Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-28
ECLI:NL:RBDHA:2026:10275
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
16,217 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10275 text/xml public 2026-05-04T08:56:44 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-28 NL24.43558 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10275 text/html public 2026-05-04T08:56:15 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10275 Rechtbank Den Haag , 28-04-2026 / NL24.43558 Asiel Afghanistan. De rechtbank is van oordeel dat de minister het standpunt dat de verklaringen van eiser over zijn problemen met de Taliban niet geloofwaardig zijn, onzorgvuldig heeft voorbereid en ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Hoewel het kader voor de geloofwaardigheidsbeoordeling dat de minister heeft toegepast niet in strijd is met het Unierecht, kan de geloofwaardigheidsbeoordeling die de minister in het geval van eiser heeft gemaakt, niet standhouden. De minister heeft namelijk de documenten die eiser heeft overgelegd onvoldoende kenbaar betrokken in de geloofwaardigheidsbeoordeling. Ook heeft de minister niet mogen tegenwerpen dat de verklaringen van eiser over zijn asielmotieven tijdens het verhoor bij de Vreemdelingenpolitie tegenstrijdig zijn met zijn verklaringen hierover tijdens het nader gehoor. Verder is de rechtbank van oordeel dat het standpunt van de minister dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het EVRM, onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend onderzoek heeft gedaan naar adequate opvang voor eiser in Afghanistan. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL24.43558 V-nummer: [v-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , geboren op [geboortedag] 2006, van Afghaanse nationaliteit, eiser (gemachtigde: mr. K. Ross), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. A. Bondarev). Samenvatting 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. 1.1. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Het bestreden besluit is op onvoldoende zorgvuldige wijze tot stand gekomen en ondeugdelijk gemotiveerd. Dit betekent dat de minister een nieuw besluit moet nemen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. Procesverloop 2. Eiser heeft op 9 januari 2023 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel ingediend. 2.1. Met het bestreden besluit van 9 december 2024 heeft de minister de aanvraag afgewezen als ongegrond. 2.2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, H. Omarkael als tolk in de taal Pashtu en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Asielrelaas 3. Eiser heeft aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd dat zijn broer een Talibanstrijder heeft aangehouden en aan de autoriteiten heeft overgedragen. Daarop is zijn broer bedreigd en later gedood door de Taliban. Eiser en zijn familie zijn daarna ook bedreigd. Later is er een inval geweest in het huis van zijn familie. Eiser was op dat moment bij zijn opa. Hij weet niet wat er met zijn familie is gebeurd. Hij vreest bij terugkeer naar Afghanistan gedood te worden door de Taliban. Bestreden besluit 4. Het asielrelaas bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: Identiteit, nationaliteit en herkomst; en Problemen met de Taliban. 4.1. De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De problemen met de Taliban acht de minister niet geloofwaardig. Eiser heeft zijn verklaringen niet onderbouwd met objectieve documenten. De verklaringen van eiser vormen volgens de minister geen samenhangend en aannemelijk geheel. Ten eerste vindt de minister dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over het werk van zijn broer. Ten tweede vindt de minister dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de plek waar zijn broer is gedood. Ten derde vindt de minister dat eiser wisselend en tegenstrijdig heeft verklaard over waar hij en zijn familie verbleven na het overlijden van zijn broer. De minister concludeert dat eiser geen vluchteling is zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag en dat hij bij terugkeer naar Afghanistan geen reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser krijgt daarom geen verblijfsvergunning asiel. 4.2. Verder krijgt eiser geen verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het EVRM . Eiser heeft het gestelde gezinsleven met de vriend van zijn opa niet onderbouwd. Ook krijgt eiser geen verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv). Het onderzoek naar adequate opvang kon niet worden afgerond voordat eiser meerderjarig werd. 4.3. De minister legt eiser tot slot een terugkeerbesluit op met een vertrektermijn van vier weken. Heeft de minister het standpunt dat de problemen met de Taliban niet geloofwaardig zijn, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd? 5. Eiser kan zich ten eerste niet verenigen met het standpunt van de minister dat de problemen met de Taliban niet geloofwaardig zijn. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt deze beroepsgronden hieronder. Is het kader voor de geloofwaardigheidsbeoordeling dat de minister heeft toegepast in strijd met het Unierecht? 6. Eiser voert ten eerste aan dat het kader voor de geloofwaardigheidsbeoordeling dat de minister heeft toegepast, in strijd is met het Unierecht . Eiser verwijst daarbij naar de prejudiciële vragen over de geloofwaardigheidsbeoordeling die deze rechtbank zittingsplaats Roermond, in een uitspraak van 7 januari 2025 heeft gesteld. Eiser vindt dat de rechtbank de antwoorden op de prejudiciële vragen dient af te wachten. 7. De minister stelt zich op het standpunt dat de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals die is neergelegd in Werkinstructie 2024/6 niet in strijd is met het Unierecht. 8. De rechtbank is van oordeel dat het kader voor de geloofwaardigheidsbeoordeling dat de minister heeft toegepast in het algemeen niet in strijd is met het Unierecht. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het afwachten van de antwoorden op de prejudiciële vragen van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond. De rechtbank verwijst daarvoor naar de uitspraak van 24 november 2025 van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats. In deze uitspraak overweegt de rechtbank dat zij geen aanleiding ziet voor het oordeel dat de minister het voordeel van de twijfel in zijn algemeenheid op een onjuiste wijze toepast. Gelet op de stellige en directieve formulering in de nieuwe werkinstructie, zijn er situaties denkbaar waarin de toepassing ervan in strijd is met artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn . Dit betekent echter niet dat de toepassing van de werkinstructie in iedere asielzaak zonder meer leidt tot een met het Unierecht strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling. De rechtbank dient dit per individuele zaak te beoordelen. 8.1. De beroepsgrond slaagt niet. Heeft de minister de overgelegde documenten voldoende kenbaar in de geloofwaardigheidsbeoordeling betrokken? 9. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte geen waarde heeft gehecht aan de overgelegde foto van zijn vermoorde broer en de kopie van de oproep van de Taliban. Ook kopieën van documenten kunnen de geloofwaardigheid van een asielmotief onderbouwen. Eiser verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 20 maart 2025 . 10. De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de minister aan documenten waarvan hij de authenticiteit niet kan vaststellen, niet zonder meer geen waarde kan toekennen.