Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-30
ECLI:NL:RBDHA:2026:10310
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,351 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10310 text/xml public 2026-05-04T17:00:25 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-30 NL26.22760 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10310 text/html public 2026-05-01T10:27:49 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10310 Rechtbank Den Haag , 30-04-2026 / NL26.22760 Bewaring, vervolgberoep, geen gronden ingediend, ambtshalve toets, ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.22760 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn), en de minister van Asiel en Migratie, Procesverloop 1. De minister heeft op 27 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. 1.1. De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 12 februari 2026. 1.2. De minister heeft de rechtbank op 21 april 2026 laten weten dat het langer dan 75 dagen geleden is dat eiser beroep heeft ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. Daarom heeft de minister verzocht om te beoordelen of de bewaring kan voortduren (de vervolgkennisgeving). Daarbij heeft de minister een voortgangsrapportage overgelegd. 1.3. De rechtbank merkt de vervolgkennisgeving aan als een beroep van eiser tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. Uit artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 volgt dat de vreemdeling geacht wordt beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel zodra de rechtbank de (eerste) kennisgeving heeft ontvangen. Omdat de vervolgkennisgeving (nog) niet in de Nederlandse wet- of regelgeving is opgenomen, past de rechtbank deze regel op overeenkomstige wijze toe op de vervolgkennisgeving. 1.4. De rechtbank heeft op 22 april 2026 aan de minister verzocht om haar te informeren over de stand van zaken in de asielprocedure van eiser. De minister heeft op 23 april 2026 gevolg gegeven aan dit verzoek en de daartoe betreffende stukken in het rechtbankdossier geplaatst. 1.5. De rechtbank heeft op 24 april 2026 het vooronderzoek gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Overwegingen 2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. 3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 12 februari 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 10 februari 2026. 4. De minister heeft op 22 april 2026 de voortgangsrapportage overgelegd. Bij bericht van 22 april 2026 heeft de rechtbank aan eiser laten weten dat hij uiterlijk op 23 april 2026 op de voortgangsrapportage kon reageren. 5. De rechtbank stelt vast dat eiser niet op de voortgangsrapportage heeft gereageerd. In zoverre bestaat dan ook geen aanleiding om het voortduren van de bewaring onrechtmatig te achten. In de door de minister verstrekte gegevens ziet de rechtbank verder geen aanleiding om, ambtshalve toetsend, te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor het voortduren van deze maatregel niet is voldaan. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M. van Kouwen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Rb. Den Haag, zp. Arnhem 12 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:2735. Dit is mogelijk op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000. Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 ( Adrar ) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 ( C, B en X ).
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10310 text/xml public 2026-05-04T17:00:25 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-30 NL26.22760 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10310 text/html public 2026-05-01T10:27:49 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10310 Rechtbank Den Haag , 30-04-2026 / NL26.22760 Bewaring, vervolgberoep, geen gronden ingediend, ambtshalve toets, ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.22760 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn), en de minister van Asiel en Migratie, Procesverloop 1. De minister heeft op 27 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. 1.1. De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 12 februari 2026. 1.2. De minister heeft de rechtbank op 21 april 2026 laten weten dat het langer dan 75 dagen geleden is dat eiser beroep heeft ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. Daarom heeft de minister verzocht om te beoordelen of de bewaring kan voortduren (de vervolgkennisgeving). Daarbij heeft de minister een voortgangsrapportage overgelegd. 1.3. De rechtbank merkt de vervolgkennisgeving aan als een beroep van eiser tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. Uit artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 volgt dat de vreemdeling geacht wordt beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel zodra de rechtbank de (eerste) kennisgeving heeft ontvangen. Omdat de vervolgkennisgeving (nog) niet in de Nederlandse wet- of regelgeving is opgenomen, past de rechtbank deze regel op overeenkomstige wijze toe op de vervolgkennisgeving. 1.4. De rechtbank heeft op 22 april 2026 aan de minister verzocht om haar te informeren over de stand van zaken in de asielprocedure van eiser. De minister heeft op 23 april 2026 gevolg gegeven aan dit verzoek en de daartoe betreffende stukken in het rechtbankdossier geplaatst. 1.5. De rechtbank heeft op 24 april 2026 het vooronderzoek gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Overwegingen 2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. 3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 12 februari 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 10 februari 2026. 4. De minister heeft op 22 april 2026 de voortgangsrapportage overgelegd. Bij bericht van 22 april 2026 heeft de rechtbank aan eiser laten weten dat hij uiterlijk op 23 april 2026 op de voortgangsrapportage kon reageren. 5. De rechtbank stelt vast dat eiser niet op de voortgangsrapportage heeft gereageerd. In zoverre bestaat dan ook geen aanleiding om het voortduren van de bewaring onrechtmatig te achten. In de door de minister verstrekte gegevens ziet de rechtbank verder geen aanleiding om, ambtshalve toetsend, te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor het voortduren van deze maatregel niet is voldaan. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M. van Kouwen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Rb. Den Haag, zp. Arnhem 12 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:2735. Dit is mogelijk op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000. Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 ( Adrar ) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 ( C, B en X ).