Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-28
ECLI:NL:RBDHA:2026:10268
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,681 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10268 text/xml public 2026-05-12T09:30:12 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-28 NL26.9688 en NL25.22695 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10268 text/html public 2026-05-11T08:35:43 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10268 Rechtbank Den Haag , 28-04-2026 / NL26.9688 en NL25.22695 Asielaanvraag; Turkije; Beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit, gegrond; Beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk; Het risicoprofiel voor (toegedichte) Gülen-aanhangers is op eiser van toepassing; Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom eiser niet heeft voldaan aan het individualiseringsvereiste. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL26.9688 (beroep) en NL25.22695 (beroep niet tijdig beslissen) uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiser], [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. S.N. Ali), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. W.A. Kleingeld). Inleiding 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers aanvraag voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. 1.1. Eiser heeft op 25 november 2023 zijn asielaanvraag ingediend. 1.2. Op 19 mei 2025 heeft eiser een beroep ingediend tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder (bekend onder nummer NL25.22695). Verweerder heeft met het bestreden besluit van 13 februari 2026 de aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Op 20 februari 2026 heeft eiser apart beroep ingesteld tegen het bestreden besluit (bekend onder nummer NL26.9688). 1.3. De rechtbank heeft de beroepen op 14 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, Z. Coşkun als tolk en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? Asielrelaas 2. Eiser heeft de Turkse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1983. Eiser heeft verklaard dat hij op 20 februari 2017 uit zijn ambt is gezet. Op 7 november 2017 is hij veroordeeld als vermeend Gülenist, en op 16 februari 2021 heeft de Hoge Raad deze veroordeling verworpen. Op 17 maart 2022 is eiser vrijgesproken. Zijn verzoek om in zijn ambt terug te keren is definitief afgewezen. Nadat de oom van eisers echtgenote in verzekering is gesteld in het kader van heroriëntering, is eiser legaal vanuit Turkije naar Nederland gereisd om asiel aan te vragen. Bij terugkeer naar Turkije vreest eiser dat er opnieuw een zaak tegen hem geopend zal worden in het kader van heroriëntering. Het bestreden besluit 3. Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Ook gelooft verweerder dat eiser is vervolgd en uiteindelijk vrijgesproken. Verweerder vindt dat eiser bij terugkeer naar Turkije geen gegronde vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat er opnieuw een zaak tegen hem zal worden geopend in het kader van heroriëntering. Ook kan eiser weliswaar niet meer werken in zijn oude functie, maar hij heeft wel werk kunnen doen in de private sector. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiser stelt zich allereerst op het standpunt dat verweerder ten onrechte zijn ondervonden problemen in Turkije niet als asielmotief heeft aangemerkt en op geloofwaardigheid heeft getoetst. Verwezen wordt in dit kader naar een uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 17 augustus 2022. Zijn verklaringen dienen als geloofwaardig te worden aangemerkt, omdat eiser conform gezaghebbende bronnen heeft verklaard. Ook voert eiser aan dat hij, ondanks het feit dat hij eerder is vrijgesproken, opnieuw kan worden vervolgd door de Turkse autoriteiten. Eiser wijst er in dit kader op dat een voormalig collega van hem wederom wordt vervolgd voor betrokkenheid bij de Gülenbeweging en dat zijn naam voorkomt in het dossier. Bovendien kan niet worden uitgesloten dat er al een strafrechtelijk onderzoek loopt. Eiser is van mening dat hij middels aangeleverde bewijsstukken voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij nog steeds in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten. Wat is het oordeel van de rechtbank? Beroep niet-tijdig beslissen 5. Voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep wordt het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat daarom beroep bij de rechtbank open. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is. 5.1. Nadat eiser verweerder in gebreke heeft gesteld zijn meer dan twee weken verstreken voordat hij op 19 mei 2025 beroep heeft ingesteld. Op 13 februari 2026 heeft verweerder alsnog op de aanvraag van eiser beslist. Nu verweerder op de aanvraag van eiser heeft beslist, is het belang van eiser bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag komen te vervallen. Het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen, is daarom niet-ontvankelijk. 