Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-05-01
ECLI:NL:RBDHA:2026:10431
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,081 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10431 text/xml public 2026-05-06T10:27:08 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-01 NL23.2265 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10431 text/html public 2026-05-04T07:59:10 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10431 Rechtbank Den Haag , 01-05-2026 / NL23.2265 Geen ingangsdatum opgenomen in besluit waarmee verblijfsrecht is toegekend. Verweerder had wel een ingangsdatum op moeten nemen. Partijen zijn het hierover eens en vragen de rechtbank zelf te voorzien. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin geen ingangsdatum van eisers verblijfsrecht is bepaald. Daarnaast herroept de rechtbank het primaire besluit. Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en sub b, van de Awb, bepaalt de rechtbank dat het verblijfsrecht van eiser feitelijk bestaat sinds de datum van de aanvraag en dat dit oordeel in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL23.2265 [v nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , geboren op [geboortedag] 1977, van Ghanese nationaliteit, eiser (gemachtigde: mr. I.M. Hagg), en de minister van Asiel en Migratie , verweerder (gemachtigde: mr. Z. Abachi). Procesverloop 1.1. Eiser heeft op 3 februari 2020 een aanvraag ingediend voor afgifte van een document waaruit blijkt dat hij een afgeleid verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez heeft bij zijn Nederlandse minderjarige dochter. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen bij besluit van 7 september 2020 (het primaire besluit). 1.2. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Bij besluit van16 april 2021 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing gebleven. 1.3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 16 april 2021. Op 17 maart 2022 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep gegrond verklaard en het besluit van 16 april 2021 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit op eisers bezwaar te nemen. 1.4. Bij besluit van 27 december 2022 heeft verweerder eisers bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. 1.5. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 27 december 2022. De rechtbank heeft het beroep op 31 mei 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, mevrouw T. Oolman-Bakah als tolk in de taal Twi en mr. K. Kana. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten. 1.6. Op 20 juni 2023 heeft de rechtbank het onderzoek heropend om verweerder in de gelegenheid te stellen een onderzoek te laten doen door de Raad voor de Kinderbescherming. 1.7. Verweerder heeft geen onderzoek laten doen, maar heeft bij besluit van 24 juli 2023 (het bestreden besluit) eisers bezwaar alsnog gegrond verklaard, het besluit van 27 december 2022 ingetrokken en aan eiser een afgeleid verblijfsrecht verleend op basis van artikel 20 VWEU . In dit besluit staat dat het verblijfsdocument geldig is met ingang van de datum van de beschikking, dus 24 juli 2023. Het verzoek om vergoeding van de proceskosten in bezwaar heeft verweerder afgewezen. 1.8. Eiser heeft bij brief van 21 september 2023 meegedeeld zijn beroep te willen handhaven en de rechtbank verzocht om uitspraak te doen. 1.9. Op 23 november 2023 heeft een nadere zitting plaatsgevonden. Partijen zijn daar vertegenwoordigd door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten. 1.10. Bij beslissing van 7 december 2023 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar een meervoudige kamer voor verdere behandeling van het beroep, waarbij de vraag centraal zou staan of verweerder in deze procedure gehouden is een ingangsdatum te bepalen voor het bij het bestreden besluit aan eiser toegekende verblijfsrecht. 1.11. De rechtbank heeft de behandeling van het beroep door de meervoudige kamer vervolgens gepland op 7 maart 2024. 1.12. Bij verzoek van 29 februari 2024 heeft verweerder de rechtbank verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden, om het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) in twee zaken (met kenmerken 20210283/1 en 202202543/1) af te wachten. Daarin speelde namelijk precies de vraag die ook in eisers zaak centraal staat, of verweerder de ingangsdatum van een verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez moet vaststellen. Deze twee zaken zijn bij de Afdeling op 15 januari 2024 op zitting behandeld. 1.13. Bij bericht van 4 maart 2024 heeft de rechtbank het verzoek om aanhouding gehonoreerd. 1.14. Bij brief van 5 juni 2025 heeft verweerder de rechtbank meegedeeld dat de Afdeling in genoemde zaken uitspraak heeft gedaan op 26 juni 2024 . Verweerder heeft de rechtbank verzocht in lijn met deze uitspraken zelf in de zaak van eiser te voorzien en in een uitspraak de ingangsdatum van het verblijfsrecht van eiser vast te stellen op de datum van zijn aanvraag, te weten 3 februari 2020. 1.15. Bij bericht van 13 februari 2026 heeft de rechtbank partijen bericht dat de zaak is verwezen naar een enkelvoudige kamer die het beroep verder zal behandelen. 