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10275 text/xml public 2026-05-04T08:56:44 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-28 NL24.43558 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10275 text/html public 2026-05-04T08:56:15 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10275 Rechtbank Den Haag , 28-04-2026 / NL24.43558 Asiel Afghanistan. De rechtbank is van oordeel dat de minister het standpunt dat de verklaringen van eiser over zijn problemen met de Taliban niet geloofwaardig zijn, onzorgvuldig heeft voorbereid en ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Hoewel het kader voor de geloofwaardigheidsbeoordeling dat de minister heeft toegepast niet in strijd is met het Unierecht, kan de geloofwaardigheidsbeoordeling die de minister in het geval van eiser heeft gemaakt, niet standhouden. De minister heeft namelijk de documenten die eiser heeft overgelegd onvoldoende kenbaar betrokken in de geloofwaardigheidsbeoordeling. Ook heeft de minister niet mogen tegenwerpen dat de verklaringen van eiser over zijn asielmotieven tijdens het verhoor bij de Vreemdelingenpolitie tegenstrijdig zijn met zijn verklaringen hierover tijdens het nader gehoor. Verder is de rechtbank van oordeel dat het standpunt van de minister dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het EVRM, onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend onderzoek heeft gedaan naar adequate opvang voor eiser in Afghanistan. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL24.43558 V-nummer: [v-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , geboren op [geboortedag] 2006, van Afghaanse nationaliteit, eiser (gemachtigde: mr. K. Ross), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. A. Bondarev). Samenvatting 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. 1.1. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Het bestreden besluit is op onvoldoende zorgvuldige wijze tot stand gekomen en ondeugdelijk gemotiveerd. Dit betekent dat de minister een nieuw besluit moet nemen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. Procesverloop 2. Eiser heeft op 9 januari 2023 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel ingediend. 2.1. Met het bestreden besluit van 9 december 2024 heeft de minister de aanvraag afgewezen als ongegrond. 2.2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, H. Omarkael als tolk in de taal Pashtu en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Asielrelaas 3. Eiser heeft aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd dat zijn broer een Talibanstrijder heeft aangehouden en aan de autoriteiten heeft overgedragen. Daarop is zijn broer bedreigd en later gedood door de Taliban. Eiser en zijn familie zijn daarna ook bedreigd. Later is er een inval geweest in het huis van zijn familie. Eiser was op dat moment bij zijn opa. Hij weet niet wat er met zijn familie is gebeurd. Hij vreest bij terugkeer naar Afghanistan gedood te worden door de Taliban. Bestreden besluit 4. Het asielrelaas bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: Identiteit, nationaliteit en herkomst; en Problemen met de Taliban. 4.1. De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De problemen met de Taliban acht de minister niet geloofwaardig. Eiser heeft zijn verklaringen niet onderbouwd met objectieve documenten. De verklaringen van eiser vormen volgens de minister geen samenhangend en aannemelijk geheel. Ten eerste vindt de minister dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over het werk van zijn broer. Ten tweede vindt de minister dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de plek waar zijn broer is gedood. Ten derde vindt de minister dat eiser wisselend en tegenstrijdig heeft verklaard over waar hij en zijn familie verbleven na het overlijden van zijn broer. De minister concludeert dat eiser geen vluchteling is zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag en dat hij bij terugkeer naar Afghanistan geen reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser krijgt daarom geen verblijfsvergunning asiel. 4.2. Verder krijgt eiser geen verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het EVRM . Eiser heeft het gestelde gezinsleven met de vriend van zijn opa niet onderbouwd. Ook krijgt eiser geen verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv). Het onderzoek naar adequate opvang kon niet worden afgerond voordat eiser meerderjarig werd. 4.3. De minister legt eiser tot slot een terugkeerbesluit op met een vertrektermijn van vier weken. Heeft de minister het standpunt dat de problemen met de Taliban niet geloofwaardig zijn, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd? 5. Eiser kan zich ten eerste niet verenigen met het standpunt van de minister dat de problemen met de Taliban niet geloofwaardig zijn. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt deze beroepsgronden hieronder. Is het kader voor de geloofwaardigheidsbeoordeling dat de minister heeft toegepast in strijd met het Unierecht? 6. Eiser voert ten eerste aan dat het kader voor de geloofwaardigheidsbeoordeling dat de minister heeft toegepast, in strijd is met het Unierecht . Eiser verwijst daarbij naar de prejudiciële vragen over de geloofwaardigheidsbeoordeling die deze rechtbank zittingsplaats Roermond, in een uitspraak van 7 januari 2025 heeft gesteld. Eiser vindt dat de rechtbank de antwoorden op de prejudiciële vragen dient af te wachten. 7. De minister stelt zich op het standpunt dat de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals die is neergelegd in Werkinstructie 2024/6 niet in strijd is met het Unierecht. 8. De rechtbank is van oordeel dat het kader voor de geloofwaardigheidsbeoordeling dat de minister heeft toegepast in het algemeen niet in strijd is met het Unierecht. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het afwachten van de antwoorden op de prejudiciële vragen van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond. De rechtbank verwijst daarvoor naar de uitspraak van 24 november 2025 van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats. In deze uitspraak overweegt de rechtbank dat zij geen aanleiding ziet voor het oordeel dat de minister het voordeel van de twijfel in zijn algemeenheid op een onjuiste wijze toepast. Gelet op de stellige en directieve formulering in de nieuwe werkinstructie, zijn er situaties denkbaar waarin de toepassing ervan in strijd is met artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn . Dit betekent echter niet dat de toepassing van de werkinstructie in iedere asielzaak zonder meer leidt tot een met het Unierecht strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling. De rechtbank dient dit per individuele zaak te beoordelen. 8.1. De beroepsgrond slaagt niet. Heeft de minister de overgelegde documenten voldoende kenbaar in de geloofwaardigheidsbeoordeling betrokken? 9. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte geen waarde heeft gehecht aan de overgelegde foto van zijn vermoorde broer en de kopie van de oproep van de Taliban. Ook kopieën van documenten kunnen de geloofwaardigheid van een asielmotief onderbouwen. Eiser verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 20 maart 2025 . 10. De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de minister aan documenten waarvan hij de authenticiteit niet kan vaststellen, niet zonder meer geen waarde kan toekennen.