5.2. Nu tussen partijen niet in geschil is dat de beslistermijn door verweerder is overschreden en pas na deze overschrijding een besluit op de aanvraag van eiser is genomen, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser voor het beroep niet tijdig beslissen. 6. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit heeft ook betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij het besluit geheel aan het beroep tegemoet komt. Eiser kan zich niet verenigen met het genomen besluit. Verweerder is dan ook niet volledig aan het beroep van eiser tegemoet gekomen. Het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit is daarom van rechtswege ook gericht tegen het bestreden besluit. Eiser heeft tegen dit besluit vervolgens ook afzonderlijk beroep ingesteld (zaak met nummer NL26.9688). Dit laatste beroep zal de rechtbank wegens een gebrek aan belang niet-ontvankelijk verklaren. Het bestreden besluit 7. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag kon afwijzen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen. De asielmotieven 8. De rechtbank volgt eiser in zijn stelling dat de problemen die hij in het verleden in Turkije heeft ondervonden in het voornemen als asielmotief hadden moeten worden aangemerkt. Verweerder heeft dit in het bestreden besluit ook erkend. De rechtbank stelt vast dat verweerder deze problemen vervolgens heeft betrokken bij de beoordeling van de gestelde vrees voor vervolging op grond van het Vluchtelingenverdrag . Hieruit blijkt dat verweerder de eerdere veroordeling en vrijspraak vanwege vermeende betrokkenheid bij de Gülenbeweging geloofwaardig vindt. Dit heeft verweerder op zitting ook nog eens bevestigd. Eisers betoog dat verweerder eisers verklaringen geloofwaardig moet vinden omdat ze passen in het beeld dat uit gezaghebbende bronnen naar voren komt, hoeft daarom niet te worden beoordeeld en eiser is door deze gang van zaken niet in zijn belangen geschaad. Vrees bij terugkeer 9. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser in het verleden is veroordeeld voor vermeende betrokkenheid bij de Gülenbeweging en dat het voor Turkije geldende risicoprofiel voor (toegedichte) Gülen-aanhangers op hem van toepassing is. Voor de vreemdeling die behoort tot een groep waarvoor in algemene zin een risicoprofiel is aangewezen, blijft het individualiseringsvereiste gelden, als bedoeld in paragraaf C2/2.4 van de Vc.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10268 text/xml public 2026-05-12T09:30:12 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-28 NL26.9688 en NL25.22695 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10268 text/html public 2026-05-11T08:35:43 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10268 Rechtbank Den Haag , 28-04-2026 / NL26.9688 en NL25.22695 Asielaanvraag; Turkije; Beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit, gegrond; Beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk; Het risicoprofiel voor (toegedichte) Gülen-aanhangers is op eiser van toepassing; Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom eiser niet heeft voldaan aan het individualiseringsvereiste. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL26.9688 (beroep) en NL25.22695 (beroep niet tijdig beslissen) uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiser], [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. S.N. Ali), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. W.A. Kleingeld). Inleiding 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers aanvraag voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. 1.1. Eiser heeft op 25 november 2023 zijn asielaanvraag ingediend. 1.2. Op 19 mei 2025 heeft eiser een beroep ingediend tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder (bekend onder nummer NL25.22695). Verweerder heeft met het bestreden besluit van 13 februari 2026 de aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Op 20 februari 2026 heeft eiser apart beroep ingesteld tegen het bestreden besluit (bekend onder nummer NL26.9688). 1.3. De rechtbank heeft de beroepen op 14 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, Z. Coşkun als tolk en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? Asielrelaas 2. Eiser heeft de Turkse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1983. Eiser heeft verklaard dat hij op 20 februari 2017 uit zijn ambt is gezet. Op 7 november 2017 is hij veroordeeld als vermeend Gülenist, en op 16 februari 2021 heeft de Hoge Raad deze veroordeling verworpen. Op 17 maart 2022 is eiser vrijgesproken. Zijn verzoek om in zijn ambt terug te keren is definitief afgewezen. Nadat de oom van eisers echtgenote in verzekering is gesteld in het kader van heroriëntering, is eiser legaal vanuit Turkije naar Nederland gereisd om asiel aan te vragen. Bij terugkeer naar Turkije vreest eiser dat er opnieuw een zaak tegen hem geopend zal worden in het kader van heroriëntering. Het bestreden besluit 3. Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Ook gelooft verweerder dat eiser is vervolgd en uiteindelijk vrijgesproken. Verweerder vindt dat eiser bij terugkeer naar Turkije geen gegronde vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat er opnieuw een zaak tegen hem zal worden geopend in het kader van heroriëntering. Ook kan eiser weliswaar niet meer werken in zijn oude functie, maar hij heeft wel werk kunnen doen in de private sector. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiser stelt zich allereerst op het standpunt dat verweerder ten onrechte zijn ondervonden problemen in Turkije niet als asielmotief heeft aangemerkt en op geloofwaardigheid heeft getoetst. Verwezen wordt in dit kader naar een uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 17 augustus 2022. Zijn verklaringen dienen als geloofwaardig te worden aangemerkt, omdat eiser conform gezaghebbende bronnen heeft verklaard. Ook voert eiser aan dat hij, ondanks het feit dat hij eerder is vrijgesproken, opnieuw kan worden vervolgd door de Turkse autoriteiten. Eiser wijst er in dit kader op dat een voormalig collega van hem wederom wordt vervolgd voor betrokkenheid bij de Gülenbeweging en dat zijn naam voorkomt in het dossier. Bovendien kan niet worden uitgesloten dat er al een strafrechtelijk onderzoek loopt. Eiser is van mening dat hij middels aangeleverde bewijsstukken voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij nog steeds in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten. Wat is het oordeel van de rechtbank? Beroep niet-tijdig beslissen 5. Voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep wordt het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat daarom beroep bij de rechtbank open. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is. 5.1. Nadat eiser verweerder in gebreke heeft gesteld zijn meer dan twee weken verstreken voordat hij op 19 mei 2025 beroep heeft ingesteld. Op 13 februari 2026 heeft verweerder alsnog op de aanvraag van eiser beslist. Nu verweerder op de aanvraag van eiser heeft beslist, is het belang van eiser bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag komen te vervallen. Het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen, is daarom niet-ontvankelijk. 5.2. Nu tussen partijen niet in geschil is dat de beslistermijn door verweerder is overschreden en pas na deze overschrijding een besluit op de aanvraag van eiser is genomen, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser voor het beroep niet tijdig beslissen. 6. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit heeft ook betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij het besluit geheel aan het beroep tegemoet komt. Eiser kan zich niet verenigen met het genomen besluit. Verweerder is dan ook niet volledig aan het beroep van eiser tegemoet gekomen. Het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit is daarom van rechtswege ook gericht tegen het bestreden besluit. Eiser heeft tegen dit besluit vervolgens ook afzonderlijk beroep ingesteld (zaak met nummer NL26.9688). Dit laatste beroep zal de rechtbank wegens een gebrek aan belang niet-ontvankelijk verklaren. Het bestreden besluit 7. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag kon afwijzen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen. De asielmotieven 8. De rechtbank volgt eiser in zijn stelling dat de problemen die hij in het verleden in Turkije heeft ondervonden in het voornemen als asielmotief hadden moeten worden aangemerkt. Verweerder heeft dit in het bestreden besluit ook erkend. De rechtbank stelt vast dat verweerder deze problemen vervolgens heeft betrokken bij de beoordeling van de gestelde vrees voor vervolging op grond van het Vluchtelingenverdrag . Hieruit blijkt dat verweerder de eerdere veroordeling en vrijspraak vanwege vermeende betrokkenheid bij de Gülenbeweging geloofwaardig vindt. Dit heeft verweerder op zitting ook nog eens bevestigd. Eisers betoog dat verweerder eisers verklaringen geloofwaardig moet vinden omdat ze passen in het beeld dat uit gezaghebbende bronnen naar voren komt, hoeft daarom niet te worden beoordeeld en eiser is door deze gang van zaken niet in zijn belangen geschaad. Vrees bij terugkeer 9. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser in het verleden is veroordeeld voor vermeende betrokkenheid bij de Gülenbeweging en dat het voor Turkije geldende risicoprofiel voor (toegedichte) Gülen-aanhangers op hem van toepassing is. Voor de vreemdeling die behoort tot een groep waarvoor in algemene zin een risicoprofiel is aangewezen, blijft het individualiseringsvereiste gelden, als bedoeld in paragraaf C2/2.4 van de Vc.
