Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-05-01
ECLI:NL:RBDHA:2026:10407
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Vereenvoudigde behandeling
1,809 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10407 text/xml public 2026-05-01T13:59:24 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-01 NL26.15718 Uitspraak Vereenvoudigde behandeling NL Groningen Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10407 text/html public 2026-05-01T13:59:05 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10407 Rechtbank Den Haag , 01-05-2026 / NL26.15718 bnt, asiel RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL26.15718 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser, V-nummer: [nummer], (gemachtigde: mr. J.A. Pieters), en de minister van Asiel en Migratie, de minister. Inleiding 1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van 2 december 2025. 1.1. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. 1.2. Eiser heeft gevraagd om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank ziet aanleiding om dit verzoek toe te wijzen. Eiser hoeft dus geen griffierecht te betalen. Beoordeling door de rechtbank Is het beroep ontvankelijk en gegrond? 2. Voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, wordt het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld. 3. Voor zover hier van belang, is bepaald dat een beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen. 4. De minister moet voor aanvragen vanaf 28 maart 2025 uiterlijk 9 maanden na het ontvangen van de aanvraag beslissen. 5. Eiser heeft, met dagtekening 2 december 2025, zijn aanvraag ingediend. Uitgaande van de ontvangst van de aanvraag op 2 december 2025 had de minister uiterlijk op 2 september 2026 op de aanvraag van eiser moeten beslissen. 5.1. Eiser heeft de minister bij brief van 4 maart 2026 in gebreke gesteld. De rechtbank stelt vast dat de ingebrekestelling prematuur is ingediend, nu de beslistermijn om op de aanvraag van eiser te beslissen op het moment van indienen van de ingebrekestelling nog niet was verstreken. 6. Het beroep voldoet daarom niet aan de vereisten voor het indienen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen, als bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, omdat de ingebrekestelling prematuur is ingediend. 7. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk 8. Voor en proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van A.S. van der Veen, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. Deze uitspraak is bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 6:12, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 2u, vierde lid van de Vreemdelingenwet (Vw) en ECLI:NL:RBDHA:2025:18397.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10407 text/xml public 2026-05-01T13:59:24 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-01 NL26.15718 Uitspraak Vereenvoudigde behandeling NL Groningen Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10407 text/html public 2026-05-01T13:59:05 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10407 Rechtbank Den Haag , 01-05-2026 / NL26.15718 bnt, asiel RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL26.15718 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser, V-nummer: [nummer], (gemachtigde: mr. J.A. Pieters), en de minister van Asiel en Migratie, de minister. Inleiding 1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van 2 december 2025. 1.1. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. 1.2. Eiser heeft gevraagd om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank ziet aanleiding om dit verzoek toe te wijzen. Eiser hoeft dus geen griffierecht te betalen. Beoordeling door de rechtbank Is het beroep ontvankelijk en gegrond? 2. Voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, wordt het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld. 3. Voor zover hier van belang, is bepaald dat een beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen. 4. De minister moet voor aanvragen vanaf 28 maart 2025 uiterlijk 9 maanden na het ontvangen van de aanvraag beslissen. 5. Eiser heeft, met dagtekening 2 december 2025, zijn aanvraag ingediend. Uitgaande van de ontvangst van de aanvraag op 2 december 2025 had de minister uiterlijk op 2 september 2026 op de aanvraag van eiser moeten beslissen. 5.1. Eiser heeft de minister bij brief van 4 maart 2026 in gebreke gesteld. De rechtbank stelt vast dat de ingebrekestelling prematuur is ingediend, nu de beslistermijn om op de aanvraag van eiser te beslissen op het moment van indienen van de ingebrekestelling nog niet was verstreken. 6. Het beroep voldoet daarom niet aan de vereisten voor het indienen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen, als bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, omdat de ingebrekestelling prematuur is ingediend. 7. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk 8. Voor en proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van A.S. van der Veen, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. Deze uitspraak is bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 6:12, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 2u, vierde lid van de Vreemdelingenwet (Vw) en ECLI:NL:RBDHA:2025:18397.