parketnummers: 09/130062-25 en 09/024647-24 (tul) Datum uitspraak: 26 januari 2026 Tegenspraak De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 1991 te [geboorteplaats] , op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats 1] , locatie [locatie] . 1 Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 11 augustus 2025, 28 oktober 2025 (beide pro forma) en 12 januari 2026 (inhoudelijke behandeling). De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N. Bakker en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. S. van der Eijk naar voren is gebracht. 2 De tenlastelegging De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Aan de verdachte is, kort en zakelijk weergegeven, ten laste gelegd dat hij op: 1. april 2025 in Zoetermeer zijn (ex)partner [slachtoffer 1] heeft mishandeld; 2. 16 augustus 2020 in Zoetermeer zijn (ex)partner, primair heeft geprobeerd zwaar te mishandelen, subsidiair heeft mishandeld; 3. 25 januari 2025 in Zoetermeer [slachtoffer 2] , primair heeft geprobeerd zwaar te mishandelen, subsidiair heeft mishandeld; 4. 25 januari 2025 in Zoetermeer [slachtoffer 2] heeft bedreigd; 5. 16 augustus 2020 in Zoetermeer zijn (ex)partner [slachtoffer 1] heeft mishandeld. 3 De bewijsbeslissing 3.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1, 2 primair, 3 primair, 4 en 5 ten laste gelegde. 3.2. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 ten laste gelegde bepleit en heeft zich met betrekking tot het onder 3 subsidiair ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat dit kan worden bewezen verklaard. 3.3. Vrijspraak feit 4 (bedreiging [slachtoffer 2] ) Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde, de bedreiging van [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ), oordeelt de rechtbank als volgt. [slachtoffer 2] verklaart dat zij na de mishandeling in de gang van de woning door de verdachte tegen is gehouden. In de gang zou hij de ten laste gelegde bedreiging hebben geuit. De verdachte ontkent [slachtoffer 2] in de gang met de dood of met zware mishandeling te hebben bedreigd. De gehoorde getuigen hebben niets verklaard over de bedreigingen die de verdachte heeft geuit jegens [slachtoffer 2] . Het enige andere bewijs dat betrekking heeft op de inhoud van de dreigende woorden die de verdachte heeft geuit, is het door [slachtoffer 2] opgenomen telefoongesprek waarop te horen is dat de verdachte zegt: “Noem mijn naam en politie nog één keer ooit in jouw leven in 1 zin?. Gaat niet goed aflopen…”. Uit deze opname volgt naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer dat de verdachte [slachtoffer 2] heeft bedreigd met de dood of met zware mishandeling, ook niet dat dit woorden zijn van gelijke strekking. Gelet op het voorgaande spreekt de rechtbank de verdachte vrij van het onder 4 ten laste gelegde. 3.4. Gebruikte bewijsmiddelen De rechtbank heeft in bijlage II opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben. 3.5. Bewijsoverwegingen feiten 1, 2, 3 en 5 Ten aanzien van feit 1 Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de verdediging ter terechtzitting aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer. Volgens de verdediging zou de verdachte uit het niets door [slachtoffer 1] van achteren zijn aangevallen met een mes. De verdachte zou hebben geprobeerd het mes af te pakken en in een worsteling [slachtoffer 1] geraakt kunnen hebben. De officier Daarvoor is vereist dat verdachte wetenschap had van die aanmerkelijke kans en ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard. De rechtbank oordeelt als volgt. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte meerdere malen [slachtoffer 1] bij de nek/hals heeft gepakt en enige tijd in de nek/hals is blijven knijpen. Dit volgt uit de verklaring van [slachtoffer 1] en het letsel dat door de politie kort na het gebeurde in de hals van [slachtoffer 1] is waargenomen. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat ze werd gewurgd door de verdachte en het voelde alsof de verdachte haar luchtpijp en strottenhoofd uit haar lichaam wilde trekken. [slachtoffer 1] voelde dat ze niet tot nauwelijks kon ademen en het leek alsof er met de seconde meer druk op haar hoofd kwam. Het voelde alsof haar hoofd zou ontploffen. Ze denkt dat de verwurging ongeveer 10 tot 15 seconden heeft geduurd. De rechtbank is van oordeel dat de kans aanmerkelijk is geweest dat [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Het is een feit van algemene bekendheid dat de keel een kwetsbaar onderdeel van het lichaam is, waarin zich onder andere de luchtpijp, het strottenhoofd en de halsslagader bevinden. Ook het dichtknijpen van de keel gedurende enkele seconden kan leiden tot een zuurstofgebrek, wat kan leiden tot hersenletsel. De bewezen verklaarde gedragingen zijn naar de uiterlijke verschijningsvorm ook zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans daarop heeft aanvaard. De rechtbank acht het onder 2 primair ten laste gelegde daarom wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van feit 3 primair Ook ten aanzien van dit feit dient de rechtbank te beoordelen of sprake is van een poging tot zware mishandeling. Van vol opzet is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake, omdat dit niet uit het dossier kan worden afgeleid. Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van de gebruikte bewijsmiddelen worden vastgesteld dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 2] . Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte [slachtoffer 2] meerdere malen met kracht in het gezicht heeft gestompt, waardoor zij is komen te vallen en ‘out’ is gegaan. De verdachte heeft [slachtoffer 2] vervolgens vastgepakt, aan haar bh omhoog getrokken en over de grond gesleept. Dat de verdachte met kracht heeft geslagen volgt uit het forse letsel dat [slachtoffer 2] heeft opgelopen en de verklaring van de deskundige. Uit de letselrapportage volgt dat [slachtoffer 2] bloeduitstortingen heeft opgelopen rondom beide ogen, waarbij de bloeduitstorting bij het rechteroog doorloopt tot het jukbeen. Verder zijn er bloeduitstortingen aan de rechterslaap en bij het (voor)hoofd en in de lippen. Ook zijn er diverse huidbeschadigingen in het gezicht en hals aangetroffen. De letsels in het gezicht van [slachtoffer 2] worden verklaard door ten minste drie plaatselijke inwerkingen van uitwendig mechanisch geweld. Het is volgens de deskundigen ook waarschijnlijker dat het letsel in het gezicht is ontstaan door slaan met de gebalde hand dan door een val. Tot slot volgt uit de letselrapportage dat [slachtoffer 2] een eenzijdige kneuzing van de kauwspieren heeft opgelopen, waarvan het herstel maximaal ongeveer zes maanden duurt. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gezicht en het hoofd kwetsbare delen van het menselijk lichaam zijn. Er is een aanmerkelijke kans dat een harde stomp tegen het gezicht of hoofd tot zwaar lichamelijk letsel kan leiden. De bewezen verklaarde gedragingen, te weten [slachtoffer 2] meerdere malen met kracht in het gezicht stompen waardoor zij is komen te vallen, zijn naar de uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans daarop heeft aanvaard. De rechtbank acht het onder 3 primair ten laste gele De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de gevorderde contact- en locatieverboden op grond van artikel 38v Sr. 6.3. Het oordeel van de rechtbank Na te melden straf en maatregelen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. Ernst van de feiten De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vier geweldsdelicten. Op 16 augustus 2020 heeft hij zich schuldig gemaakt aan mishandeling en poging tot zware mishandeling van zijn ex-partner [slachtoffer 1] . Daarnaast heeft hij zich op 26 april 2025 wederom schuldig gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer 1] . Bij deze mishandeling was hun dochter van vijf jaar oud aanwezig. Uit de slachtofferverklaring en de toelichting op de vordering van de benadeelde partij blijkt dat [slachtoffer 1] door de geweldshandelingen angstig en depressief is geworden. Ze heeft zowel na de mishandeling en de poging tot zware mishandeling in 2020 als na de mishandeling in 2025 EMDR-therapie gevolgd. De verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 2] op 25 januari 2025. Uit de slachtofferverklaring en de toelichting op de vordering van de benadeelde partij blijkt dat [slachtoffer 2] sinds de geweldshandelingen angstig is, slecht slaapt, zich gespannen voelt, haar concentratie is verminderd en zij zich sneller overprikkeld voelt. Daarnaast heeft zij een litteken bij haar oog overgehouden die haar telkens herinnert aan de geweldshandelingen. [slachtoffer 2] is na de geweldshandelingen gestart met EMDR-behandelingen bij de psycholoog. Het valt op dat de verdachte keer op keer zonder noemenswaardige aanleiding agressief is geworden en is overgegaan tot zeer grof geweld tegen verschillende vrouwen. Hij heeft daarmee een grove inbreuk gemaakt op hun lichamelijke en geestelijke integriteit. De rechtbank neemt de verdachte dit alles zeer kwalijk. Strafblad De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 19 september 2025. De verdachte is veelvuldig veroordeeld voor geweldsfeiten, waarvan het eerste geweldfeit is gepleegd in 2005. Verder volgt uit het strafblad van de verdachte dat hij vanaf 2018 vele malen is veroordeeld voor mishandeling van zijn (ex)partner en dat ook in de afgelopen vijf jaren het geweld tegen zijn partner is doorgegaan. Verder constateert de rechtbank dat de verdachte in een proeftijd liep van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf. Deze straf was opgelegd voor mishandeling van zijn (ex)partner [slachtoffer 1] . De rechtbank weegt het één en