Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-02-23
ECLI:NL:RBDHA:2026:10422
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,216 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10422 text/xml public 2026-05-12T12:51:47 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-23 NL25.33018 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10422 text/html public 2026-05-12T12:46:55 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10422 Rechtbank Den Haag , 23-02-2026 / NL25.33018 Gedeeltelijke intrekking reguliere verblijfsvergunning en afgeleide verblijfsvergunningen; arbeid als kennismigrant; kennismigrantenregeling; artikel 3.30a Vb; eiser heeft een periode voor een niet-erkende referent gewerkt; verblijfsgat; beroep is ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL25.33018 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], [V-nummer 1], eiser [eiseres] , [V-nummer 2], eiseres [eiseres 2] , [V-nummer 3], eiseres 2 [eiseres 3] , [V-nummer 4], eiseres 3 hierna tezamen te noemen: eisers (gemachtigde: mr. W.N. van der Voet), en de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid , verweerder (gemachtigde: mr. A. de Graaf). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen intrekking van de verblijfsvergunning van eisers. 1.1. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 31 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 23 juni 2024 op het bezwaar van eisers is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2. De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, F. Sergent als tolk en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 3. Eiser is geboren op [geboortedatum 1] 1979. Eiser is in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘Arbeid als kennismigrant’. Eiser was werkzaam bij [bedrijfsnaam 1] en is per [geboortedatum 2] 2023 onder dezelfde holdingmaatschappij overgeplaatst en bij [bedrijfsnaam 2] in dienst getreden. Eisers hebben de Marokkaanse nationaliteit en vormen samen een gezin. Zijn echtgenote (eiseres) is geboren op [geboortedatum 2] 1980. Samen hebben zij twee kinderen, namelijk eiseres 2 en eiseres 3. Eiseres 2 is geboren op [geboortedatum 3] 2015 en eiseres 3 is geboren op [geboortedatum 4] 2019. Eiseres, eiseres 2 en eiseres 3 hadden een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘Verblijf als familie- of gezinslid’ bij eiser. De verblijfsvergunningen van eisers zijn geldig tot 8 november 2026. 4. Verweerder heeft de verblijfsvergunning van eisers gedeeltelijk ingetrokken van 1 november 2023 tot 27 juni 2024, omdat eiser in die periode niet heeft voldaan aan de voorwaarden van zijn verblijfsvergunning. Op 6 september 2023 heeft [bedrijfsnaam 1] eiser afgemeld per [geboortedatum 2] 2023. Eiser had vervolgens recht op een zoekperiode van [geboortedatum 2] 2023 tot 1 november 2023. Op 15 augustus 2023 heeft [bedrijfsnaam 2] eiser aangemeld als haar werknemer met ingang van [geboortedatum 2] 2023. Op het moment van de overplaatsing van eiser was [bedrijfsnaam 2] echter nog niet erkend als referent in de zin van artikel 2c van de Vreemdelingenwet (Vw). [bedrijfsnaam 2] is pas op 27 juni 2024 erkend referent geworden. Eiser heeft vanaf 1 november 2023, de dag waarop de zoekperiode eindigde, tot 27 juni 2024, de dag dat [bedrijfsnaam 2] erkend referent werd, dus niet voldaan aan de voorwaarden van zijn verblijfsvergunning. De gezinsleden van eiser hebben een afhankelijk verblijfsrecht. Door de gedeeltelijke intrekking van de vergunning van eiser, trekt verweerder ook de verblijfsvergunningen van zijn gezinsleden voor dezelfde periode in. Verder is er geen sprake van een schending van het recht op familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, omdat eisers door de onderbreking van het verblijfsrecht alleen een verblijfsgat hebben gehad en het gezin wordt niet gescheiden en eisers Nederland niet hoeven te verlaten. Eisers hebben immers vanaf 27 juni 2024 tot 8 november 2026 rechtmatig verblijf. Wat vindt eiser in beroep? 