Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-05-01
ECLI:NL:RBDHA:2026:10368
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Vereenvoudigde behandeling
3,181 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10368 text/xml public 2026-05-01T11:50:47 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-01 NL26.17947 Uitspraak Vereenvoudigde behandeling NL Groningen Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10368 text/html public 2026-05-01T11:50:35 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10368 Rechtbank Den Haag , 01-05-2026 / NL26.17947 bnt, asiel RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL26.17947 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser, V-nummer: [nummer], (gemachtigde: mr. J. Oosterhof), en de minister van Asiel en Migratie, de minister. Inleiding 1. In een eerdere procedure (NL25.35491) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond verklaard. De minister moest binnen een termijn van vier weken alsnog een besluit nemen op de asielaanvraag. Daarbij heeft de rechtbank ook bepaald dat als de minister niet op tijd een besluit neemt, hij een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 7.500,-. 1.1. Deze uitspraak gaat over het tweede beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 26 september 2023. 1.2. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. Beoordeling door de rechtbank Is het beroep ontvankelijk en gegrond? 2. Voorafgaand aan het instellen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen moet eiser de minister door middel van een ingebrekestelling laten weten dat hij binnen twee weken alsnog op de aanvraag moet beslissen. Bij een tweede beroep tegen het niet tijdig beslissen op dezelfde aanvraag is een nieuwe ingebrekestelling niet nodig. 3. In de uitspraak van 16 december 2025 heeft de rechtbank de minister een beslistermijn opgelegd van vier weken. De minister heeft niet binnen deze termijn een besluit op de aanvraag genomen. 4. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond. Welke beslistermijn legt de rechtbank de minister op? 5. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvraag. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft geoordeeld dat bij het bepalen van een nieuwe beslistermijn rekening moet worden gehouden met het ‘8+8 wekenmodel’. 5.1. De rechtbank oordeelt dat in de gevallen waarin, zoals hier, de bovengrens van 21 maanden is overschreden een kortere beslistermijn passend is. Hoewel de zittingsplaats Haarlem van deze rechtbank in bovenvermelde uitspraak van oordeel was dat een termijn van vier weken niet onredelijk lang of onrealistisch kort is, geldt als uitgangspunt dat de minister in dergelijke gevallen binnen een termijn van acht weken een besluit moet nemen. De rechtbank houdt aan dat uitgangspunt vast, temeer nu het nader gehoor heeft plaatsgevonden voor de regimewisseling in Syrië. Nu er op 11 februari 2026 een aanvullend gehoor heeft plaatsgevonden is er aanleiding de nadere beslistermijn te verkorten naar vier weken. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak. Welke dwangsom legt de rechtbank op? 6. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op. 7. De rechtbank bepaalt dat de minister opnieuw een dwangsom van € 100,- per dag moet betalen als hij de door de rechtbank opgelegde beslistermijn overschrijdt. Hierbij geldt thans een maximum van € 15.000,-. De rechtbank overweegt dat deze dwangsom redelijk is. In het feit dat de eerder opgelegde dwangsom niet heeft geleid tot het nemen van een besluit ziet de rechtbank in dit geval geen aanleiding voor een verhoging van de dwangsom. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de minister vier weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eiser een dwangsom verschuldigd. 9. De minister moet de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. De rechtbank stelt de wegingsfactor die gebruikt wordt bij het bepalen van de hoogte van die proceskostenvergoeding op 0,25. Hiertoe ziet zij aanleiding omdat de omvang van de werkzaamheden die redelijkerwijs nodig zijn voor een opvolgend beroep wegens niet tijdig beslissen in beginsel beperkter zijn dan voor een eerste beroep. Dat betekent dat de proceskostenvergoeding zal worden vastgesteld op € 233,50. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; draagt de minister op om binnen vier weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken; bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 233,50. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van A.S. van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. Deze uitspraak is bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 6:12, aanhef en onder b, en artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2019:673. Artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb. ECLI:NL:RVS:2020:1560. Artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn. ECLI:NL:RVS:2022:3352 en ECLI:NL:RVS:2022:3353. Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. Zie r.o. 6.2 ECLI:NL:RBDHA:2025:22665. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,25.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10368 text/xml public 2026-05-01T11:50:47 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-05-01 NL26.17947 Uitspraak Vereenvoudigde behandeling NL Groningen Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10368 text/html public 2026-05-01T11:50:35 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10368 Rechtbank Den Haag , 01-05-2026 / NL26.17947 bnt, asiel RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL26.17947 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser, V-nummer: [nummer], (gemachtigde: mr. J. Oosterhof), en de minister van Asiel en Migratie, de minister. Inleiding 1. In een eerdere procedure (NL25.35491) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond verklaard. De minister moest binnen een termijn van vier weken alsnog een besluit nemen op de asielaanvraag. Daarbij heeft de rechtbank ook bepaald dat als de minister niet op tijd een besluit neemt, hij een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 7.500,-. 1.1. Deze uitspraak gaat over het tweede beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 26 september 2023. 1.2. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. Beoordeling door de rechtbank Is het beroep ontvankelijk en gegrond? 2. Voorafgaand aan het instellen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen moet eiser de minister door middel van een ingebrekestelling laten weten dat hij binnen twee weken alsnog op de aanvraag moet beslissen. Bij een tweede beroep tegen het niet tijdig beslissen op dezelfde aanvraag is een nieuwe ingebrekestelling niet nodig. 3. In de uitspraak van 16 december 2025 heeft de rechtbank de minister een beslistermijn opgelegd van vier weken. De minister heeft niet binnen deze termijn een besluit op de aanvraag genomen. 4. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond. Welke beslistermijn legt de rechtbank de minister op? 5. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvraag. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft geoordeeld dat bij het bepalen van een nieuwe beslistermijn rekening moet worden gehouden met het ‘8+8 wekenmodel’. 5.1. De rechtbank oordeelt dat in de gevallen waarin, zoals hier, de bovengrens van 21 maanden is overschreden een kortere beslistermijn passend is. Hoewel de zittingsplaats Haarlem van deze rechtbank in bovenvermelde uitspraak van oordeel was dat een termijn van vier weken niet onredelijk lang of onrealistisch kort is, geldt als uitgangspunt dat de minister in dergelijke gevallen binnen een termijn van acht weken een besluit moet nemen. De rechtbank houdt aan dat uitgangspunt vast, temeer nu het nader gehoor heeft plaatsgevonden voor de regimewisseling in Syrië. Nu er op 11 februari 2026 een aanvullend gehoor heeft plaatsgevonden is er aanleiding de nadere beslistermijn te verkorten naar vier weken. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak. Welke dwangsom legt de rechtbank op? 6. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op. 7. De rechtbank bepaalt dat de minister opnieuw een dwangsom van € 100,- per dag moet betalen als hij de door de rechtbank opgelegde beslistermijn overschrijdt. Hierbij geldt thans een maximum van € 15.000,-. De rechtbank overweegt dat deze dwangsom redelijk is. In het feit dat de eerder opgelegde dwangsom niet heeft geleid tot het nemen van een besluit ziet de rechtbank in dit geval geen aanleiding voor een verhoging van de dwangsom. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de minister vier weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eiser een dwangsom verschuldigd. 9. De minister moet de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. De rechtbank stelt de wegingsfactor die gebruikt wordt bij het bepalen van de hoogte van die proceskostenvergoeding op 0,25. Hiertoe ziet zij aanleiding omdat de omvang van de werkzaamheden die redelijkerwijs nodig zijn voor een opvolgend beroep wegens niet tijdig beslissen in beginsel beperkter zijn dan voor een eerste beroep. Dat betekent dat de proceskostenvergoeding zal worden vastgesteld op € 233,50. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; draagt de minister op om binnen vier weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken; bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 233,50. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van A.S. van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. Deze uitspraak is bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 6:12, aanhef en onder b, en artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2019:673. Artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb. ECLI:NL:RVS:2020:1560. Artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn. ECLI:NL:RVS:2022:3352 en ECLI:NL:RVS:2022:3353. Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. Zie r.o. 6.2 ECLI:NL:RBDHA:2025:22665. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,25.