Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-15
ECLI:NL:RBDHA:2026:10272
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,459 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10272 text/xml public 2026-05-04T08:47:44 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-15 NL25.21260 en AWB 24/10497 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Mondelinge uitspraak Voorlopige voorziening NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10272 text/html public 2026-05-04T08:47:20 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10272 Rechtbank Den Haag , 15-04-2026 / NL25.21260 en AWB 24/10497 Aanvraag verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel 'verblijf als familie- of gezinslid bij referent'. Geen procesbelang meer door het overlijden van referent. Beroep niet-ontvankelijk. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: NL25.21260, NL25.21262 en AWB 24/10497 V-nummer: [V-nummer] proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , geboren op [geboortedag] 1991, van Venezolaanse nationaliteit, eiser/verzoeker, hierna: eiser (gemachtigde: mr. E. Tahitu), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. J.G.R. Becker). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. 1.1. Eiser heeft op 1 maart 2024 een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] (hierna: referent)’ ingediend op grond van artikel 8 van het EVRM. 1.2. Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 31 mei 2024 afgewezen. Eiser heeft bezwaar ingesteld tegen dit besluit en heeft tegelijkertijd de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt zijn uitzetting te verbieden totdat op het bezwaar is beslist. 1.3. Met het bestreden besluit van 11 april 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard. Volgens verweerder heeft eiser namelijk geen procesbelang meer omdat referent op 14 maart 2025 is overleden. 1.4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eiser heeft tegelijkertijd de rechtbank nogmaals verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt zijn uitzetting te verbieden totdat op het bezwaar is beslist. 1.5. De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep op 15 april 2026 samen met de verzoeken om een voorlopige voorziening op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, E. Kosanovic als tolk in de Engelse taal en de gemachtigde van verweerder. 1.6. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beoordeling door de rechtbank Vrijstelling van het griffierecht 2. Eiser heeft het verzoek gedaan om van de betaling van griffierecht te worden vrijgesteld. De rechtbank heeft dit verzoek voorlopig toegewezen. Eiser heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt daarom definitief toegewezen. Voorlopige voorziening met zaaknummer NL25.21262 3. Op de zitting heeft eiser het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer NL25.21262 ingetrokken. Beoordeling van de zaken NL25.21260 en AWB 24/10497 4. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 5. Het beroep is niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 6. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder lang heeft gedaan over de besluitvorming en pas na het overlijden van referent op het bezwaar van eiser heeft beslist. Verweerder had na het beroep niet tijdig beslissen vanaf 6 januari 2025 twee weken de tijd om een beslissing te nemen. Op dat moment was er nog geen sprake van een gewijzigde situatie (het overlijden van referent). Verweerder had een beslissing moeten nemen op basis van de gegevens en informatie die ten tijde van het indienen van het bezwaar bekend waren. 7. De rechtbank ziet in dat het plotselinge overlijden van de partner van eiser heel verdrietig is en veel impact op hem heeft gehad en nog steeds heeft. Dit maakt echter niet dat verweerder het bezwaar had moeten afdoen alsof referent nog leefde. Ook in beroep beoordeelt de rechtbank of er procesbelang is. Een eisende partij heeft procesbelang bij een beroepsprocedure, wanneer een belang wordt nagestreefd dat daadwerkelijk is te verwezenlijken. Eiser beoogt verblijf bij referent. Nu referent is overleden, is er daarmee geen grondslag meer voor de aanvraag van eiser. Het belang dat eiser met de onderhavige procedure nastreeft is immers het verblijf als familie- of gezinslid bij referent. Nu referent is overleden, kan dit belang met de onderhavige procedure niet meer worden verwezenlijkt. 8. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat eiser geen actueel en reëel procesbelang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep is niet-ontvankelijk omdat eiser geen procesbelang meer heeft. 10. Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiser, is er voor het treffen van de voorlopige voorziening geen aanleiding meer. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen. 11. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. 12. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze. Beslissing De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.21260 - verklaart het beroep niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 24/10497 - wijst het verzoek af. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026 door mr. N. Boonstra, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.H. Gonera, griffier. Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Geregistreerd onder zaaknummer AWB 24/10497. Geregistreerd onder zaaknummer NL25.21262.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10272 text/xml public 2026-05-04T08:47:44 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-15 NL25.21260 en AWB 24/10497 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Mondelinge uitspraak Voorlopige voorziening NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10272 text/html public 2026-05-04T08:47:20 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10272 Rechtbank Den Haag , 15-04-2026 / NL25.21260 en AWB 24/10497 Aanvraag verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel 'verblijf als familie- of gezinslid bij referent'. Geen procesbelang meer door het overlijden van referent. Beroep niet-ontvankelijk. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: NL25.21260, NL25.21262 en AWB 24/10497 V-nummer: [V-nummer] proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , geboren op [geboortedag] 1991, van Venezolaanse nationaliteit, eiser/verzoeker, hierna: eiser (gemachtigde: mr. E. Tahitu), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. J.G.R. Becker). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. 1.1. Eiser heeft op 1 maart 2024 een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] (hierna: referent)’ ingediend op grond van artikel 8 van het EVRM. 1.2. Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 31 mei 2024 afgewezen. Eiser heeft bezwaar ingesteld tegen dit besluit en heeft tegelijkertijd de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt zijn uitzetting te verbieden totdat op het bezwaar is beslist. 1.3. Met het bestreden besluit van 11 april 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard. Volgens verweerder heeft eiser namelijk geen procesbelang meer omdat referent op 14 maart 2025 is overleden. 1.4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eiser heeft tegelijkertijd de rechtbank nogmaals verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt zijn uitzetting te verbieden totdat op het bezwaar is beslist. 1.5. De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep op 15 april 2026 samen met de verzoeken om een voorlopige voorziening op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, E. Kosanovic als tolk in de Engelse taal en de gemachtigde van verweerder. 1.6. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beoordeling door de rechtbank Vrijstelling van het griffierecht 2. Eiser heeft het verzoek gedaan om van de betaling van griffierecht te worden vrijgesteld. De rechtbank heeft dit verzoek voorlopig toegewezen. Eiser heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt daarom definitief toegewezen. Voorlopige voorziening met zaaknummer NL25.21262 3. Op de zitting heeft eiser het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer NL25.21262 ingetrokken. Beoordeling van de zaken NL25.21260 en AWB 24/10497 4. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 5. Het beroep is niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 6. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder lang heeft gedaan over de besluitvorming en pas na het overlijden van referent op het bezwaar van eiser heeft beslist. Verweerder had na het beroep niet tijdig beslissen vanaf 6 januari 2025 twee weken de tijd om een beslissing te nemen. Op dat moment was er nog geen sprake van een gewijzigde situatie (het overlijden van referent). Verweerder had een beslissing moeten nemen op basis van de gegevens en informatie die ten tijde van het indienen van het bezwaar bekend waren. 7. De rechtbank ziet in dat het plotselinge overlijden van de partner van eiser heel verdrietig is en veel impact op hem heeft gehad en nog steeds heeft. Dit maakt echter niet dat verweerder het bezwaar had moeten afdoen alsof referent nog leefde. Ook in beroep beoordeelt de rechtbank of er procesbelang is. Een eisende partij heeft procesbelang bij een beroepsprocedure, wanneer een belang wordt nagestreefd dat daadwerkelijk is te verwezenlijken. Eiser beoogt verblijf bij referent. Nu referent is overleden, is er daarmee geen grondslag meer voor de aanvraag van eiser. Het belang dat eiser met de onderhavige procedure nastreeft is immers het verblijf als familie- of gezinslid bij referent. Nu referent is overleden, kan dit belang met de onderhavige procedure niet meer worden verwezenlijkt. 8. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat eiser geen actueel en reëel procesbelang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep is niet-ontvankelijk omdat eiser geen procesbelang meer heeft. 10. Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiser, is er voor het treffen van de voorlopige voorziening geen aanleiding meer. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen. 11. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. 12. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze. Beslissing De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.21260 - verklaart het beroep niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 24/10497 - wijst het verzoek af. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026 door mr. N. Boonstra, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.H. Gonera, griffier. Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Geregistreerd onder zaaknummer AWB 24/10497. Geregistreerd onder zaaknummer NL25.21262.