5. Eiser voert aan dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids-, motiverings-, evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel. Verweerder stelt op grond van jurisprudentie dat het handelen van de werkgever in de kennismigrantenregeling voor rekening van de kennismigrant kan komen, maar uit die jurisprudentie blijkt niet dat dit zonder uitzonderingen geldt of dat er geen omstandigheden kunnen zijn waarin toerekening niet juist of evenredig is. Verweerder heeft onvoldoende meegenomen in zijn beoordeling dat de wijziging van de arbeidsovereenkomst van [bedrijfsnaam 1] naar [bedrijfsnaam 2] plaatsvond binnen dezelfde holding. De directeur, werkplaats, werkzaamheden en beloning bleven hetzelfde. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom eiser er bedacht op moest zijn dat [bedrijfsnaam 2] geen erkend referent was. Het lag daarom niet in de rede om de IND te bellen voor advies of om het openbaar register erkend referent te raadplegen. Daarnaast heeft verweerder onvoldoende meegewogen dat eiser geen persoonlijk belang had bij de wijziging van de arbeidsovereenkomst, en dat hij zich slechts als goed werknemer richting zijn werkgever heeft willen gedragen. Ook heeft verweerder zeven maanden nodig gehad om een eenvoudige ontvangstbevestiging te sturen naar aanleiding van de aanvraag van [bedrijfsnaam 2], daardoor heeft verweerder een negatieve bijdrage geleverd aan het ontstaan en de duur van het verblijfsgat. Dit had verweerder moeten meewegen in het kader van de evenredigheid. Bovendien heeft eiser met actuele jurisprudentie aangevoerd dat er omstandigheden denkbaar zijn, waaronder ondanks het werken bij een niet-erkend referent gedurende zes of tien maanden het onevenredig kan zijn om een verblijfsgat voor rekening van de kennismigrant te laten komen. Het door de Afdeling genoemde “legitieme belang” dat volgens verweerder is gediend met het strikt hanteren van het erkend referentschap, namelijk het voorkomen dat de kennismigrantenregeling een sluiproute wordt om de normale referentenprocedure te omzeilen, is niet absoluut. Daarnaast staat het verblijfsgat eraan in de weg dat eiser en zijn gezin binnen vijf jaar kunnen naturaliseren, waardoor hij ook financiële voordelen verliest. Wat is het oordeel van de rechtbank? 6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is, eisers krijgen dus geen gelijk. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen. 7. Verweerder mag een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht intrekken als niet langer wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of niet langer wordt voldaan aan een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden. Indien de erkenning van de referent is geschorst of ingetrokken, wordt de verblijfsvergunning niet op grond van artikel 19 Vw in samenhang met artikel 18, eerste lid, onder f, van de Vw ingetrokken, dan nadat de vreemdeling die te goeder trouw is gedurende drie maanden in de gelegenheid is geweest om alsnog aan de beperking te voldoen 8. Vereist is dat eiser arbeid verricht ten behoeve van een als referent erkende werkgever. Niet in geschil is dat eiser vanwege zijn overplaatsing naar [bedrijfsnaam 2], sinds [geboortedatum 2] 2023 niet langer in dienst is bij [bedrijfsnaam 1]. Ook niet ter discussie staat dat [bedrijfsnaam 2] pas op 27 juni 2024 erkend referent is geworden en dus nog geen erkend referent was op het moment dat eiser op [geboortedatum 2] 2023 in dienst trad. Gelet hierop is niet in geschil dat in die periode niet is voldaan aan de voorwaarde zoals is bedoeld in artikel 3.30a van het Vb. Nu eiser tot 1 november 2023 een zoekperiode heeft gehad, heeft verweerder de verblijfsvergunning ingetrokken van 1 november 2023 tot 27 juni 2024. In geschil is of de (interne) overplaatsing van eiser naar een andere werkgever die niet als referent was erkend, aan eiser kan worden toegerekend. 9.