ander in strafverzwarende zin mee. Persoon van de verdachte De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende rapportages: - de Pro Justitia-rapportage van 12 september 2025, opgesteld door GZ-psycholoog drs. [naam 1] ; - de Pro Justitia-rapportage van 16 september 2025, opgesteld door psychiater dr. [naam 2] ; - het reclasseringsadvies van 8 oktober 2025, opgesteld door drs. [naam 3] . De Pro Justitia-rapportages In de Pro Justitia-rapportage (hierna: PJ-rapportage) van 12 september 2025 concludeert GZ-psycholoog drs. [naam 1] dat bij de verdachte sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Deze was aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde. De psycholoog adviseert de aan hem ten laste gelegde feiten in verminderde mate toe te rekenen. Door de antisociale persoonlijkheidsstoornis is de verdachte niet geneigd om risicovolle situaties uit de weg te gaan of hulp te zoeken, kan hij niet goed omgaan met spanningen en is hij beperkt in zijn mogelijkheid om zichzelf af te remmen. Dit leidt tot impulsiviteit en gebrekkige zelfcontrole. Daarnaast remmen gevoelens van schuld of schaamte de verdachte weinig af, aangezien deze vanuit zijn persoonlijkheidsst Een behandeling op basis van een voorwaardelijk strafdeel wordt niet geadviseerd, omdat dan het risico bestaat dat verdachte bij een tenuitvoerlegging onbehandeld terug zal keren in de maatschappij, wat bij de tbs-maatregel met voorwaarden niet zal gebeuren. Het reclasseringsadvies De rechtbank heeft ook acht geslagen op een reclasseringsadvies over de verdachte van 8 oktober 2025. De reclassering schat het risico op recidive en letsel hoog in. De reclassering adviseert negatief over de tbs-maatregel met voorwaarden. Volgens de reclassering dient er bij de tbs-maatregel met voorwaarden sprake te zijn van enig ziekte-inzicht en bereidheid tot behandeling. De verdachte heeft tegen de reclassering gezegd dat hij geen agressieprobleem heeft waaraan moet worden gewerkt. Volgens de reclassering geeft de verdachte geen enkele blijk van enige intrinsieke motivatie voor gedragsverandering. Volgens de reclassering moet er een intensieve, langdurende klinische behandeling (FPK) binnen een strikt- en gestructureerd kader zonder tijdsdruk plaatsvinden. De verdachte heeft in het verleden een patroon laten zien van het niet nakomen van afspraken bij De Waag waardoor het niet tot een behandeling is gekomen. Gelet op de weerstand van de verdachte in het verleden, acht de reclassering een stevig kader noodzakelijk om het recidiverisico te beperken. De reclassering adviseert bij een veroordeling tot tbs of tot een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38z Sr op te leggen. Aanvullende verklaringen van de deskundigen In de schriftelijke bijdrage van 12 januari 2026 heeft de psycholoog op verzoek van de rechtbank een schriftelijke reactie gegeven op het reclasseringsadvies. De psycholoog schrijft dat een klinische opname noodzakelijk zal zijn vanwege het verhoogde recidiverisico en de kans op een gedragsverandering bij verdachte en het doorbreken van zijn delictpatroon te vergroten. Nu de verdachte in het gesprek met de reclassering verder lijkt te zijn verhard in zijn standpunten ten opzichte van het ten laste gelegde en zijn aandeel hierin, kan de psycholoog zich vinden in de conclusies van de reclassering. Volgens de psycholoog blijft dan de tbs-maatregel met dwangverpleging over. De psychiater dr. [naam 2] was aanwezig tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak en heeft dus ook kennis genomen van de verklaringen en houding van de verdachte ter zitting. De psychiater heeft verklaard dat hij motivatie en enig ziektebesef ziet bij de verdachte, maar dat hij door zijn antisociale persoonlijkheidsstoornis dit niet zelf kan oplossen en behandeling nodig heeft. De psychiater staat nog steeds achter zijn eerder opgestelde PJ-rapportage en denkt dat de tbs-maatregel met voorwaarden passend is. De deskundige die het reclasseringsadvies heeft opgesteld, drs. [naam 3] , was ook aanwezig tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak. Hij stelt zich op het standpunt dat de tbs-maatregel met dwangverpleging het beste kader is, gelet op het gebrek aan ziektebesef van de verdachte. De tbs-maatregel met voorwaarden De rechtbank gaat uit van de PJ-rapportages van de psycholoog en de psychiater, aangezien deze conclusies en adviezen worden gedragen door een uitgebreide en deugdelijke onderbouwing, zodat er geen reden bestaat om aan de juistheid van deze adviezen te twijfelen. De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen over en maakt die tot de hare. De rechtbank zal, conform de PJ-rapportages, de bewezen verklaarde feiten in verminderde mate aan de verdachte toerekenen. De rechtbank is, net als de deskundigen, van oordeel dat het noodzakelijk is dat de verdachte wordt behandeld