Volledig
De vreemdeling moet met individuele omstandigheden zoals zijn persoonlijke omstandigheden, verrichte activiteiten en eventuele eerdere gebeurtenissen aannemelijk maken dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt. 9.1. Eiser heeft in de aanvullende gronden van 13 april 2026 aangevoerd dat er in de [provincie] een opsporingsonderzoek is gestart naar een voormalig collega van de [schoolnaam] en dat zijn naam voorkomt in het dossier. Eiser heeft ter onderbouwing hiervan de volgende stukken uit het dossier van zijn voormalig collega overgelegd: - een sepotbesluit uit 2018, - een proces-verbaal van de Hoofdofficier van Justitie van [provincie] van 2 maart 2026 en - een brief van het provinciaal hoofdbureau van de politie aan het rectoraat van de [schoolnaam] van 5 maart 2026. 9.2. In het proces-verbaal van de Hoofdofficier van Justitie van [provincie] is een tabel opgenomen, waarin staat dat de verdachte tussen 17 maart 2012 en 3 november 2015 contact heeft gehad met eiser. Uit de laatste drie kolommen van de tabel kan volgens eiser bovendien worden afgeleid dat op de telefoon van eiser de [applicatie] is aangetroffen en dat de autoriteiten, waaronder de inlichtingendiensten, aannemen dat hij nog steeds gebruik maakt van deze applicatie. 9.3. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser weliswaar wordt genoemd in de door hem overgelegde stukken, maar dat hieruit niet kan worden afgeleid dat hij wederom in de negatieve belangstelling staat of komt te staan van de Turkse autoriteiten. Verweerder acht daarbij van belang dat de zaak niet ziet op eiser, dat het contact tussen hem en zijn voormalig collega lang geleden heeft plaatsgevonden en hij nadien op 17 maart 2022 is vrijgesproken van vermeende banden met de Gülenbeweging. 9.4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser niet heeft voldaan aan het individualiseringsvereiste. Eiser heeft er allereerst terecht op gewezen dat het contact tussen hem en zijn voormalig collega weliswaar lang geleden heeft plaatsgevonden en dat hij daarna is vrijgesproken van vermeend Gülenisme, maar dat dit contact ook een rol speelt in een actueel proces tegen zijn voormalig collega tegen wie de Turkse autoriteiten ook eerder een Gülen-zaak zijn gestart, die later is geseponeerd. Bovendien wijst eiser erop dat uit het proces-verbaal van de Hoofdofficier van Justitie van [provincie] volgt dat de Turkse autoriteiten aannemen dat hij nog altijd gebruik maakt van de [applicatie]. Mocht verweerder eiser in deze lezing volgen, dan is van belang dat in verschillende door eiser ingeroepen bronnen staat dat het gebruik van ByLock een rol kan spelen bij problemen met de autoriteiten. Zo staat in het Algemeen Ambtsbericht voor Turkije van februari 2025 dat het gebruik van deze applicatie een rol kan spelen bij de vervolging. In het rapport van Johan Vande Lanotte van 21 januari 2025 staat dat het gebruik van deze applicatie nog steeds wordt gezien als een bewijs van lidmaatschap van een terroristische organisatie. In de door eiser overgelegde brief van Vluchtelingenwerk van 12 maart 2026 staat verder dat veel bronnen inschatten dat het feit dat een individu de [applicatie] heeft gedownload nog steeds als enige basis kan dienen voor onderzoeken en vervolgingen. Onder deze omstandigheden kon verweerder in zijn motivering niet volstaan met de tegenwerping dat de contacten lang geleden waren, dat eiser is vrijgesproken en dat de ingebrachte documenten op iemand anders zien. 9.5. Alleen daarom al is het beroep gegrond en komt het bestreden besluit in aanmerking voor vernietiging, zonder dat de overige gronden van beroep nog bespreking behoeven. Conclusie en gevolgen 10. Het beroep in de zaak met nummer NL25.22695, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen, is niet-ontvankelijk. Eiser krijgt hiervoor wel een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 467,-. 11. Het beroep in de zaak met nummer NL25.22695, voor zover gericht tegen het alsnog genomen besluit van 13 februari 2026, is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, omdat sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Verweerder zal een nieuw besluit op eisers aanvraag moeten nemen en daarbij rekening moeten houden met de overwegingen in deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken. 11. Omdat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,-. Samen met de in rechtsoverweging 10 toegekende proceskostenvergoeding in het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag komt het totale door verweerder te betalen bedrag aan proceskosten neer op € 2.335,-. 13. Het beroep in de zaak met nummer NL26.9688 is niet-ontvankelijk. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep met zaaknummer NL25.22695, voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk; verklaart het beroep met zaaknummer NL25.22695, voor zover het is gericht tegen het bestreden besluit, gegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak; verklaart het beroep in de zaak NL26.9688 niet-ontvankelijk; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.335,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M.H. van der Velden, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2333. Artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 6:12, eerste lid, van de Awb. Artikel 6:20, derde lid, van de Awb. Verdrag betreffende de status van vluchtelingen. Paragraaf C7/34.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). P. 50. 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5. 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.
Volledig
De vreemdeling moet met individuele omstandigheden zoals zijn persoonlijke omstandigheden, verrichte activiteiten en eventuele eerdere gebeurtenissen aannemelijk maken dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt. 9.1. Eiser heeft in de aanvullende gronden van 13 april 2026 aangevoerd dat er in de [provincie] een opsporingsonderzoek is gestart naar een voormalig collega van de [schoolnaam] en dat zijn naam voorkomt in het dossier. Eiser heeft ter onderbouwing hiervan de volgende stukken uit het dossier van zijn voormalig collega overgelegd: - een sepotbesluit uit 2018, - een proces-verbaal van de Hoofdofficier van Justitie van [provincie] van 2 maart 2026 en - een brief van het provinciaal hoofdbureau van de politie aan het rectoraat van de [schoolnaam] van 5 maart 2026. 9.2. In het proces-verbaal van de Hoofdofficier van Justitie van [provincie] is een tabel opgenomen, waarin staat dat de verdachte tussen 17 maart 2012 en 3 november 2015 contact heeft gehad met eiser. Uit de laatste drie kolommen van de tabel kan volgens eiser bovendien worden afgeleid dat op de telefoon van eiser de [applicatie] is aangetroffen en dat de autoriteiten, waaronder de inlichtingendiensten, aannemen dat hij nog steeds gebruik maakt van deze applicatie. 9.3. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser weliswaar wordt genoemd in de door hem overgelegde stukken, maar dat hieruit niet kan worden afgeleid dat hij wederom in de negatieve belangstelling staat of komt te staan van de Turkse autoriteiten. Verweerder acht daarbij van belang dat de zaak niet ziet op eiser, dat het contact tussen hem en zijn voormalig collega lang geleden heeft plaatsgevonden en hij nadien op 17 maart 2022 is vrijgesproken van vermeende banden met de Gülenbeweging. 9.4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser niet heeft voldaan aan het individualiseringsvereiste. Eiser heeft er allereerst terecht op gewezen dat het contact tussen hem en zijn voormalig collega weliswaar lang geleden heeft plaatsgevonden en dat hij daarna is vrijgesproken van vermeend Gülenisme, maar dat dit contact ook een rol speelt in een actueel proces tegen zijn voormalig collega tegen wie de Turkse autoriteiten ook eerder een Gülen-zaak zijn gestart, die later is geseponeerd. Bovendien wijst eiser erop dat uit het proces-verbaal van de Hoofdofficier van Justitie van [provincie] volgt dat de Turkse autoriteiten aannemen dat hij nog altijd gebruik maakt van de [applicatie]. Mocht verweerder eiser in deze lezing volgen, dan is van belang dat in verschillende door eiser ingeroepen bronnen staat dat het gebruik van ByLock een rol kan spelen bij problemen met de autoriteiten. Zo staat in het Algemeen Ambtsbericht voor Turkije van februari 2025 dat het gebruik van deze applicatie een rol kan spelen bij de vervolging. In het rapport van Johan Vande Lanotte van 21 januari 2025 staat dat het gebruik van deze applicatie nog steeds wordt gezien als een bewijs van lidmaatschap van een terroristische organisatie. In de door eiser overgelegde brief van Vluchtelingenwerk van 12 maart 2026 staat verder dat veel bronnen inschatten dat het feit dat een individu de [applicatie] heeft gedownload nog steeds als enige basis kan dienen voor onderzoeken en vervolgingen. Onder deze omstandigheden kon verweerder in zijn motivering niet volstaan met de tegenwerping dat de contacten lang geleden waren, dat eiser is vrijgesproken en dat de ingebrachte documenten op iemand anders zien. 9.5. Alleen daarom al is het beroep gegrond en komt het bestreden besluit in aanmerking voor vernietiging, zonder dat de overige gronden van beroep nog bespreking behoeven. Conclusie en gevolgen 10. Het beroep in de zaak met nummer NL25.22695, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen, is niet-ontvankelijk. Eiser krijgt hiervoor wel een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 467,-. 11. Het beroep in de zaak met nummer NL25.22695, voor zover gericht tegen het alsnog genomen besluit van 13 februari 2026, is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, omdat sprake is van een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Verweerder zal een nieuw besluit op eisers aanvraag moeten nemen en daarbij rekening moeten houden met de overwegingen in deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken. 11. Omdat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,-. Samen met de in rechtsoverweging 10 toegekende proceskostenvergoeding in het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag komt het totale door verweerder te betalen bedrag aan proceskosten neer op € 2.335,-. 13. Het beroep in de zaak met nummer NL26.9688 is niet-ontvankelijk. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep met zaaknummer NL25.22695, voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk; verklaart het beroep met zaaknummer NL25.22695, voor zover het is gericht tegen het bestreden besluit, gegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak; verklaart het beroep in de zaak NL26.9688 niet-ontvankelijk; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.335,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M.H. van der Velden, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2333. Artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 6:12, eerste lid, van de Awb. Artikel 6:20, derde lid, van de Awb. Verdrag betreffende de status van vluchtelingen. Paragraaf C7/34.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). P. 50. 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5. 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.