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10422 text/xml public 2026-05-12T12:51:47 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-23 NL25.33018 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10422 text/html public 2026-05-12T12:46:55 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10422 Rechtbank Den Haag , 23-02-2026 / NL25.33018 Gedeeltelijke intrekking reguliere verblijfsvergunning en afgeleide verblijfsvergunningen; arbeid als kennismigrant; kennismigrantenregeling; artikel 3.30a Vb; eiser heeft een periode voor een niet-erkende referent gewerkt; verblijfsgat; beroep is ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL25.33018 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], [V-nummer 1], eiser [eiseres] , [V-nummer 2], eiseres [eiseres 2] , [V-nummer 3], eiseres 2 [eiseres 3] , [V-nummer 4], eiseres 3 hierna tezamen te noemen: eisers (gemachtigde: mr. W.N. van der Voet), en de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid , verweerder (gemachtigde: mr. A. de Graaf). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen intrekking van de verblijfsvergunning van eisers. 1.1. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 31 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 23 juni 2024 op het bezwaar van eisers is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2. De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, F. Sergent als tolk en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 3. Eiser is geboren op [geboortedatum 1] 1979. Eiser is in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘Arbeid als kennismigrant’. Eiser was werkzaam bij [bedrijfsnaam 1] en is per [geboortedatum 2] 2023 onder dezelfde holdingmaatschappij overgeplaatst en bij [bedrijfsnaam 2] in dienst getreden. Eisers hebben de Marokkaanse nationaliteit en vormen samen een gezin. Zijn echtgenote (eiseres) is geboren op [geboortedatum 2] 1980. Samen hebben zij twee kinderen, namelijk eiseres 2 en eiseres 3. Eiseres 2 is geboren op [geboortedatum 3] 2015 en eiseres 3 is geboren op [geboortedatum 4] 2019. Eiseres, eiseres 2 en eiseres 3 hadden een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘Verblijf als familie- of gezinslid’ bij eiser. De verblijfsvergunningen van eisers zijn geldig tot 8 november 2026. 4. Verweerder heeft de verblijfsvergunning van eisers gedeeltelijk ingetrokken van 1 november 2023 tot 27 juni 2024, omdat eiser in die periode niet heeft voldaan aan de voorwaarden van zijn verblijfsvergunning. Op 6 september 2023 heeft [bedrijfsnaam 1] eiser afgemeld per [geboortedatum 2] 2023. Eiser had vervolgens recht op een zoekperiode van [geboortedatum 2] 2023 tot 1 november 2023. Op 15 augustus 2023 heeft [bedrijfsnaam 2] eiser aangemeld als haar werknemer met ingang van [geboortedatum 2] 2023. Op het moment van de overplaatsing van eiser was [bedrijfsnaam 2] echter nog niet erkend als referent in de zin van artikel 2c van de Vreemdelingenwet (Vw). [bedrijfsnaam 2] is pas op 27 juni 2024 erkend referent geworden. Eiser heeft vanaf 1 november 2023, de dag waarop de zoekperiode eindigde, tot 27 juni 2024, de dag dat [bedrijfsnaam 2] erkend referent werd, dus niet voldaan aan de voorwaarden van zijn verblijfsvergunning. De gezinsleden van eiser hebben een afhankelijk verblijfsrecht. Door de gedeeltelijke intrekking van de vergunning van eiser, trekt verweerder ook de verblijfsvergunningen van zijn gezinsleden voor dezelfde periode in. Verder is er geen sprake van een schending van het recht op familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, omdat eisers door de onderbreking van het verblijfsrecht alleen een verblijfsgat hebben gehad en het gezin wordt niet gescheiden en eisers Nederland niet hoeven te verlaten. Eisers hebben immers vanaf 27 juni 2024 tot 8 november 2026 rechtmatig verblijf. Wat vindt eiser in beroep? 5. Eiser voert aan dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids-, motiverings-, evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel. Verweerder stelt op grond van jurisprudentie dat het handelen van de werkgever in de kennismigrantenregeling voor rekening van de kennismigrant kan komen, maar uit die jurisprudentie blijkt niet dat dit zonder uitzonderingen geldt of dat er geen omstandigheden kunnen zijn waarin toerekening niet juist of evenredig is. Verweerder heeft onvoldoende meegenomen in zijn beoordeling dat de wijziging van de arbeidsovereenkomst van [bedrijfsnaam 1] naar [bedrijfsnaam 2] plaatsvond binnen dezelfde holding. De directeur, werkplaats, werkzaamheden en beloning bleven hetzelfde. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom eiser er bedacht op moest zijn dat [bedrijfsnaam 2] geen erkend referent was. Het lag daarom niet in de rede om de IND te bellen voor advies of om het openbaar register erkend referent te raadplegen. Daarnaast heeft verweerder onvoldoende meegewogen dat eiser geen persoonlijk belang had bij de wijziging van de arbeidsovereenkomst, en dat hij zich slechts als goed werknemer richting zijn werkgever heeft willen gedragen. Ook heeft verweerder zeven maanden nodig gehad om een eenvoudige ontvangstbevestiging te sturen naar aanleiding van de aanvraag van [bedrijfsnaam 2], daardoor heeft verweerder een negatieve bijdrage geleverd aan het ontstaan en de duur van het verblijfsgat. Dit had verweerder moeten meewegen in het kader van de evenredigheid. Bovendien heeft eiser met actuele jurisprudentie aangevoerd dat er omstandigheden denkbaar zijn, waaronder ondanks het werken bij een niet-erkend referent gedurende zes of tien maanden het onevenredig kan zijn om een verblijfsgat voor rekening van de kennismigrant te laten komen. Het door de Afdeling genoemde “legitieme belang” dat volgens verweerder is gediend met het strikt hanteren van het erkend referentschap, namelijk het voorkomen dat de kennismigrantenregeling een sluiproute wordt om de normale referentenprocedure te omzeilen, is niet absoluut. Daarnaast staat het verblijfsgat eraan in de weg dat eiser en zijn gezin binnen vijf jaar kunnen naturaliseren, waardoor hij ook financiële voordelen verliest. Wat is het oordeel van de rechtbank? 6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is, eisers krijgen dus geen gelijk. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen. 7. Verweerder mag een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht intrekken als niet langer wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of niet langer wordt voldaan aan een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden. Indien de erkenning van de referent is geschorst of ingetrokken, wordt de verblijfsvergunning niet op grond van artikel 19 Vw in samenhang met artikel 18, eerste lid, onder f, van de Vw ingetrokken, dan nadat de vreemdeling die te goeder trouw is gedurende drie maanden in de gelegenheid is geweest om alsnog aan de beperking te voldoen 8. Vereist is dat eiser arbeid verricht ten behoeve van een als referent erkende werkgever. Niet in geschil is dat eiser vanwege zijn overplaatsing naar [bedrijfsnaam 2], sinds [geboortedatum 2] 2023 niet langer in dienst is bij [bedrijfsnaam 1]. Ook niet ter discussie staat dat [bedrijfsnaam 2] pas op 27 juni 2024 erkend referent is geworden en dus nog geen erkend referent was op het moment dat eiser op [geboortedatum 2] 2023 in dienst trad. Gelet hierop is niet in geschil dat in die periode niet is voldaan aan de voorwaarde zoals is bedoeld in artikel 3.30a van het Vb. Nu eiser tot 1 november 2023 een zoekperiode heeft gehad, heeft verweerder de verblijfsvergunning ingetrokken van 1 november 2023 tot 27 juni 2024. In geschil is of de (interne) overplaatsing van eiser naar een andere werkgever die niet als referent was erkend, aan eiser kan worden toegerekend. 9.
Volledig
Verweerder stelt zich op goede gronden op het standpunt dat het voldoen aan de voorwaarden van de verblijfsvergunning en het doen van onderzoek daaromtrent onder de verantwoordelijkheid van de vreemdeling zelf valt. Verweerder heeft erop kunnen wijzen dat eiser wordt verondersteld op de hoogte te zijn van de voorwaarden van de kennismigrantenregeling. Het komt dan ook voor eigen rekening en risico van eiser dat hij voorafgaand aan zijn overstap naar [bedrijfsnaam 2] geen contact met de IND heeft opgenomen om verduidelijking te vragen met betrekking tot zijn verblijfsrecht. Ten aanzien daarvan heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat eiser het openbaar register erkende referent op de IND-website heeft kunnen raadplegen om te controleren of [bedrijfsnaam 2] ten tijde van indiensttreding erkend referent was. Dat [bedrijfsnaam 2] de schuld blijkens de zienswijze bij zichzelf legt, heeft verweerder dan ook niet hoeven volgen. Verweerder heeft zich voorts op het standpunt kunnen stellen dat het feit dat beide ondernemingen onder dezelfde holding vallen en verweerder dezelfde werkzaamheden is blijven verrichten, geen omstandigheden zijn die tot een ander oordeel leiden. 