1.16. Bij brief van 26 februari 2026 heeft eiser meegedeeld zich aan te sluiten bij het verzoek van verweerder aan de rechtbank om de ingangsdatum van het verblijfsrecht van eiser vast te stellen op de datum van de aanvraag, te weten 3 februari 2020. 1.17. Partijen hebben de rechtbank meegedeeld in te stemmen met sluiting van het onderzoek zonder nadere zitting. De rechtbank heeft het onderzoek daarna gesloten. Beoordeling door de rechtbank 2.1. Verweerder heeft in het bestreden besluit niet expliciet een ingangsdatum van het verblijfsrecht van eiser opgenomen. Wel staat er in het besluit dat het verblijfsdocument geldig is vanaf de datum van het besluit, dus 24 juli 2023, maar dat is niet aan te merken als ingangsdatum van het verblijfsrecht. 2.2. Uit de uitspraken van de Afdeling van 26 juni 2024 volgt dat verweerder gehouden is om op grond van afdeling 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) desgevraagd vast te stellen met ingang van welke datum een afgeleid verblijfsrecht als aangevraagd door eiser feitelijk bestaat. Uit deze uitspraken volgt eveneens dat voor de bepaling van de ingangsdatum van het verblijfsrecht in beginsel aangeknoopt kan worden bij de datum van de aanvraag. 2.3. Op grond van genoemde uitspraken van de Afdeling hebben partijen de rechtbank verzocht om het bestreden besluit te vernietigen voor zover daarin geen expliciet ingangsdatum van eisers verblijfsrecht is bepaald, en zelf voorziend deze ingangsdatum vast te stellen op 3 februari 2020. 2.4. Met partijen ziet de rechtbank hiervoor aanleiding. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover daarin geen ingangsdatum van eisers verblijfsrecht is bepaald. Daarnaast herroept zij het primaire besluit. Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en sub b, van de Awb, zal de rechtbank bepalen dat het reeds vastgestelde afgeleid verblijfsrecht van eiser feitelijk bestaat sinds de datum van de aanvraag, namelijk 3 februari 2020, en dat dit oordeel in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit. 2.5. Omdat het beroep gegrond is heeft eiser recht op een proceskostenvergoeding in beroep. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding in beroep aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.335,- (1 punt voor deelname aan de zitting van 31 mei 2022, 0,5 punt voor deelname aan de zitting 23 november 2023, 0,5 punt voor de schriftelijke inlichtingen van 21 september 2023 en 0,5 punt voor de schriftelijke inlichtingen van 26 februari 2026, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). 2.6. Eiser heeft ook gevraagd om een proceskostenvergoeding in bezwaar. Omdat de rechtbank het primaire besluit heeft herroepen heeft eiser ook recht op een proceskostenvergoeding in bezwaar. Verweerder moet ook deze vergoeding betalen.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10431 text/xml public 2026-05-06T10:27:08 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-01 NL23.2265 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10431 text/html public 2026-05-04T07:59:10 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10431 Rechtbank Den Haag , 01-05-2026 / NL23.2265 Geen ingangsdatum opgenomen in besluit waarmee verblijfsrecht is toegekend. Verweerder had wel een ingangsdatum op moeten nemen. Partijen zijn het hierover eens en vragen de rechtbank zelf te voorzien. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin geen ingangsdatum van eisers verblijfsrecht is bepaald. Daarnaast herroept de rechtbank het primaire besluit. Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en sub b, van de Awb, bepaalt de rechtbank dat het verblijfsrecht van eiser feitelijk bestaat sinds de datum van de aanvraag en dat dit oordeel in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL23.2265 [v nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , geboren op [geboortedag] 1977, van Ghanese nationaliteit, eiser (gemachtigde: mr. I.M. Hagg), en de minister van Asiel en Migratie , verweerder (gemachtigde: mr. Z. Abachi). Procesverloop 1.1. Eiser heeft op 3 februari 2020 een aanvraag ingediend voor afgifte van een document waaruit blijkt dat hij een afgeleid verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez heeft bij zijn Nederlandse minderjarige dochter. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen bij besluit van 7 september 2020 (het primaire besluit). 1.2. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Bij besluit van16 april 2021 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing gebleven. 1.3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 16 april 2021. Op 17 maart 2022 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep gegrond verklaard en het besluit van 16 april 2021 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit op eisers bezwaar te nemen. 1.4. Bij besluit van 27 december 2022 heeft verweerder eisers bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. 1.5. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 27 december 2022. De rechtbank heeft het beroep op 31 mei 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, mevrouw T. Oolman-Bakah als tolk in de taal Twi en mr. K. Kana. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten. 1.6. Op 20 juni 2023 heeft de rechtbank het onderzoek heropend om verweerder in de gelegenheid te stellen een onderzoek te laten doen door de Raad voor de Kinderbescherming. 