Volledig
De waarde die aan een door een vreemdeling overgelegd document toekomt, moet hij bezien in het licht van de door die vreemdeling afgelegde verklaringen en tegen de achtergrond van dat wat algemeen bekend is over de situatie in het land van herkomst. 10.1. De rechtbank is van oordeel dat de minister de foto en de oproep die eiser heeft overgelegd, onvoldoende kenbaar in de beoordeling heeft betrokken. De minister heeft slechts gesteld dat eiser geen objectieve documenten heeft overgelegd, omdat het gaat om een kopie van de oproep van de Taliban en een foto van een overleden persoon waarvan niet verifieerbaar is om wie het gaat en wat de doodsoorzaak is. De rechtbank is van oordeel dat de minister met deze stelling ten onrechte niet kenbaar heeft gemaakt welke waarde hij aan de foto en de kopie van de oproep heeft toegekend. Ook heeft de minister de waarde die toekomt aan de foto en het document, ten onrechte niet kenbaar bezien in het licht van de door eiser afgelegde verklaringen en tegen de achtergrond van dat wat algemeen bekend is over de situatie in Afghanistan. 10.2. De beroepsgrond slaagt. Heeft de minister mogen tegenwerpen dat de verklaringen van eiser over zijn asielmotieven tijdens het verhoor bij de Vreemdelingenpolitie tegenstrijdig zijn met zijn verklaringen hierover tijdens het nader gehoor? 11. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte heeft tegengeworpen dat de verklaringen van eiser over zijn asielmotieven tijdens het verhoor bij de Vreemdelingenpolitie tegenstrijdig zijn met zijn verklaringen hierover tijdens het nader gehoor. 11.1. Ten eerste is volgens eiser bij het verhoor bij de Vreemdelingenpolitie ten onrechte geen rekening gehouden met de beperkingen die golden voor het horen van eiser. MediFirst heeft in het advies van 9 oktober 2024 de volgende beperkingen vastgesteld: ‘Betrokkene heeft aangegeven dat er pijnlijke gebeurtenissen hebben plaatsgevonden in het verleden. Ervaart hierdoor slaapproblemen. Rekening houden met vermoeidheidsklachten. Geobserveerd dat betrokkene hierdoor kwetsbaar oogt. Graag betrokkene ondersteunend bejegenen en de tijd geven om vertrouwen te krijgen. Bij betrokkene rekening houden met een emotionele blokkade over het verleden. Betrokkene heeft aangegeven hoofd en rugpijnklachten te ervaren. Gelieve een pauze in te lassen wanneer betrokkene deze klacht aangeeft of wanneer u dit signaleert. Indien betrokkene deze klacht aangeeft op dat moment bekijken of betrokkene het gehoor kan afmaken.’ Ook heeft MediFirst de volgende opmerkingen gemaakt: ‘Betrokkene heeft aangegeven dat hij moeite lijkt te hebben met tijds- en geografische aanduidingen. Geobserveerd dat betrokkene last heeft van een wisselende concentratie vermogen. betrokkene meer tijd bieden om te antwoorden. betrokkene korte en gerichte vragen stellen.’ 11.2. Eiser voert aan dat de minister enkel heeft toegelicht welke waarborgen er zijn gehanteerd tijdens het nader gehoor. Het verhoor bij de Vreemdelingenpolitie vond plaats vijf dagen nadat eiser na een zware reis in Nederland was aangekomen. Er was toen nog geen medisch advies uitgebracht. Het verhoor vond dus plaats zonder enige waarborg, terwijl er toen al beperkingen golden. Wellicht golden er nog wel meer beperkingen dan tijdens het nader gehoor, omdat het verhoor werd uitgevoerd door politieambtenaren in uniform, wat heel intimiderend was voor eiser. Eiser was op dat moment nog minderjarig en er was geen medewerker van het Nidos aanwezig. Het verhoor heeft zeer kort geduurd en is afgenomen met een telefonische tolk, wat de communicatie niet bevorderde. Aan het einde van het verhoor is niet gevraagd of eiser de tolk goed heeft kunnen begrijpen en eiser heeft het proces-verbaal niet ondertekend. Er was ook geen gelegenheid om correcties en aanvullingen te maken op dit verhoor. Toen eiser tijdens het nader gehoor werd geconfronteerd met de tegenstrijdigheden tussen het verhoor en het nader gehoor heeft hij telkens gesteld dat de tolk hem tijdens het verhoor bij de Vreemdelingenpolitie niet goed heeft verstaan. 11.3. Tot slot voert eiser aan dat uit artikel 3.108d, vierde en vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) volgt dat verklaringen in de aanmeldfase over de asielmotieven enkel voor een efficiënte behandeling van de aanvraag dienen en dat deze niet mogen worden betrokken bij de beoordeling van de inwilligbaarheid van de aanvraag. Eiser verwijst daarbij naar verschillende uitspraken van deze rechtbank. 12. De minister erkent dat de tegenstrijdigheden die aan eiser zijn tegenworpen, grotendeels zien op de verklaringen tijdens het verhoor bij de Vreemdelingenpolitie ten opzichte van het nader gehoor. De minister stelt zich op het standpunt dat hij de verklaringen die eiser heeft afgelegd bij de Vreemdelingenpolitie wel heeft mogen betrekken in de geloofwaardigheidsbeoordeling. Eiser is gezien door MediFirst. Die heeft geconcludeerd dat eiser gehoord kon worden en dat er rekening gehouden moest worden met beperkingen. Met deze beperkingen is ook rekening gehouden tijdens het gehoor en in de besluitvorming. De minister heeft geen inconsistenties wat betreft data tegengeworpen. Het asielrelaas is op hoofdlijnen beoordeeld. Verklaringen van eiser over zijn asielrelaas die hij uit eigen beweging tijdens het verhoor bij de Vreemdelingenpolitie heeft afgelegd, mag de minister betrekken in de geloofwaardigheidsbeoordeling. De minister verwijst daarbij naar rechtspraak van de Afdeling. 13. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet heeft mogen tegenwerpen dat de verklaringen van eiser over zijn asielmotieven tijdens het verhoor bij de Vreemdelingenpolitie tegenstrijdig zijn met zijn verklaringen hierover tijdens het nader gehoor. De rechtbank licht dit oordeel hierna toe. 13.1. Uit artikel 3.108b, eerste lid, van het Vb 2000 volgt dat voorafgaand aan of tijdens het onderzoek naar de asielaanvraag beoordeeld wordt of de vreemdeling bijzondere procedurele waarborgen behoeft als bedoeld in artikel 24 van de Procedurerichtlijn . Indien dit het geval is, wordt ingevolge het tweede lid gedurende het onderzoek passende steun geboden. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de minister in alle individuele asielzaken een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling moet verrichten, waarbij hij zowel bij het horen als in de besluitvorming rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden, achtergrond en leeftijd van een vreemdeling. 13.2. De rechtbank stelt vast dat eiser ten tijde van het verhoor bij de Vreemdelingenpolitie nog niet was gezien door MediFirst. De beperkingen die MediFirst heeft vastgesteld golden hoogstwaarschijnlijk wel al ten tijde van het verhoor. Eiser had op dat moment immers net een lange reis achter de rug en was nog minderjarig. Niet is gebleken dat de Vreemdelingenpolitie met deze beperkingen rekening heeft gehouden. De minister heeft dit niet onderkend. Het standpunt van de minister dat hij de verklaringen die eiser heeft afgelegd bij de Vreemdelingenpolitie wel heeft mogen betrekken in de geloofwaardigheidsbeoordeling, volgt de rechtbank mede hierom niet. 13.3. Daar komt bij dat toen eiser tijdens het nader gehoor werd geconfronteerd met zijn verklaringen tijdens het verhoor bij de Vreemdelingenpolitie, eiser telkens heeft gezegd dat zijn verklaringen tijdens dat verhoor niet goed zijn vertaald. Eiser is bij de Vreemdelingenpolitie met behulp van een telefonische tolk gehoord. Aan het einde van het verhoor is eiser niet gevraagd of hij de tolk goed had kunnen verstaan. Eiser had bovendien geen mogelijkheid om correcties en aanvullingen in te dienen op dit verhoor. Dit is wezenlijk anders dan de situatie waar de uitspraak van de Afdeling van 20 oktober 2020 over gaat en waar de minister naar heeft verwezen. De rechtbank begrijpt dan ook niet waarom de minister onder deze omstandigheden zoveel gewicht hangt aan de vertaling van de verklaringen van eiser tijdens het verhoor bij de Vreemdelingenpolitie. 13.4.
Volledig
De waarde die aan een door een vreemdeling overgelegd document toekomt, moet hij bezien in het licht van de door die vreemdeling afgelegde verklaringen en tegen de achtergrond van dat wat algemeen bekend is over de situatie in het land van herkomst. 10.1. De rechtbank is van oordeel dat de minister de foto en de oproep die eiser heeft overgelegd, onvoldoende kenbaar in de beoordeling heeft betrokken. De minister heeft slechts gesteld dat eiser geen objectieve documenten heeft overgelegd, omdat het gaat om een kopie van de oproep van de Taliban en een foto van een overleden persoon waarvan niet verifieerbaar is om wie het gaat en wat de doodsoorzaak is. De rechtbank is van oordeel dat de minister met deze stelling ten onrechte niet kenbaar heeft gemaakt welke waarde hij aan de foto en de kopie van de oproep heeft toegekend. Ook heeft de minister de waarde die toekomt aan de foto en het document, ten onrechte niet kenbaar bezien in het licht van de door eiser afgelegde verklaringen en tegen de achtergrond van dat wat algemeen bekend is over de situatie in Afghanistan. 10.2. De beroepsgrond slaagt. Heeft de minister mogen tegenwerpen dat de verklaringen van eiser over zijn asielmotieven tijdens het verhoor bij de Vreemdelingenpolitie tegenstrijdig zijn met zijn verklaringen hierover tijdens het nader gehoor? 11. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte heeft tegengeworpen dat de verklaringen van eiser over zijn asielmotieven tijdens het verhoor bij de Vreemdelingenpolitie tegenstrijdig zijn met zijn verklaringen hierover tijdens het nader gehoor. 11.1. Ten eerste is volgens eiser bij het verhoor bij de Vreemdelingenpolitie ten onrechte geen rekening gehouden met de beperkingen die golden voor het horen van eiser. MediFirst heeft in het advies van 9 oktober 2024 de volgende beperkingen vastgesteld: ‘Betrokkene heeft aangegeven dat er pijnlijke gebeurtenissen hebben plaatsgevonden in het verleden. Ervaart hierdoor slaapproblemen. Rekening houden met vermoeidheidsklachten. Geobserveerd dat betrokkene hierdoor kwetsbaar oogt. Graag betrokkene ondersteunend bejegenen en de tijd geven om vertrouwen te krijgen. Bij betrokkene rekening houden met een emotionele blokkade over het verleden. Betrokkene heeft aangegeven hoofd en rugpijnklachten te ervaren. Gelieve een pauze in te lassen wanneer betrokkene deze klacht aangeeft of wanneer u dit signaleert. Indien betrokkene deze klacht aangeeft op dat moment bekijken of betrokkene het gehoor kan afmaken.’ Ook heeft MediFirst de volgende opmerkingen gemaakt: ‘Betrokkene heeft aangegeven dat hij moeite lijkt te hebben met tijds- en geografische aanduidingen. Geobserveerd dat betrokkene last heeft van een wisselende concentratie vermogen. betrokkene meer tijd bieden om te antwoorden. betrokkene korte en gerichte vragen stellen.’ 11.2. Eiser voert aan dat de minister enkel heeft toegelicht welke waarborgen er zijn gehanteerd tijdens het nader gehoor. Het verhoor bij de Vreemdelingenpolitie vond plaats vijf dagen nadat eiser na een zware reis in Nederland was aangekomen. Er was toen nog geen medisch advies uitgebracht. Het verhoor vond dus plaats zonder enige waarborg, terwijl er toen al beperkingen golden. Wellicht golden er nog wel meer beperkingen dan tijdens het nader gehoor, omdat het verhoor werd uitgevoerd door politieambtenaren in uniform, wat heel intimiderend was voor eiser. Eiser was op dat moment nog minderjarig en er was geen medewerker van het Nidos aanwezig. Het verhoor heeft zeer kort geduurd en is afgenomen met een telefonische tolk, wat de communicatie niet bevorderde. Aan het einde van het verhoor is niet gevraagd of eiser de tolk goed heeft kunnen begrijpen en eiser heeft het proces-verbaal niet ondertekend. Er was ook geen gelegenheid om correcties en aanvullingen te maken op dit verhoor. Toen eiser tijdens het nader gehoor werd geconfronteerd met de tegenstrijdigheden tussen het verhoor en het nader gehoor heeft hij telkens gesteld dat de tolk hem tijdens het verhoor bij de Vreemdelingenpolitie niet goed heeft verstaan. 11.3. Tot slot voert eiser aan dat uit artikel 3.108d, vierde en vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) volgt dat verklaringen in de aanmeldfase over de asielmotieven enkel voor een efficiënte behandeling van de aanvraag dienen en dat deze niet mogen worden betrokken bij de beoordeling van de inwilligbaarheid van de aanvraag. Eiser verwijst daarbij naar verschillende uitspraken van deze rechtbank. 12. De minister erkent dat de tegenstrijdigheden die aan eiser zijn tegenworpen, grotendeels zien op de verklaringen tijdens het verhoor bij de Vreemdelingenpolitie ten opzichte van het nader gehoor. De minister stelt zich op het standpunt dat hij de verklaringen die eiser heeft afgelegd bij de Vreemdelingenpolitie wel heeft mogen betrekken in de geloofwaardigheidsbeoordeling. Eiser is gezien door MediFirst. Die heeft geconcludeerd dat eiser gehoord kon worden en dat er rekening gehouden moest worden met beperkingen. Met deze beperkingen is ook rekening gehouden tijdens het gehoor en in de besluitvorming. De minister heeft geen inconsistenties wat betreft data tegengeworpen. Het asielrelaas is op hoofdlijnen beoordeeld. Verklaringen van eiser over zijn asielrelaas die hij uit eigen beweging tijdens het verhoor bij de Vreemdelingenpolitie heeft afgelegd, mag de minister betrekken in de geloofwaardigheidsbeoordeling. De minister verwijst daarbij naar rechtspraak van de Afdeling. 13. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet heeft mogen tegenwerpen dat de verklaringen van eiser over zijn asielmotieven tijdens het verhoor bij de Vreemdelingenpolitie tegenstrijdig zijn met zijn verklaringen hierover tijdens het nader gehoor. De rechtbank licht dit oordeel hierna toe. 13.1. Uit artikel 3.108b, eerste lid, van het Vb 2000 volgt dat voorafgaand aan of tijdens het onderzoek naar de asielaanvraag beoordeeld wordt of de vreemdeling bijzondere procedurele waarborgen behoeft als bedoeld in artikel 24 van de Procedurerichtlijn . Indien dit het geval is, wordt ingevolge het tweede lid gedurende het onderzoek passende steun geboden. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de minister in alle individuele asielzaken een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling moet verrichten, waarbij hij zowel bij het horen als in de besluitvorming rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden, achtergrond en leeftijd van een vreemdeling. 13.2. De rechtbank stelt vast dat eiser ten tijde van het verhoor bij de Vreemdelingenpolitie nog niet was gezien door MediFirst. De beperkingen die MediFirst heeft vastgesteld golden hoogstwaarschijnlijk wel al ten tijde van het verhoor. Eiser had op dat moment immers net een lange reis achter de rug en was nog minderjarig. Niet is gebleken dat de Vreemdelingenpolitie met deze beperkingen rekening heeft gehouden. De minister heeft dit niet onderkend. Het standpunt van de minister dat hij de verklaringen die eiser heeft afgelegd bij de Vreemdelingenpolitie wel heeft mogen betrekken in de geloofwaardigheidsbeoordeling, volgt de rechtbank mede hierom niet. 13.3. Daar komt bij dat toen eiser tijdens het nader gehoor werd geconfronteerd met zijn verklaringen tijdens het verhoor bij de Vreemdelingenpolitie, eiser telkens heeft gezegd dat zijn verklaringen tijdens dat verhoor niet goed zijn vertaald. Eiser is bij de Vreemdelingenpolitie met behulp van een telefonische tolk gehoord. Aan het einde van het verhoor is eiser niet gevraagd of hij de tolk goed had kunnen verstaan. Eiser had bovendien geen mogelijkheid om correcties en aanvullingen in te dienen op dit verhoor. Dit is wezenlijk anders dan de situatie waar de uitspraak van de Afdeling van 20 oktober 2020 over gaat en waar de minister naar heeft verwezen. De rechtbank begrijpt dan ook niet waarom de minister onder deze omstandigheden zoveel gewicht hangt aan de vertaling van de verklaringen van eiser tijdens het verhoor bij de Vreemdelingenpolitie. 13.4.
Volledig
Bovendien volgt uit artikel 3.108d, vijfde lid, van het Vb 2000 dat bij de beoordeling van de inwilligbaarheid van de aanvraag de door de vreemdeling tijdens de aanmeldfase afgelegde verklaringen omtrent zijn asielmotieven niet zullen worden betrokken. Het artikel maakt geen onderscheid tussen verklaringen over de asielmotieven die de vreemdeling tijdens de aanmeldfase wel en niet uit eigen beweging aflegt. Het verhoor bij de Vreemdelingenpolitie maakt deel uit van de aanmeldfase. Alle verklaringen van eiser over zijn asielmotieven tijdens het verhoor bij de Vreemdelingenpolitie mogen dus op grond van dit artikel niet zonder nadere toelichting worden betrokken in de beoordeling. Ten overvloede merkt de rechtbank daarbij op dat eiser de verklaringen over zijn asielmotieven tijdens het verhoor bij de Vreemdelingenpolitie niet uit eigen beweging heeft afgelegd. Eiser heeft enkel de vragen van de Vreemdelingenpolitie beantwoord. Om deze redenen heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank dus niet mogen tegenwerpen dat de verklaringen van eiser over zijn asielmotieven tijdens het verhoor bij de Vreemdelingenpolitie tegenstrijdig zijn met zijn verklaringen hierover tijdens het nader gehoor. 13.5. De beroepsgrond slaagt. Conclusie van het oordeel van de rechtbank over de geloofwaardigheidsbeoordeling 14. Het oordeel van de rechtbank over de voorgaande beroepsgronden leidt tot de conclusie dat de minister het standpunt dat de verklaringen van eiser over zijn problemen met de Taliban niet geloofwaardig zijn, onzorgvuldig heeft voorbereid en ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Hoewel het kader voor de geloofwaardigheidsbeoordeling dat de minister heeft toegepast niet in strijd is met het Unierecht, kan de geloofwaardigheidsbeoordeling die de minister in het geval van eiser heeft gemaakt, niet standhouden. De minister heeft namelijk de documenten die eiser heeft overgelegd onvoldoende kenbaar betrokken in de geloofwaardigheidsbeoordeling. Ook heeft de minister niet mogen tegenwerpen dat de verklaringen van eiser over zijn asielmotieven tijdens het verhoor bij de Vreemdelingenpolitie tegenstrijdig zijn met zijn verklaringen hierover tijdens het nader gehoor. Heeft de minister het standpunt dat eiser geen verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het EVRM krijgt, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd? 15. Eiser voert aan dat de minister het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het EVRM onzorgvuldig heeft voorbereid en ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Eiser is namelijk ten onrechte niet gehoord over het gezinsleven met de vriend van zijn opa. Het betreft een eerste asielaanvraag, dus de minister had nader onderzoek moeten doen. De minister heeft ook niet onderkend dat eiser na zijn aankomst in Nederland bij deze vriend woont en dat daardoor sprake is van hechte persoonlijke banden. De vriend heeft de rol van vader op zich genomen. Eiser overlegt een verklaring van deze vriend. Verder voert eiser aan dat hij ook privéleven heeft opgebouwd in Nederland. Hij heeft hier onderwijs gevolgd. Hij zit op het MBO in [plaats 1] . Eiser overlegt een verklaring van de docent van de internationale schakelklas [plaats 2] van 15 januari 2026. Hieruit blijkt dat eiser goed geïntegreerd is in de Nederlandse samenleving. 15.1. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat hij ongeveer een jaar bij het gezin van de vriend van zijn opa heeft gewoond. Nadat hij meerderjarig werd, was hij verplicht om in de asielopvang van het COa te verblijven. Vanaf dat moment gaat hij vaak bij het gezin op bezoek. Het gezin bestaat uit de vriend van de opa, zijn vrouw en hun twee dochters en twee zoons. Ook zijn er nog twee andere zoons die getrouwd zijn en daar niet meer wonen. Verder heeft eiser verklaard dat hij bezig is met een pre-entree opleiding voor het MBO. Hij wil automonteur worden. 16. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser geen familierechtelijke band met de vriend van de opa heeft. Daarom is het niet mogelijk om gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM aan te nemen. Verder wijst de minister erop dat eiser slechts één jaar bij het gezin heeft gewoond en dat hij daar nu niet meer woont. 17. De rechtbank overweegt dat de minister bij de afwijzing van een eerste asielaanvraag ambtshalve moet beoordelen of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het EVRM. De minister had hier onderzoek naar moeten doen gelet op de aanknopingspunten die eiser naar voren heeft gebracht. Verder overweegt de rechtbank dat uit het beleid van de minister volgt dat tussen minderjarige kinderen en hun pleeg- of opvangouders sprake kan zijn van familie- of gezinsleven als sprake is van hechte persoonlijke banden. Samenwoning is een omstandigheid die kan duiden op hechte persoonlijke banden. Tussen meerderjarigen neemt de minister familie- of gezinsleven aan als sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Bovendien bestaat er beleid over wanneer de minister gezinsleven aanneemt tussen jongvolwassenen en hun ouders. 17.1. De rechtbank is van oordeel dat het standpunt van de minister dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het EVRM, onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd. De minister heeft eiser ten onrechte niet gehoord over de band die hij heeft met de vriend van zijn opa en zijn gezin en over het privéleven dat eiser in Nederland heeft opgebouwd. Tijdens de gehoren heeft de minister hierover geen enkele vraag gesteld. De minister heeft hier daarom onvoldoende onderzoek naar gedaan. Verder heeft de minister niet onderkend dat uit zijn beleid volgt dat er sprake kan zijn van gezins- of familieleven tussen eiser en de vriend van zijn opa en zijn gezin. Eiser heeft als minderjarige bij het gezin gewoond en als jongvolwassen man bezoekt hij het gezin nu nog vaak. De minister heeft ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat hij niet langer bij het gezin van de vriend van de opa woont. Dat is namelijk ingegeven door de regels van het COa en is dus niet de keuze van eiser zelf. 17.2. De beroepsgrond slaagt. Heeft de minister voldoende voortvarend onderzoek gedaan naar adequate opvang voor eiser in Afghanistan? 18. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar adequate opvang voor eiser in Afghanistan. Dit onderzoek had moeten plaatsvinden, ook al is eiser inmiddels meerderjarig. De minister heeft ten onrechte niet toegelicht waarom het onderzoek zo lang heeft geduurd en niet is afgerond. Het standpunt van de minister dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van het amv-buitenschuldbeleid is dan ook onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd. Eiser verwijst daarbij naar het arrest T.Q. van het Hof van Justitie en de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2022 . 19. De minister stelt zich op het standpunt dat hij wel voortvarend heeft gehandeld. Het onderzoek naar adequate opvang voor eiser in Afghanistan kon niet worden afgerond voordat eiser meerderjarig werd. Er heeft wel onderzoek naar adequate opvang plaatsgevonden in de asielprocedure tijdens het aanmeldgehoor en nader gehoor. Uit de gehoren is gebleken dat eiser geen contact meer heeft met zijn familie. Uit het onderzoek kon de minister geen concrete conclusie trekken over het bestaan van adequate opvang. Verder onderzoek door de Dienst Terugkeer en Vertrek (DTenV) gedurende maximaal één jaar naar de verblijfplaats van de familie was aangewezen, maar pas mogelijk na het besluit op de asielaanvraag. Zolang er geen beslissing is genomen op een asielaanvraag, kan immers geen contact worden opgenomen met autoriteiten in het land van herkomst of andere partijen waarvoor eiser mogelijk te vrezen heeft. Eiser is echter binnen de (verlengde) beslistermijn van de asielaanvraag plus de maximale termijn van het onderzoek van de DTenV van één jaar meerderjarig geworden. 20. De rechtbank overweegt dat uit het arrest T.Q.
Volledig
Bovendien volgt uit artikel 3.108d, vijfde lid, van het Vb 2000 dat bij de beoordeling van de inwilligbaarheid van de aanvraag de door de vreemdeling tijdens de aanmeldfase afgelegde verklaringen omtrent zijn asielmotieven niet zullen worden betrokken. Het artikel maakt geen onderscheid tussen verklaringen over de asielmotieven die de vreemdeling tijdens de aanmeldfase wel en niet uit eigen beweging aflegt. Het verhoor bij de Vreemdelingenpolitie maakt deel uit van de aanmeldfase. Alle verklaringen van eiser over zijn asielmotieven tijdens het verhoor bij de Vreemdelingenpolitie mogen dus op grond van dit artikel niet zonder nadere toelichting worden betrokken in de beoordeling. Ten overvloede merkt de rechtbank daarbij op dat eiser de verklaringen over zijn asielmotieven tijdens het verhoor bij de Vreemdelingenpolitie niet uit eigen beweging heeft afgelegd. Eiser heeft enkel de vragen van de Vreemdelingenpolitie beantwoord. Om deze redenen heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank dus niet mogen tegenwerpen dat de verklaringen van eiser over zijn asielmotieven tijdens het verhoor bij de Vreemdelingenpolitie tegenstrijdig zijn met zijn verklaringen hierover tijdens het nader gehoor. 13.5. De beroepsgrond slaagt. Conclusie van het oordeel van de rechtbank over de geloofwaardigheidsbeoordeling 14. Het oordeel van de rechtbank over de voorgaande beroepsgronden leidt tot de conclusie dat de minister het standpunt dat de verklaringen van eiser over zijn problemen met de Taliban niet geloofwaardig zijn, onzorgvuldig heeft voorbereid en ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Hoewel het kader voor de geloofwaardigheidsbeoordeling dat de minister heeft toegepast niet in strijd is met het Unierecht, kan de geloofwaardigheidsbeoordeling die de minister in het geval van eiser heeft gemaakt, niet standhouden. De minister heeft namelijk de documenten die eiser heeft overgelegd onvoldoende kenbaar betrokken in de geloofwaardigheidsbeoordeling. Ook heeft de minister niet mogen tegenwerpen dat de verklaringen van eiser over zijn asielmotieven tijdens het verhoor bij de Vreemdelingenpolitie tegenstrijdig zijn met zijn verklaringen hierover tijdens het nader gehoor. Heeft de minister het standpunt dat eiser geen verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het EVRM krijgt, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd? 15. Eiser voert aan dat de minister het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het EVRM onzorgvuldig heeft voorbereid en ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Eiser is namelijk ten onrechte niet gehoord over het gezinsleven met de vriend van zijn opa. Het betreft een eerste asielaanvraag, dus de minister had nader onderzoek moeten doen. De minister heeft ook niet onderkend dat eiser na zijn aankomst in Nederland bij deze vriend woont en dat daardoor sprake is van hechte persoonlijke banden. De vriend heeft de rol van vader op zich genomen. Eiser overlegt een verklaring van deze vriend. Verder voert eiser aan dat hij ook privéleven heeft opgebouwd in Nederland. Hij heeft hier onderwijs gevolgd. Hij zit op het MBO in [plaats 1] . Eiser overlegt een verklaring van de docent van de internationale schakelklas [plaats 2] van 15 januari 2026. Hieruit blijkt dat eiser goed geïntegreerd is in de Nederlandse samenleving. 15.1. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat hij ongeveer een jaar bij het gezin van de vriend van zijn opa heeft gewoond. Nadat hij meerderjarig werd, was hij verplicht om in de asielopvang van het COa te verblijven. Vanaf dat moment gaat hij vaak bij het gezin op bezoek. Het gezin bestaat uit de vriend van de opa, zijn vrouw en hun twee dochters en twee zoons. Ook zijn er nog twee andere zoons die getrouwd zijn en daar niet meer wonen. Verder heeft eiser verklaard dat hij bezig is met een pre-entree opleiding voor het MBO. Hij wil automonteur worden. 16. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser geen familierechtelijke band met de vriend van de opa heeft. Daarom is het niet mogelijk om gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM aan te nemen. Verder wijst de minister erop dat eiser slechts één jaar bij het gezin heeft gewoond en dat hij daar nu niet meer woont. 17. De rechtbank overweegt dat de minister bij de afwijzing van een eerste asielaanvraag ambtshalve moet beoordelen of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het EVRM. De minister had hier onderzoek naar moeten doen gelet op de aanknopingspunten die eiser naar voren heeft gebracht. Verder overweegt de rechtbank dat uit het beleid van de minister volgt dat tussen minderjarige kinderen en hun pleeg- of opvangouders sprake kan zijn van familie- of gezinsleven als sprake is van hechte persoonlijke banden. Samenwoning is een omstandigheid die kan duiden op hechte persoonlijke banden. Tussen meerderjarigen neemt de minister familie- of gezinsleven aan als sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Bovendien bestaat er beleid over wanneer de minister gezinsleven aanneemt tussen jongvolwassenen en hun ouders. 17.1. De rechtbank is van oordeel dat het standpunt van de minister dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het EVRM, onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd. De minister heeft eiser ten onrechte niet gehoord over de band die hij heeft met de vriend van zijn opa en zijn gezin en over het privéleven dat eiser in Nederland heeft opgebouwd. Tijdens de gehoren heeft de minister hierover geen enkele vraag gesteld. De minister heeft hier daarom onvoldoende onderzoek naar gedaan. Verder heeft de minister niet onderkend dat uit zijn beleid volgt dat er sprake kan zijn van gezins- of familieleven tussen eiser en de vriend van zijn opa en zijn gezin. Eiser heeft als minderjarige bij het gezin gewoond en als jongvolwassen man bezoekt hij het gezin nu nog vaak. De minister heeft ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat hij niet langer bij het gezin van de vriend van de opa woont. Dat is namelijk ingegeven door de regels van het COa en is dus niet de keuze van eiser zelf. 17.2. De beroepsgrond slaagt. Heeft de minister voldoende voortvarend onderzoek gedaan naar adequate opvang voor eiser in Afghanistan? 18. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar adequate opvang voor eiser in Afghanistan. Dit onderzoek had moeten plaatsvinden, ook al is eiser inmiddels meerderjarig. De minister heeft ten onrechte niet toegelicht waarom het onderzoek zo lang heeft geduurd en niet is afgerond. Het standpunt van de minister dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van het amv-buitenschuldbeleid is dan ook onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd. Eiser verwijst daarbij naar het arrest T.Q. van het Hof van Justitie en de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2022 . 19. De minister stelt zich op het standpunt dat hij wel voortvarend heeft gehandeld. Het onderzoek naar adequate opvang voor eiser in Afghanistan kon niet worden afgerond voordat eiser meerderjarig werd. Er heeft wel onderzoek naar adequate opvang plaatsgevonden in de asielprocedure tijdens het aanmeldgehoor en nader gehoor. Uit de gehoren is gebleken dat eiser geen contact meer heeft met zijn familie. Uit het onderzoek kon de minister geen concrete conclusie trekken over het bestaan van adequate opvang. Verder onderzoek door de Dienst Terugkeer en Vertrek (DTenV) gedurende maximaal één jaar naar de verblijfplaats van de familie was aangewezen, maar pas mogelijk na het besluit op de asielaanvraag. Zolang er geen beslissing is genomen op een asielaanvraag, kan immers geen contact worden opgenomen met autoriteiten in het land van herkomst of andere partijen waarvoor eiser mogelijk te vrezen heeft. Eiser is echter binnen de (verlengde) beslistermijn van de asielaanvraag plus de maximale termijn van het onderzoek van de DTenV van één jaar meerderjarig geworden. 20. De rechtbank overweegt dat uit het arrest T.Q.
Volledig
van het Hof van Justitie en de Afdelingsuitspraak waarnaar eiser verwijst, volgt dat de minister verplicht is om voorafgaand aan het terugsturen van een minderjarige vreemdeling zich ervan te overtuigen dat die minderjarige vreemdeling wordt teruggestuurd naar een familielid, een aangewezen voogd of adequate opvangfaciliteiten in het land van terugkeer. De minister moet daarbij voortvarend handelen, omdat de minderjarige, gelet op het belang van het kind, niet onnodig lang in onzekerheid mag verkeren over zijn verblijfsstatus. Op het moment dat een niet-begeleide minderjarige vreemdeling meerderjarig is geworden, is de minister niet langer gehouden te onderzoeken of adequate opvang in een land van terugkeer aanwezig is, mits hij gedurende de minderjarigheid van de vreemdeling voortvarend aan dat onderzoek heeft gewerkt. Het ligt op de weg van de minister om dat in het concrete geval aannemelijk te maken. De minister moet in zijn besluit inzichtelijk maken welke stappen hij in die periode heeft ondernomen en wat de redenen voor de vertraging van het onderzoek naar adequate opvang waren. Daarbij kan hij betekenis toekennen aan de leeftijd van de vreemdeling ten tijde van de asielaanvraag, de beslistermijn op de asielaanvraag en de duur van het onderzoek. Afhankelijk van het antwoord op de vraag of het onderzoek naar adequate opvang tijdig had kunnen worden afgerond, zal de minister moeten duiden of en zo ja, op welke wijze aan de vreemdeling een verblijfsrecht volgens het amv-buitenschuldbeleid zou zijn toegekomen en wat de gevolgen daarvan zouden zijn op de datum van de meerderjarigheid. Dit kan vervolgens door de vreemdeling ter toetsing aan de rechter worden voorgelegd. 20.1. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend onderzoek heeft gedaan naar adequate opvang voor eiser in Afghanistan. Daardoor heeft de minister onvoldoende kenbaar rekening gehouden met het belang van eiser toen hij minderjarig was om niet onnodig lang in onzekerheid te verkeren over zijn verblijfsstatus. Tussen de asielaanvraag van eiser en het moment dat hij meerderjarig werd, zaten meer dan dertien maanden. Niet gebleken is dat de minister in die periode onderzoekshandelingen heeft verricht. De minister heeft eiser pas voor het eerst gehoord toen hij al meer dan vijf maanden meerderjarig was. De minister heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom hij eiser niet eerder had kunnen horen. 20.2. De stelling van de minister dat eiser binnen de (verlengde) beslistermijn van de asielaanvraag plus de maximale termijn van het onderzoek van de DTenV van één jaar meerderjarig is geworden, volgt de rechtbank niet. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 14 mei 2024 op het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen geoordeeld dat de beslistermijn in het geval van eiser niet rechtsgeldig met negen maanden is verlengd. De rechtbank gaat bij haar oordeel dus uit van een beslistermijn van zes maanden, die is verstreken ruim voordat eiser meerderjarig werd. Bovendien blijkt uit de stelling niet waarom de minister niet eerder kon beginnen aan het onderzoek naar adequate opvang. 20.3. De stelling van de minister dat onderzoek door de DTenV naar de verblijfplaats van de familie van eiser pas mogelijk was na het besluit op de asielaanvraag, omdat voor die tijd geen contact kon worden opgenomen met partijen voor wie eiser vreest, volgt de rechtbank ook niet. Niet is gebleken dat de DTenV contact zou moeten opnemen met partijen voor wie eiser vreest, om de verblijfplaats van zijn familie te onderzoeken. Eiser heeft op de zitting verklaard dat hij zelf via het Rode Kruis contact met zijn familie heeft gezocht, maar zonder resultaat. 20.4. De rechtbank concludeert dat de minister onvoldoende voortvarend onderzoek heeft gedaan naar adequate opvang voor eiser in Afghanistan. Dit betekent dat het standpunt van de minister dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van het amv-buitenschuldbeleid, onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd. 20.5. De beroepsgrond slaagt. Conclusie en gevolgen 21. De rechtbank oordeelt dat de minister het bestreden besluit op onvoldoende zorgvuldige wijze heeft voorbereid en ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Dit is in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De overige beroepsgronden behoeven gelet hierop geen bespreking meer. 21.1. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over eisers asielaanvraag te nemen, omdat het in de eerste plaats aan de minister is om dit te doen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaken af te doen. De rechtbank bepaalt daarom met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken. 21.2. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- bij een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - draagt de minister op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak; - veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van mr. C.S. Carella, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen 1 week na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Verdrag betreffende de status van vluchtelingen. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het recht van de Europese Unie. ECLI:NL:RBDHA:2025:139. ECLI:NL:RBDHA:2025:27281, overweging 7.1. Zoals neergelegd in artikel 31, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Richtlijn 2011/95/EU. ECLI:NL:RVS:2025:1195. ECLI:NL:RVS:2025:1195, overweging 1. Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen van 10 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:12305. Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 juli 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:7666. Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Den Bosch van 10 juli 2023, NL23.12407 (niet gepubliceerd). Uitspraak van 20 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2459. Uitspraak van 17 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2452. Richtlijn 2013/32/EU. Uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1012, overweging 2.1. Uitspraak van de Afdeling van 26 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1622, overweging 3.1 en 3.2. Centraal Orgaan opvang asielzoekers. Dit volgt uit artikel 3.6a, eerste lid, onder a, van het Vb 2000. Paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Dit volgt uit Werkinstructie 2020/16, pagina 8 en de inmiddels geldende Werkinstructie 2026/3, pagina 8. Paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Paragraaf B8/6 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Arrest van 14 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:9. Hof van Justitie van de Europese Unie. ECLI:NL:RVS:2022:1530. NL23.32008.
Volledig
van het Hof van Justitie en de Afdelingsuitspraak waarnaar eiser verwijst, volgt dat de minister verplicht is om voorafgaand aan het terugsturen van een minderjarige vreemdeling zich ervan te overtuigen dat die minderjarige vreemdeling wordt teruggestuurd naar een familielid, een aangewezen voogd of adequate opvangfaciliteiten in het land van terugkeer. De minister moet daarbij voortvarend handelen, omdat de minderjarige, gelet op het belang van het kind, niet onnodig lang in onzekerheid mag verkeren over zijn verblijfsstatus. Op het moment dat een niet-begeleide minderjarige vreemdeling meerderjarig is geworden, is de minister niet langer gehouden te onderzoeken of adequate opvang in een land van terugkeer aanwezig is, mits hij gedurende de minderjarigheid van de vreemdeling voortvarend aan dat onderzoek heeft gewerkt. Het ligt op de weg van de minister om dat in het concrete geval aannemelijk te maken. De minister moet in zijn besluit inzichtelijk maken welke stappen hij in die periode heeft ondernomen en wat de redenen voor de vertraging van het onderzoek naar adequate opvang waren. Daarbij kan hij betekenis toekennen aan de leeftijd van de vreemdeling ten tijde van de asielaanvraag, de beslistermijn op de asielaanvraag en de duur van het onderzoek. Afhankelijk van het antwoord op de vraag of het onderzoek naar adequate opvang tijdig had kunnen worden afgerond, zal de minister moeten duiden of en zo ja, op welke wijze aan de vreemdeling een verblijfsrecht volgens het amv-buitenschuldbeleid zou zijn toegekomen en wat de gevolgen daarvan zouden zijn op de datum van de meerderjarigheid. Dit kan vervolgens door de vreemdeling ter toetsing aan de rechter worden voorgelegd. 20.1. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend onderzoek heeft gedaan naar adequate opvang voor eiser in Afghanistan. Daardoor heeft de minister onvoldoende kenbaar rekening gehouden met het belang van eiser toen hij minderjarig was om niet onnodig lang in onzekerheid te verkeren over zijn verblijfsstatus. Tussen de asielaanvraag van eiser en het moment dat hij meerderjarig werd, zaten meer dan dertien maanden. Niet gebleken is dat de minister in die periode onderzoekshandelingen heeft verricht. De minister heeft eiser pas voor het eerst gehoord toen hij al meer dan vijf maanden meerderjarig was. De minister heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom hij eiser niet eerder had kunnen horen. 20.2. De stelling van de minister dat eiser binnen de (verlengde) beslistermijn van de asielaanvraag plus de maximale termijn van het onderzoek van de DTenV van één jaar meerderjarig is geworden, volgt de rechtbank niet. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 14 mei 2024 op het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen geoordeeld dat de beslistermijn in het geval van eiser niet rechtsgeldig met negen maanden is verlengd. De rechtbank gaat bij haar oordeel dus uit van een beslistermijn van zes maanden, die is verstreken ruim voordat eiser meerderjarig werd. Bovendien blijkt uit de stelling niet waarom de minister niet eerder kon beginnen aan het onderzoek naar adequate opvang. 20.3. De stelling van de minister dat onderzoek door de DTenV naar de verblijfplaats van de familie van eiser pas mogelijk was na het besluit op de asielaanvraag, omdat voor die tijd geen contact kon worden opgenomen met partijen voor wie eiser vreest, volgt de rechtbank ook niet. Niet is gebleken dat de DTenV contact zou moeten opnemen met partijen voor wie eiser vreest, om de verblijfplaats van zijn familie te onderzoeken. Eiser heeft op de zitting verklaard dat hij zelf via het Rode Kruis contact met zijn familie heeft gezocht, maar zonder resultaat. 20.4. De rechtbank concludeert dat de minister onvoldoende voortvarend onderzoek heeft gedaan naar adequate opvang voor eiser in Afghanistan. Dit betekent dat het standpunt van de minister dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van het amv-buitenschuldbeleid, onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd. 20.5. De beroepsgrond slaagt. Conclusie en gevolgen 21. De rechtbank oordeelt dat de minister het bestreden besluit op onvoldoende zorgvuldige wijze heeft voorbereid en ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Dit is in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De overige beroepsgronden behoeven gelet hierop geen bespreking meer. 21.1. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over eisers asielaanvraag te nemen, omdat het in de eerste plaats aan de minister is om dit te doen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaken af te doen. De rechtbank bepaalt daarom met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken. 21.2. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- bij een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - draagt de minister op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak; - veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van mr. C.S. Carella, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen 1 week na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Verdrag betreffende de status van vluchtelingen. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het recht van de Europese Unie. ECLI:NL:RBDHA:2025:139. ECLI:NL:RBDHA:2025:27281, overweging 7.1. Zoals neergelegd in artikel 31, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Richtlijn 2011/95/EU. ECLI:NL:RVS:2025:1195. ECLI:NL:RVS:2025:1195, overweging 1. Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen van 10 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:12305. Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 juli 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:7666. Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Den Bosch van 10 juli 2023, NL23.12407 (niet gepubliceerd). Uitspraak van 20 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2459. Uitspraak van 17 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2452. Richtlijn 2013/32/EU. Uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1012, overweging 2.1. Uitspraak van de Afdeling van 26 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1622, overweging 3.1 en 3.2. Centraal Orgaan opvang asielzoekers. Dit volgt uit artikel 3.6a, eerste lid, onder a, van het Vb 2000. Paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Dit volgt uit Werkinstructie 2020/16, pagina 8 en de inmiddels geldende Werkinstructie 2026/3, pagina 8. Paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Paragraaf B8/6 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Arrest van 14 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:9. Hof van Justitie van de Europese Unie. ECLI:NL:RVS:2022:1530. NL23.32008.