9.1. Dat verweerder een negatieve rol heeft gespeeld bij het ontstaan en de duur van het verblijfsgat, omdat er sprake is van een tijdsverloop van zeven maanden na de wijziging van werkgever, maakt niet dat de intrekking onevenredig is. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat het intrekken van de verblijfsvergunning niet tijdsgebonden is en louter is bedoeld om de situatie zoals die hoorde te zijn te herstellen om zo een sluitend referentenstelsel te bewerkstelligen. Verweerder heeft daar ook bij mogen betrekken dat een tijdsverloop van zeven maanden niet dermate lang is dat er sprake is van onevenredigheid. Daarbij heeft verweerder ter zitting niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het ook de eigen verantwoordelijkheid is van de werkgever, in dit geval [bedrijfsnaam 2], om tijdig een aanvraag in te dienen om als erkend referent te worden aangemerkt. 9.2. In de stelling van eiser dat hij te goeder trouw is geweest en nimmer heeft beoogd de normale referentenprocedure te omzeilen, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om van de intrekking af te zien. Verweerder voert aan dat met het strikt hanteren van het erkend referentschap wordt beoogd te voorkomen dat de kennismigrantenregeling een sluiproute wordt om de normale referentenprocedure te omzeilen. Zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht wordt daarmee voorkomen dat per vreemdeling beoordeeld moet worden of diegene al dan niet een persoonlijk belang heeft bij een sluiproute. Verweerder heeft in dat kader niet ten onrechte aangevoerd dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat het juist toepassen van de voorwaarden van de kennismigrantenregeling een legitiem belang is. Dat eisers door het verblijfsgat pas later kunnen naturaliseren, maakt ook niet dat de intrekking onevenredig is en verweerder dus geen aanleiding heeft hoeven zien om van het beleid af te wijken . Voorts heeft verweerder in aanmerking kunnen nemen dat eisers thans in het bezit zijn van een geldige verblijfsvergunning waarmee zij hun verblijf in Nederland kunnen voortzetten. 9.3. Verweerder heeft zich ook op het standpunt mogen stellen dat eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel niet opgaat. Verweerder heeft er niet ten onrechte op gewezen dat tegen de door eiser overgelegde uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 2 februari 2024 een uitspraak van de hoogste bestuursrechter (de Afdeling) staat. De Afdeling heeft immers in haar uitspraak van 18 januari 2018 overwogen dat de gevolgen van het handelen van de werkgever voor rekening van de vreemdeling kunnen worden gebracht. Ook heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat de verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 8 mei 2024 niet opgaat, omdat geen sprake is van gelijke gevallen. In die zaak was er vooraf geen voornemen tot intrekking van de verblijfsvergunning aan betrokkene bekendgemaakt, waardoor het besluit onzorgvuldig was voorbereid. In het geval van eiser is er juist wel een voornemen tot intrekking uitgebracht. 10. De echtgenote en twee kinderen van eiser hebben een afgeleide verblijfsvergunning. Derhalve heeft verweerder hun verblijfsvergunning eveneens gedeeltelijk kunnen intrekken van 1 november 2023 tot 27 juni 2024. Conclusie en gevolgen 11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Zie artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f van de Vreemdelingenwet 2000 (VW), artikel 19 van de Vreemdelingenwet en paragraaf B1/6.3 van de Vreemdelingencirculaire. Zie ook artikel 3.30a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 18 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:173. Zie de uitspraken van de Afdeling van 30 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3294, en 18 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:173. In de zin van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam van 2 februari 2024, NL22.15214. Uitspraak van de Afdeling van 18 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:173, r.o. 10.2. Uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam van 8 mei 2024, NL23.20232.
Volledig
Verweerder stelt zich op goede gronden op het standpunt dat het voldoen aan de voorwaarden van de verblijfsvergunning en het doen van onderzoek daaromtrent onder de verantwoordelijkheid van de vreemdeling zelf valt. Verweerder heeft erop kunnen wijzen dat eiser wordt verondersteld op de hoogte te zijn van de voorwaarden van de kennismigrantenregeling. Het komt dan ook voor eigen rekening en risico van eiser dat hij voorafgaand aan zijn overstap naar [bedrijfsnaam 2] geen contact met de IND heeft opgenomen om verduidelijking te vragen met betrekking tot zijn verblijfsrecht. Ten aanzien daarvan heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat eiser het openbaar register erkende referent op de IND-website heeft kunnen raadplegen om te controleren of [bedrijfsnaam 2] ten tijde van indiensttreding erkend referent was. Dat [bedrijfsnaam 2] de schuld blijkens de zienswijze bij zichzelf legt, heeft verweerder dan ook niet hoeven volgen. Verweerder heeft zich voorts op het standpunt kunnen stellen dat het feit dat beide ondernemingen onder dezelfde holding vallen en verweerder dezelfde werkzaamheden is blijven verrichten, geen omstandigheden zijn die tot een ander oordeel leiden. 9.1. Dat verweerder een negatieve rol heeft gespeeld bij het ontstaan en de duur van het verblijfsgat, omdat er sprake is van een tijdsverloop van zeven maanden na de wijziging van werkgever, maakt niet dat de intrekking onevenredig is. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat het intrekken van de verblijfsvergunning niet tijdsgebonden is en louter is bedoeld om de situatie zoals die hoorde te zijn te herstellen om zo een sluitend referentenstelsel te bewerkstelligen. Verweerder heeft daar ook bij mogen betrekken dat een tijdsverloop van zeven maanden niet dermate lang is dat er sprake is van onevenredigheid. Daarbij heeft verweerder ter zitting niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het ook de eigen verantwoordelijkheid is van de werkgever, in dit geval [bedrijfsnaam 2], om tijdig een aanvraag in te dienen om als erkend referent te worden aangemerkt. 9.2. In de stelling van eiser dat hij te goeder trouw is geweest en nimmer heeft beoogd de normale referentenprocedure te omzeilen, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om van de intrekking af te zien. Verweerder voert aan dat met het strikt hanteren van het erkend referentschap wordt beoogd te voorkomen dat de kennismigrantenregeling een sluiproute wordt om de normale referentenprocedure te omzeilen. Zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht wordt daarmee voorkomen dat per vreemdeling beoordeeld moet worden of diegene al dan niet een persoonlijk belang heeft bij een sluiproute. Verweerder heeft in dat kader niet ten onrechte aangevoerd dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat het juist toepassen van de voorwaarden van de kennismigrantenregeling een legitiem belang is. Dat eisers door het verblijfsgat pas later kunnen naturaliseren, maakt ook niet dat de intrekking onevenredig is en verweerder dus geen aanleiding heeft hoeven zien om van het beleid af te wijken . Voorts heeft verweerder in aanmerking kunnen nemen dat eisers thans in het bezit zijn van een geldige verblijfsvergunning waarmee zij hun verblijf in Nederland kunnen voortzetten. 9.3. Verweerder heeft zich ook op het standpunt mogen stellen dat eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel niet opgaat. Verweerder heeft er niet ten onrechte op gewezen dat tegen de door eiser overgelegde uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 2 februari 2024 een uitspraak van de hoogste bestuursrechter (de Afdeling) staat. De Afdeling heeft immers in haar uitspraak van 18 januari 2018 overwogen dat de gevolgen van het handelen van de werkgever voor rekening van de vreemdeling kunnen worden gebracht. Ook heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat de verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 8 mei 2024 niet opgaat, omdat geen sprake is van gelijke gevallen. In die zaak was er vooraf geen voornemen tot intrekking van de verblijfsvergunning aan betrokkene bekendgemaakt, waardoor het besluit onzorgvuldig was voorbereid. In het geval van eiser is er juist wel een voornemen tot intrekking uitgebracht. 10. De echtgenote en twee kinderen van eiser hebben een afgeleide verblijfsvergunning. Derhalve heeft verweerder hun verblijfsvergunning eveneens gedeeltelijk kunnen intrekken van 1 november 2023 tot 27 juni 2024. Conclusie en gevolgen 11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Zie artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f van de Vreemdelingenwet 2000 (VW), artikel 19 van de Vreemdelingenwet en paragraaf B1/6.3 van de Vreemdelingencirculaire. Zie ook artikel 3.30a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 18 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:173. Zie de uitspraken van de Afdeling van 30 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3294, en 18 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:173. In de zin van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam van 2 februari 2024, NL22.15214. Uitspraak van de Afdeling van 18 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:173, r.o. 10.2. Uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam van 8 mei 2024, NL23.20232.