voor zijn problematiek om zo te voorkomen dat hij nieuwe strafbare feiten pleegt. De rechtbank ziet het kader van de tbs-maatregel als enige passende juridische kader om te waarborgen dat de verdachte die behandeling krijgt. De rechtbank volgt de deskundigen in hun advies dat een stevig kader De rechtbank gelast immers de terbeschikkingstelling van de verdachte. De 38v-maatregel Nu reeds het contactverbod en het locatieverbod in de voorwaarden van de tbs-maatregel met voorwaarden zijn opgenomen, acht de rechtbank het niet opportuun een maatregel ex artikel 38v Sr op te leggen die bestaat uit dezelfde verboden. Daarom zal de rechtbank niet een artikel 38v-maatregel opleggen. De straf De rechtbank is van oordeel dat er naast de tbs-maatregel met voorwaarden ook een straf aan de verdachte moet worden opgelegd. De ernst van de feiten maakt dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De rechtbank wijkt daarmee af van de eis van de officier van justitie, omdat zij in het nadeel van de verdachte de ernst van de feiten en de veroordelingen voor vele geweldsdelicten zwaarder laat wegen. Indicatiestelling Forensische Zorg De reclassering heeft nog geen Indicatiestelling Forensische Zorg aangevraagd. Er is dus nog geen kliniek waar de verdachte kan worden geplaatst. Dat dient alsnog zo spoedig mogelijk te gebeuren, opdat de verdachte na zijn detentie zo snel mogelijk in een kliniek kan worden opgenomen. Voorlopige hechtenis De rechtbank zal bevelen dat de voorlopige hechtenis wordt geschorst vanaf het moment dat de verdachte terecht kan in een kliniek voor klinische behandeling. Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis zullen dezelfde voorwaarden worden verbonden als die aan de tbs-maatregel zijn verbonden. 7 De vorderingen van de benadeelde partijen/de schadevergoedingsmaatregelen 7.1. De vordering benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 2.106,95, te vermeerderen met de wettelijke rente (vanaf 16 augustus 2020 over het bedrag van € 1.000,- en vanaf 26 april 2025 over een bedrag van € 1.106,95) en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 106,95 aan materiële schade (fysiotherapie), € 1.000,- aan immateriële schade voor de feiten uit 2020 en € 1.000,- aan immateriële schade voor het feit uit 2025. 7.1.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij moet worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 7.1.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij primair niet-ontvankelijk moet worden verklaard gelet op de bepleite vrijspraak voor de onder 1, 2 en 5 ten laste gelegde feiten. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat een lager bedrag aan smartengeld moet worden toegekend, omdat hoogstens één van beide feiten bewezen kan worden verklaard. Volgens de verdediging is een bedrag van maximaal € 750,- passend. Indien de rechtbank wel tot een bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit komt, is de materiële post (€ 106,95 voor fysiotherapie) volgens de verdediging toewijsbaar. 7.1.3. Het oordeel van de rechtbank Materiële schade De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post fysiotherapie (€ 106,95), is namens de verdachte niet betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag. Immateriële schade Op grond van het strafdossier en de toelichting op de vordering van de benadeelde partij is komen vast te staan dat de benadeelde partij psychisch letsel heeft opgelopen als rechtstreeks gevolg van de onder 1, 2 en 5 bewezenverklaarde feiten. De benadeelde partij heeft De rechtbank is van oordeel dat namens de benadeelde partij voldoende is onderbouwd dat de EMDR-behandelingen in 2026 gaan plaatsvinden en de benadeelde partij hierdoor haar eigen risico van 2026 moet gaan betalen. De benadeelde partij is door de huisarts doorverwezen naar een psycholoog voor (het vermoeden van) de Posttraumatische stressstoornis (PTSS). De benadeelde partij is in 2025 gestart met EMDR-behandelingen bij de psycholoog. De EMDR-behandeling gaan in 2026 verder en de psycholoog heeft aangegeven dat de benadeelde partij nog minstens zes behandelingen zal moeten volgen. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 3 bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag. Immateriële schade Op grond van het strafdossier en de toelichting op de vordering van de benadeelde partij is komen vast te staan dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als rechtstreeks gevolg van het onder 3 bewezenverklaarde feit en dat de verdachte ook het oogmerk had om de benadeelde partij dit nadeel toe te brengen. De benadeelde partij heeft daarom recht op vergoeding van immateriële schade als bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) door de verdachte. Gelet op wat door de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 2.000,-. De rechtbank heeft daarbij acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’ waarin voor geringe littekenvorming in het gezicht een bandbreedte staat vermeld van € 1.000,- - € 2.500,-. Totaal toegewezen De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 2.750,-, bestaande uit € 750,- aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade. Wettelijke rente De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 25 januari 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan. Proceskosten Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Schadevergoedingsmaatregel De verdachte zal voor het onder 3 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.750,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 25 januari 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald ten behoeve van [slachtoffer 2] . 8 De vordering tot tenuitvoerlegging 8.1. De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft bij vordering van 19 december 2025 gevorderd dat de bij parketnummer 09/024647-24 door de politierechter van de rechtbank Den Haag op 14 november 2024 voorwaardelijke opgelegde straf van 3 weken gevangenisstraf, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden. De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging wordt afgewezen. 8.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen. 8.3. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf toewijzen, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft zich voor het einde van de proeftijd die bij vonnis van 14 november 2024 was vastge zich laat opnemen in een klinische zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname start zodra er een plek is gevonden en duurt zolang de reclassering en de zorginstelling dat nodig vinden. De terbeschikkinggestelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen en de controle daarop kan onderdeel zijn van de behandeling. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt de terbeschikkinggestelde mee aan de indicatiestelling, leefregels van de verblijfsinstelling en plaatsing; 4. aansluitend aan zijn klinische opname zal verblijven in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing, indien de reclassering dit noodzakelijk acht . Het verblijf duurt zolang de reclassering en zorginstelling dat nodig vinden. De terbeschikkinggestelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld; 5. zich aansluitend aan zijn klinische behandeling laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering en/of de zorginstelling dat nodig vindt. De terbeschikkinggestelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt; 6. meewerkt aan middelencontrole. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak de terbeschikkinggestelde wordt gecontroleerd. Mogelijke controlemiddelen zijn ademonderzoek (blaastest) en urineonderzoek; 7. zich inzet voor het realiseren en behouden van een passende- en door de reclassering goedgekeurde dagbesteding en zich houdt aan de voorwaarden c.q. regels die hem gesteld worden; 8. inzage geeft in zijn financiën en meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van betalingsregelingen. Desgewenst werkt hij mee aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen en/of beschermingsbewind; 9. zich niet buiten de Europese landsgrenzen van Nederland zal begeven; 10. op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft of zoekt met het slachtoffer [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 1993 te [geboorteplaats] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt; 11. op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft of zoekt met het slachtoffer [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 3] 1995 te [geboorteplaats] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt; 12. zich niet zal ophouden in de straat [straatnaam 1] , [postcode 1] te [plaats 2] , zolang het Openbaar Ministerie dit nodig vindt; 13. zich niet zal ophouden in de straat [straatnaam 2] , [postcode 2] te [plaats 2] , zolang het Openbaar Ministerie dit nodig vindt. geeft opdracht aan Reclassering Nederland de ter beschikking gestelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen; beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is; de rechtbank herhaalt dat de reclassering nog geen Indicatiestelling Forensische Zorg heeft aangevraagd. Dat dient alsnog zo spoedig mogelijk te gebeuren , opdat de verdachte na zijn detentie zo snel mogelijk in een kliniek kan worden opgenomen; schorst het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte vanaf het moment dat de verdachte terecht kan in een kliniek voor klinische opname. Aan deze schorsing worden dezelfde voorwaarden verbonden zoals hiervoor onder 1 tot en met 13 opgenomen bij de opgelegde maatregel van terbeschikkingstelling; legt aan de veroordeelde op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z Sr ; de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer