Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-05-06
ECLI:NL:RBDHA:2026:10456
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,714 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10456 text/xml public 2026-05-20T09:30:20 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-06 SGR 24/9861 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10456 text/html public 2026-05-18T15:23:45 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10456 Rechtbank Den Haag , 06-05-2026 / SGR 24/9861 Beroep tegen weigering ZW-uitkering. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 24/9861 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 mei 2026 in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], eiser (gemachtigde: mr. A. Dogan), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)¸ verweerder (gemachtigde: mr. J.S. de Vreeze). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de weigering van het Uwv om aan hem een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toe te kennen. Eiser is het daar niet mee eens. Hij vindt dat hij arbeidsongeschikt is voor zijn eigen werk op medische gronden en dit voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Voorts stelt eiser dat het bestreden besluit in strijd is met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel. Aan de hand van wat eiser in beroep tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd, beoordeelt de rechtbank of de besluitvorming van het Uwv juist is. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de besluitvorming juist is en dat het Uwv terecht heeft geweigerd om aan eiser een ZW-uitkering toe te kennen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Inleiding 2.1. Eiser werkte van 1 september 2022 tot 21 februari 2023 als boodschappenbezorger bij [bedrijfsnaam] B.V. voor vier dagen, 30 uur per week. Op 21 februari 2023 heeft hij een scooterongeluk gehad. Na het einde van zijn dienstverband bij [bedrijfsnaam] B.V. heeft hij vanaf 3 april 2023 tot 13 november 2023 een ZW-uitkering ontvangen. Aansluitend is hem per 13 november 2023 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Hij heeft zich per 13 februari 2024 ziekgemeld bij het Uwv. 2.2. Met het primaire besluit van 5 juli 2024 heeft het Uwv geweigerd aan eiser per 13 februari 2024 een ZW-uitkering toe te kennen. 2.3. Met het bestreden besluit op bezwaar van 7 november 2024 heeft het Uwv het primaire besluit gehandhaafd en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. 2.4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en aanvullende stukken ingediend. 2.5. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.6. De rechtbank heeft het beroep op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder. Ook was de vader van eiser aanwezig. Gronden eiser 3. Eiser voert aan dat het Uwv ten onrechte de conclusie heeft getrokken dat hij in staat is om per 13 februari 2024 zijn eigen arbeid te verrichten. Hij is arbeidsongeschikt voor zijn eigen werk op medische gronden en heeft dit voldoende aannemelijk gemaakt. Eiser heeft op 9 april 2024 een frontale botsing gehad met een andere scooter. Sinds zijn scooterongeluk ervaart hij diverse klachten, ondanks diverse behandelingen. Zo ervaart hij spierproblemen en blijkt medicatie onvoldoende effectief. Verder heeft hij last van psychische klachten in verband waarmee hij een afspraak heeft gemaakt met de POH-GGZ. Eiser heeft verder een voorgeschiedenis van concentratiestoornis/ADHD, wat in combinatie met de fysieke klachten en trauma na de ongelukken de totale belastbaarheid vermindert. Hij verwijst naar de medische stukken die hij in beroep heeft ingediend. De functie van bezorger bij [bedrijfsnaam] B.V. vereist specifieke capaciteiten die direct beïnvloed worden door eisers beperkingen. Het besturen van een voertuig vereist goede nekbewegingen en armkracht; het tillen en dragen van boodschappen vereist adequate spierkracht in armen en rug en langdurig rechtop zitten op een scooter is problematisch bij rugklachten. Verder voert eiser aan dat het bestreden besluit in strijd is met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel. Standpunt verweerder 4. Het Uwv stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat het onderzoek zorgvuldig is geweest. Eiser is in de primaire beoordelingsfase onderzocht door een verzekeringsarts. Tijdens de bezwaarfase heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) dossieronderzoek gedaan waarbij ontvangen informatie van de behandelend sector kenbaar is betrokken. Zowel de primaire verzekeringsarts als de verzekeringsarts b&b komen tot de conclusie dat eiser per 13 februari 2024 geschikt was voor zijn eigen werk. Het bestreden besluit is volgens het Uwv met het rapport van de verzekeringsarts b&b afdoende gemotiveerd. Er is ook geen sprake van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Beoordeling door de rechtbank 5. De rechtbank moet beoordelen of het Uwv terecht heeft geweigerd aan eiser een ZW-uitkering toe te kennen. 5.1. In artikel 19, eerste lid, van de ZW, is bepaald dat de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek, recht heeft op ziekengeld. Het gaat daarbij om de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid. 5.2. Omdat eiser op de datum in geding, 13 februari 2024, geen werkgever had, is de maatstaf zoals beschreven in artikel 19, vijfde lid, van de ZW van toepassing. 6. De rechtbank stelt voorop dat verweerder een besluit over de arbeidsongeschiktheid van een betrokkene mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen, indien deze rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende duidelijk zijn. Zorgvuldigheid 6.1. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. De primaire verzekeringsarts heeft eiser op het spreekuur gezien waarbij een psychisch en lichamelijk onderzoek is verricht. Daarbij heeft hij een uitgebreide anamnese afgenomen. Hij heeft het dossier met de daarin aanwezige informatie van de behandelaars bestudeerd. Zijn bevindingen heeft hij opgenomen in het rapport van 4 juli 2024. In bezwaar heeft de verzekeringsarts b&b dossierstudie verricht en de door eiser in bezwaar overgelegde medische informatie bij het oordeel betrokken. De verzekeringsarts b&b heeft haar bevindingen opgenomen in het rapport van 31 oktober 2024. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt dat zij alle klachten van eiser en de informatie van de behandelaars hebben betrokken in hun beoordeling. Gelet op deze onderzoeksactiviteiten is de rechtbank van oordeel dat de medische rapporten zorgvuldig tot stand zijn gekomen. Medisch oordeel 6.2. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling door de verzekeringsartsen van het Uwv. 6.3. De primaire verzekeringsarts heeft in zijn rapport van 4 juli 2024 overwogen dat de ernst van de door eiser geclaimde belemmeringen en klachten niet volledig is te objectiveren. Eiser geeft aan de ene kant aan dat hij sinds zijn eerste ongeluk (21 februari 2023) niet meer heeft gereden, aan de andere kant geeft hij aan een ongeluk op 2 april 2024 te hebben terwijl hij aan het rijden was. Eiser was dus in de periode voor 2 april in staat om te rijden. Hij was in die periode niet beperkt ten aanzien van zwaar tillen en dragen. De primaire verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat eiser per 13 februari 2024 geschikt is voor zijn eigen werk. 6.4. De verzekeringsarts b&b heeft geconcludeerd dat er geen medische argumenten zijn om van het oordeel van de primaire verzekeringsarts af te wijken. Uit de informatie van de huisarts blijkt dat bij het tweede scooterongeluk geen structureel letsel is ontstaan.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10456 text/xml public 2026-05-20T09:30:20 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-06 SGR 24/9861 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10456 text/html public 2026-05-18T15:23:45 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10456 Rechtbank Den Haag , 06-05-2026 / SGR 24/9861 Beroep tegen weigering ZW-uitkering. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 24/9861 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 mei 2026 in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], eiser (gemachtigde: mr. A. Dogan), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)¸ verweerder (gemachtigde: mr. J.S. de Vreeze). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de weigering van het Uwv om aan hem een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toe te kennen. Eiser is het daar niet mee eens. Hij vindt dat hij arbeidsongeschikt is voor zijn eigen werk op medische gronden en dit voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Voorts stelt eiser dat het bestreden besluit in strijd is met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel. Aan de hand van wat eiser in beroep tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd, beoordeelt de rechtbank of de besluitvorming van het Uwv juist is. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de besluitvorming juist is en dat het Uwv terecht heeft geweigerd om aan eiser een ZW-uitkering toe te kennen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Inleiding 2.1. Eiser werkte van 1 september 2022 tot 21 februari 2023 als boodschappenbezorger bij [bedrijfsnaam] B.V. voor vier dagen, 30 uur per week. Op 21 februari 2023 heeft hij een scooterongeluk gehad. Na het einde van zijn dienstverband bij [bedrijfsnaam] B.V. heeft hij vanaf 3 april 2023 tot 13 november 2023 een ZW-uitkering ontvangen. Aansluitend is hem per 13 november 2023 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Hij heeft zich per 13 februari 2024 ziekgemeld bij het Uwv. 2.2. Met het primaire besluit van 5 juli 2024 heeft het Uwv geweigerd aan eiser per 13 februari 2024 een ZW-uitkering toe te kennen. 2.3. Met het bestreden besluit op bezwaar van 7 november 2024 heeft het Uwv het primaire besluit gehandhaafd en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. 2.4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en aanvullende stukken ingediend. 2.5. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.6. De rechtbank heeft het beroep op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder. Ook was de vader van eiser aanwezig. Gronden eiser 3. Eiser voert aan dat het Uwv ten onrechte de conclusie heeft getrokken dat hij in staat is om per 13 februari 2024 zijn eigen arbeid te verrichten. Hij is arbeidsongeschikt voor zijn eigen werk op medische gronden en heeft dit voldoende aannemelijk gemaakt. Eiser heeft op 9 april 2024 een frontale botsing gehad met een andere scooter. Sinds zijn scooterongeluk ervaart hij diverse klachten, ondanks diverse behandelingen. Zo ervaart hij spierproblemen en blijkt medicatie onvoldoende effectief. Verder heeft hij last van psychische klachten in verband waarmee hij een afspraak heeft gemaakt met de POH-GGZ. Eiser heeft verder een voorgeschiedenis van concentratiestoornis/ADHD, wat in combinatie met de fysieke klachten en trauma na de ongelukken de totale belastbaarheid vermindert. Hij verwijst naar de medische stukken die hij in beroep heeft ingediend. De functie van bezorger bij [bedrijfsnaam] B.V. vereist specifieke capaciteiten die direct beïnvloed worden door eisers beperkingen. Het besturen van een voertuig vereist goede nekbewegingen en armkracht; het tillen en dragen van boodschappen vereist adequate spierkracht in armen en rug en langdurig rechtop zitten op een scooter is problematisch bij rugklachten. Verder voert eiser aan dat het bestreden besluit in strijd is met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel. Standpunt verweerder 4. Het Uwv stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat het onderzoek zorgvuldig is geweest. Eiser is in de primaire beoordelingsfase onderzocht door een verzekeringsarts. Tijdens de bezwaarfase heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) dossieronderzoek gedaan waarbij ontvangen informatie van de behandelend sector kenbaar is betrokken. Zowel de primaire verzekeringsarts als de verzekeringsarts b&b komen tot de conclusie dat eiser per 13 februari 2024 geschikt was voor zijn eigen werk. Het bestreden besluit is volgens het Uwv met het rapport van de verzekeringsarts b&b afdoende gemotiveerd. Er is ook geen sprake van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Beoordeling door de rechtbank 5. De rechtbank moet beoordelen of het Uwv terecht heeft geweigerd aan eiser een ZW-uitkering toe te kennen. 5.1. In artikel 19, eerste lid, van de ZW, is bepaald dat de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek, recht heeft op ziekengeld. Het gaat daarbij om de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid. 5.2. Omdat eiser op de datum in geding, 13 februari 2024, geen werkgever had, is de maatstaf zoals beschreven in artikel 19, vijfde lid, van de ZW van toepassing. 6. De rechtbank stelt voorop dat verweerder een besluit over de arbeidsongeschiktheid van een betrokkene mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen, indien deze rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende duidelijk zijn. Zorgvuldigheid 6.1. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. De primaire verzekeringsarts heeft eiser op het spreekuur gezien waarbij een psychisch en lichamelijk onderzoek is verricht. Daarbij heeft hij een uitgebreide anamnese afgenomen. Hij heeft het dossier met de daarin aanwezige informatie van de behandelaars bestudeerd. Zijn bevindingen heeft hij opgenomen in het rapport van 4 juli 2024. In bezwaar heeft de verzekeringsarts b&b dossierstudie verricht en de door eiser in bezwaar overgelegde medische informatie bij het oordeel betrokken. De verzekeringsarts b&b heeft haar bevindingen opgenomen in het rapport van 31 oktober 2024. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt dat zij alle klachten van eiser en de informatie van de behandelaars hebben betrokken in hun beoordeling. Gelet op deze onderzoeksactiviteiten is de rechtbank van oordeel dat de medische rapporten zorgvuldig tot stand zijn gekomen. Medisch oordeel 6.2. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling door de verzekeringsartsen van het Uwv. 6.3. De primaire verzekeringsarts heeft in zijn rapport van 4 juli 2024 overwogen dat de ernst van de door eiser geclaimde belemmeringen en klachten niet volledig is te objectiveren. Eiser geeft aan de ene kant aan dat hij sinds zijn eerste ongeluk (21 februari 2023) niet meer heeft gereden, aan de andere kant geeft hij aan een ongeluk op 2 april 2024 te hebben terwijl hij aan het rijden was. Eiser was dus in de periode voor 2 april in staat om te rijden. Hij was in die periode niet beperkt ten aanzien van zwaar tillen en dragen. De primaire verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat eiser per 13 februari 2024 geschikt is voor zijn eigen werk. 6.4. De verzekeringsarts b&b heeft geconcludeerd dat er geen medische argumenten zijn om van het oordeel van de primaire verzekeringsarts af te wijken. Uit de informatie van de huisarts blijkt dat bij het tweede scooterongeluk geen structureel letsel is ontstaan.
Volledig
Dit is in lijn met de bevindingen van de primaire verzekeringsarts dat er bij het lichamelijk onderzoek geen afwijkingen zijn. Ook is na het scooterongeluk op 21 februari 2023 geen structureel letsel gebleken. Verder blijkt dat eiser de psychische klachten niet met zijn huisarts heeft besproken maar slechts om een afspraak met de praktijkondersteuner heeft gevraagd. Ook is nog geen diagnostisch traject voor zijn psychische klachten ingezet. Dat hijzelf niet om een verwijzing naar een behandelplek elders gevraagd heeft, duidt niet op ernstige psychische klachten. Het psychische onderzoek van de primaire verzekeringsarts laat geen afwijkende bevindingen zien. Er is dan ook onvoldoende grond om zijn claim dat hij geen auto kan rijden te kunnen onderbouwen. Evenmin is er grond om andere fysieke en psychische beperkingen aan te nemen die tot arbeidsongeschiktheid van het eigen werk als bezorger leiden. 6.5. Ten aanzien van de door eiser in beroep overgelegde medische informatie heeft de verzekeringsarts b&b in haar rapport van 20 maart 2025 geconcludeerd dat die geen aanleiding geeft het standpunt te wijzigen. De consulten van 24 april 2024 en 25 april 2025 uit het huisartsenjournaal zijn reeds meegewogen in de bezwaarfase. Het is aannemelijk dat er vlak na een scooterongeval sprake is van klachten passend bij een zware kneuzing met zwelling en reactieve pijnklachten. De bevindingen van de huisarts zijn geen grond om anders te oordelen. De huisarts ziet geen reden om eiser alsnog te verwijzen naar een specialist in het ziekenhuis. Het betreft immers tijdelijke klachten zonder letsel waarvoor een afwachtend behandelbeleid is ingesteld. De voorgeschiedenis van concentratiestoornis/ADHD is ook geen reden om anders te oordelen. Eiser is hiermee al geruime tijd bekend. Er blijkt geen medicamenteuze behandeling voor ingesteld te zijn. In haar rapport van 19 juni 2025 heeft de verzekeringsarts b&b in reactie op de door eiser overgelegde verslaglegging van de fysiotherapeut van mei 2024 overwogen dat er onvoldoende grond is om van een whiplash disorder (WAD) 3 uit te kunnen gaan. De neurologische criteria van een whiplash disorder (WAD) 3 stemmen namelijk niet overeen met de bevingen van de fysiotherapeutische verslaglegging. Een toename van klachten van de nek, rug en schouders past niet bij beloop van het herstel van kneuzingen na een recent ongeluk, waarvoor een afwachtend behandelbeleid is ingesteld. 6.6. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts b&b de medische belastbaarheid van eiser in haar rapporten op inhoudelijk overtuigende wijze en zonder tegenstrijdigheden heeft gemotiveerd. 6.7. De door eiser in beroep overgelegde medische stukken geven geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. Voor zover de informatie in die stukken ziet op de medische situatie van eiser op of voor de datum in geding, was die bij de verzekeringsartsen al bekend. De informatie die betrekking heeft op de medische klachten van eiser die zijn ontstaan na het tweede scooterongeluk in april 2024 is voor de beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit niet relevant. Het bestreden besluit heeft namelijk betrekking op de situatie van eiser op 13 februari 2024. Los van de vraag of de fysiotherapeut terecht op 6 mei 2024 heeft geconcludeerd dat bij eiser sprake is van een whiplash disorder, blijkt uit de stukken niet dat na het eerste ongeluk daarvan al sprake was. 6.8. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verzekeringsarts b&b voldoende heeft gemotiveerd dat er geen aanleiding is de medische beoordeling te herzien. Het Uwv heeft de beoordeling door de verzekeringsarts b&b aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen. Het Uwv heeft daarom terecht geweigerd eiser een ZW-uitkering toe te kennen. Conclusie en gevolgen 7. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. 8. Voor een vergoeding van de proceskosten is geen aanleiding. Eiser krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Çakir, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie onder meer de uitspraak van 26 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:179.
Volledig
Dit is in lijn met de bevindingen van de primaire verzekeringsarts dat er bij het lichamelijk onderzoek geen afwijkingen zijn. Ook is na het scooterongeluk op 21 februari 2023 geen structureel letsel gebleken. Verder blijkt dat eiser de psychische klachten niet met zijn huisarts heeft besproken maar slechts om een afspraak met de praktijkondersteuner heeft gevraagd. Ook is nog geen diagnostisch traject voor zijn psychische klachten ingezet. Dat hijzelf niet om een verwijzing naar een behandelplek elders gevraagd heeft, duidt niet op ernstige psychische klachten. Het psychische onderzoek van de primaire verzekeringsarts laat geen afwijkende bevindingen zien. Er is dan ook onvoldoende grond om zijn claim dat hij geen auto kan rijden te kunnen onderbouwen. Evenmin is er grond om andere fysieke en psychische beperkingen aan te nemen die tot arbeidsongeschiktheid van het eigen werk als bezorger leiden. 6.5. Ten aanzien van de door eiser in beroep overgelegde medische informatie heeft de verzekeringsarts b&b in haar rapport van 20 maart 2025 geconcludeerd dat die geen aanleiding geeft het standpunt te wijzigen. De consulten van 24 april 2024 en 25 april 2025 uit het huisartsenjournaal zijn reeds meegewogen in de bezwaarfase. Het is aannemelijk dat er vlak na een scooterongeval sprake is van klachten passend bij een zware kneuzing met zwelling en reactieve pijnklachten. De bevindingen van de huisarts zijn geen grond om anders te oordelen. De huisarts ziet geen reden om eiser alsnog te verwijzen naar een specialist in het ziekenhuis. Het betreft immers tijdelijke klachten zonder letsel waarvoor een afwachtend behandelbeleid is ingesteld. De voorgeschiedenis van concentratiestoornis/ADHD is ook geen reden om anders te oordelen. Eiser is hiermee al geruime tijd bekend. Er blijkt geen medicamenteuze behandeling voor ingesteld te zijn. In haar rapport van 19 juni 2025 heeft de verzekeringsarts b&b in reactie op de door eiser overgelegde verslaglegging van de fysiotherapeut van mei 2024 overwogen dat er onvoldoende grond is om van een whiplash disorder (WAD) 3 uit te kunnen gaan. De neurologische criteria van een whiplash disorder (WAD) 3 stemmen namelijk niet overeen met de bevingen van de fysiotherapeutische verslaglegging. Een toename van klachten van de nek, rug en schouders past niet bij beloop van het herstel van kneuzingen na een recent ongeluk, waarvoor een afwachtend behandelbeleid is ingesteld. 6.6. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts b&b de medische belastbaarheid van eiser in haar rapporten op inhoudelijk overtuigende wijze en zonder tegenstrijdigheden heeft gemotiveerd. 6.7. De door eiser in beroep overgelegde medische stukken geven geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. Voor zover de informatie in die stukken ziet op de medische situatie van eiser op of voor de datum in geding, was die bij de verzekeringsartsen al bekend. De informatie die betrekking heeft op de medische klachten van eiser die zijn ontstaan na het tweede scooterongeluk in april 2024 is voor de beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit niet relevant. Het bestreden besluit heeft namelijk betrekking op de situatie van eiser op 13 februari 2024. Los van de vraag of de fysiotherapeut terecht op 6 mei 2024 heeft geconcludeerd dat bij eiser sprake is van een whiplash disorder, blijkt uit de stukken niet dat na het eerste ongeluk daarvan al sprake was. 6.8. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verzekeringsarts b&b voldoende heeft gemotiveerd dat er geen aanleiding is de medische beoordeling te herzien. Het Uwv heeft de beoordeling door de verzekeringsarts b&b aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen. Het Uwv heeft daarom terecht geweigerd eiser een ZW-uitkering toe te kennen. Conclusie en gevolgen 7. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. 8. Voor een vergoeding van de proceskosten is geen aanleiding. Eiser krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Çakir, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie onder meer de uitspraak van 26 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:179.