1.7. Verweerder heeft geen onderzoek laten doen, maar heeft bij besluit van 24 juli 2023 (het bestreden besluit) eisers bezwaar alsnog gegrond verklaard, het besluit van 27 december 2022 ingetrokken en aan eiser een afgeleid verblijfsrecht verleend op basis van artikel 20 VWEU . In dit besluit staat dat het verblijfsdocument geldig is met ingang van de datum van de beschikking, dus 24 juli 2023. Het verzoek om vergoeding van de proceskosten in bezwaar heeft verweerder afgewezen. 1.8. Eiser heeft bij brief van 21 september 2023 meegedeeld zijn beroep te willen handhaven en de rechtbank verzocht om uitspraak te doen. 1.9. Op 23 november 2023 heeft een nadere zitting plaatsgevonden. Partijen zijn daar vertegenwoordigd door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten. 1.10. Bij beslissing van 7 december 2023 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar een meervoudige kamer voor verdere behandeling van het beroep, waarbij de vraag centraal zou staan of verweerder in deze procedure gehouden is een ingangsdatum te bepalen voor het bij het bestreden besluit aan eiser toegekende verblijfsrecht. 1.11. De rechtbank heeft de behandeling van het beroep door de meervoudige kamer vervolgens gepland op 7 maart 2024. 1.12. Bij verzoek van 29 februari 2024 heeft verweerder de rechtbank verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden, om het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) in twee zaken (met kenmerken 20210283/1 en 202202543/1) af te wachten. Daarin speelde namelijk precies de vraag die ook in eisers zaak centraal staat, of verweerder de ingangsdatum van een verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez moet vaststellen. Deze twee zaken zijn bij de Afdeling op 15 januari 2024 op zitting behandeld. 1.13. Bij bericht van 4 maart 2024 heeft de rechtbank het verzoek om aanhouding gehonoreerd. 1.14. Bij brief van 5 juni 2025 heeft verweerder de rechtbank meegedeeld dat de Afdeling in genoemde zaken uitspraak heeft gedaan op 26 juni 2024 . Verweerder heeft de rechtbank verzocht in lijn met deze uitspraken zelf in de zaak van eiser te voorzien en in een uitspraak de ingangsdatum van het verblijfsrecht van eiser vast te stellen op de datum van zijn aanvraag, te weten 3 februari 2020. 1.15. Bij bericht van 13 februari 2026 heeft de rechtbank partijen bericht dat de zaak is verwezen naar een enkelvoudige kamer die het beroep verder zal behandelen. 1.16. Bij brief van 26 februari 2026 heeft eiser meegedeeld zich aan te sluiten bij het verzoek van verweerder aan de rechtbank om de ingangsdatum van het verblijfsrecht van eiser vast te stellen op de datum van de aanvraag, te weten 3 februari 2020. 1.17. Partijen hebben de rechtbank meegedeeld in te stemmen met sluiting van het onderzoek zonder nadere zitting. De rechtbank heeft het onderzoek daarna gesloten. Beoordeling door de rechtbank 2.1. Verweerder heeft in het bestreden besluit niet expliciet een ingangsdatum van het verblijfsrecht van eiser opgenomen. Wel staat er in het besluit dat het verblijfsdocument geldig is vanaf de datum van het besluit, dus 24 juli 2023, maar dat is niet aan te merken als ingangsdatum van het verblijfsrecht. 2.2. Uit de uitspraken van de Afdeling van 26 juni 2024 volgt dat verweerder gehouden is om op grond van afdeling 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) desgevraagd vast te stellen met ingang van welke datum een afgeleid verblijfsrecht als aangevraagd door eiser feitelijk bestaat. Uit deze uitspraken volgt eveneens dat voor de bepaling van de ingangsdatum van het verblijfsrecht in beginsel aangeknoopt kan worden bij de datum van de aanvraag. 2.3. Op grond van genoemde uitspraken van de Afdeling hebben partijen de rechtbank verzocht om het bestreden besluit te vernietigen voor zover daarin geen expliciet ingangsdatum van eisers verblijfsrecht is bepaald, en zelf voorziend deze ingangsdatum vast te stellen op 3 februari 2020. 2.4. Met partijen ziet de rechtbank hiervoor aanleiding. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover daarin geen ingangsdatum van eisers verblijfsrecht is bepaald. Daarnaast herroept zij het primaire besluit. Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en sub b, van de Awb, zal de rechtbank bepalen dat het reeds vastgestelde afgeleid verblijfsrecht van eiser feitelijk bestaat sinds de datum van de aanvraag, namelijk 3 februari 2020, en dat dit oordeel in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit. 2.5. Omdat het beroep gegrond is heeft eiser recht op een proceskostenvergoeding in beroep. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding in beroep aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.335,- (1 punt voor deelname aan de zitting van 31 mei 2022, 0,5 punt voor deelname aan de zitting 23 november 2023, 0,5 punt voor de schriftelijke inlichtingen van 21 september 2023 en 0,5 punt voor de schriftelijke inlichtingen van 26 februari 2026, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). 2.6. Eiser heeft ook gevraagd om een proceskostenvergoeding in bezwaar. Omdat de rechtbank het primaire besluit heeft herroepen heeft eiser ook recht op een proceskostenvergoeding in bezwaar. Verweerder moet ook deze vergoeding betalen.