Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-05-01
ECLI:NL:RBDHA:2026:10461
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,944 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10461 text/xml public 2026-05-18T16:09:07 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-01 NL26.14183 en NL26.14184 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening+bodemzaak NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10461 text/html public 2026-05-18T16:07:36 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10461 Rechtbank Den Haag , 01-05-2026 / NL26.14183 en NL26.14184 structurele terkortkomingen opvang, AIDA, medische zorg RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL26.14183 en NL26.14184 uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen [eiser] , [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. F.J.E. Hogewind), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 13 maart 2026 niet in behandeling genomen, omdat Portugal verantwoordelijk is voor de aanvraag. Beoordeling door de rechtbank Geen zitting 2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit. Waar gaat deze zaak over? 3. Eiser stelt de Soedanese nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 1998 te zijn geboren. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Portugal verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en is van oordeel dat dit onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. In Portugal zijn er volgens eiser structurele tekortkomingen in de opvang. Eiser heeft met documenten onderbouwd en aannemelijk gemaakt dat hij zeer slechte opvang heeft gehad onder zeer onhygiënische omstandigheden, waardoor hij huidziektes heeft opgelopen. Ook heeft eiser voedselvergiftiging opgelopen, doordat hij voedsel kreeg dat ver over de datum was. Medische behandeling is eiser vervolgens geweigerd. Eiser stelt dat zijn ervaringen overeenkomen met het AIDA-rapport over Portugal (update 2025). Tot slot heeft eiser met documenten onderbouwd dat op zijn beklag niet of nauwelijks is gereageerd door de Portugese autoriteiten en dat hij geen juridische ingang heeft om zich over zijn erbarmelijke omstandigheden te beklagen. Dat eiser zich had moeten beklagen bij de Portugese autoriteiten, kan hem dan ook niet worden tegengeworpen. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5. De rechtbank stelt voorop dat verweerder in zijn algemeenheid ten aanzien van de lidstaten mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit betekent dat verweerder in beginsel ervanuit mag gaan dat Portugal zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Portugal niet in strijd zal zijn met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Portugal, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Portugese autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Portugal overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen aangaande het asiel- en opvangsysteem in Portugal. Van een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest zal, in geval eiser aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. 5.1. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om af te wijken van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Portugal. Hoewel uit het AIDA- rapport, update 2025, volgt dat er problemen zijn met toegang tot opvangvoorzieningen en asielzoekers in het algemeen worden geconfronteerd met de nodige moeilijkheden, blijkt hieruit niet dat de algemene situatie voor Dublinterugkeerders in Portugal zo slecht is dat zij structureel op grote schaal en voor langere periodes het reële risico lopen dat zij daadwerkelijk geen toegang hebben tot fundamentele behoeften. Er is dus geen sprake van zodanige systeemfouten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel van 4 van het Handvest. Dit betekent ook dat als eiser bij overdracht geen opvang of geen toegang tot medische zorg zou krijgen, het op zijn weg ligt om daarover in Portugal te klagen bij de (hogere) Portugese autoriteiten. Dat dit voor hem niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is, heeft eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt. Eiser heeft correspondentie overgelegd via WhatsApp en e-mail, waaruit blijkt dat hij ook reacties op zijn beklag en verzoeken heeft gekregen. Ook kan uit de door eiser overgelegde correspondentie worden afgeleid dat de Ombudsman zijn klacht serieus lijkt te nemen omdat wordt verzocht om correspondentie / communicatie over te leggen. Hieruit blijkt dus niet dat eiser geen toegang heeft tot de Portugese autoriteiten of dat deze eiser niet willen of kunnen helpen. 5.2. Verder overweegt de rechtbank dat eiser nog niet eerder aan Portugal is overgedragen als Dublinclaimant en dat de Portugese autoriteiten met het claimakkoord hebben gegarandeerd dat zij de asielaanvraag van eiser in behandeling zullen nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. 6. Ten aanzien van eisers gestelde medische omstandigheden heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat uit de overlegde documenten niet is gebleken dat hem noodzakelijke medische zorg is geweigerd of dat die zorg hem zal worden geweigerd na overdracht aan Portugal. Het bestreden besluit is voldoende zorgvuldig tot stand gekomen en voldoende gemotiveerd. Conclusie en gevolgen 7. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond. 8. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. 9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van M. Ramdihal, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218. Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10461 text/xml public 2026-05-18T16:09:07 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-01 NL26.14183 en NL26.14184 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening+bodemzaak NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10461 text/html public 2026-05-18T16:07:36 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10461 Rechtbank Den Haag , 01-05-2026 / NL26.14183 en NL26.14184 structurele terkortkomingen opvang, AIDA, medische zorg RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL26.14183 en NL26.14184 uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen [eiser] , [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. F.J.E. Hogewind), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 13 maart 2026 niet in behandeling genomen, omdat Portugal verantwoordelijk is voor de aanvraag. Beoordeling door de rechtbank Geen zitting 2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit. Waar gaat deze zaak over? 3. Eiser stelt de Soedanese nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 1998 te zijn geboren. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Portugal verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en is van oordeel dat dit onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. In Portugal zijn er volgens eiser structurele tekortkomingen in de opvang. Eiser heeft met documenten onderbouwd en aannemelijk gemaakt dat hij zeer slechte opvang heeft gehad onder zeer onhygiënische omstandigheden, waardoor hij huidziektes heeft opgelopen. Ook heeft eiser voedselvergiftiging opgelopen, doordat hij voedsel kreeg dat ver over de datum was. Medische behandeling is eiser vervolgens geweigerd. Eiser stelt dat zijn ervaringen overeenkomen met het AIDA-rapport over Portugal (update 2025). Tot slot heeft eiser met documenten onderbouwd dat op zijn beklag niet of nauwelijks is gereageerd door de Portugese autoriteiten en dat hij geen juridische ingang heeft om zich over zijn erbarmelijke omstandigheden te beklagen. Dat eiser zich had moeten beklagen bij de Portugese autoriteiten, kan hem dan ook niet worden tegengeworpen. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5. De rechtbank stelt voorop dat verweerder in zijn algemeenheid ten aanzien van de lidstaten mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit betekent dat verweerder in beginsel ervanuit mag gaan dat Portugal zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Portugal niet in strijd zal zijn met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Portugal, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Portugese autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Portugal overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen aangaande het asiel- en opvangsysteem in Portugal. Van een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest zal, in geval eiser aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. 5.1. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om af te wijken van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Portugal. Hoewel uit het AIDA- rapport, update 2025, volgt dat er problemen zijn met toegang tot opvangvoorzieningen en asielzoekers in het algemeen worden geconfronteerd met de nodige moeilijkheden, blijkt hieruit niet dat de algemene situatie voor Dublinterugkeerders in Portugal zo slecht is dat zij structureel op grote schaal en voor langere periodes het reële risico lopen dat zij daadwerkelijk geen toegang hebben tot fundamentele behoeften. Er is dus geen sprake van zodanige systeemfouten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel van 4 van het Handvest. Dit betekent ook dat als eiser bij overdracht geen opvang of geen toegang tot medische zorg zou krijgen, het op zijn weg ligt om daarover in Portugal te klagen bij de (hogere) Portugese autoriteiten. Dat dit voor hem niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is, heeft eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt. Eiser heeft correspondentie overgelegd via WhatsApp en e-mail, waaruit blijkt dat hij ook reacties op zijn beklag en verzoeken heeft gekregen. Ook kan uit de door eiser overgelegde correspondentie worden afgeleid dat de Ombudsman zijn klacht serieus lijkt te nemen omdat wordt verzocht om correspondentie / communicatie over te leggen. Hieruit blijkt dus niet dat eiser geen toegang heeft tot de Portugese autoriteiten of dat deze eiser niet willen of kunnen helpen. 5.2. Verder overweegt de rechtbank dat eiser nog niet eerder aan Portugal is overgedragen als Dublinclaimant en dat de Portugese autoriteiten met het claimakkoord hebben gegarandeerd dat zij de asielaanvraag van eiser in behandeling zullen nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. 6. Ten aanzien van eisers gestelde medische omstandigheden heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat uit de overlegde documenten niet is gebleken dat hem noodzakelijke medische zorg is geweigerd of dat die zorg hem zal worden geweigerd na overdracht aan Portugal. Het bestreden besluit is voldoende zorgvuldig tot stand gekomen en voldoende gemotiveerd. Conclusie en gevolgen 7. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond. 8. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. 9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van M. Ramdihal, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218. Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.