Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-29
ECLI:NL:RBDHA:2026:10236
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,091 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10236 text/xml public 2026-05-01T09:00:22 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-29 NL24.8376 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Middelburg Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10236 text/html public 2026-04-30T12:39:09 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10236 Rechtbank Den Haag , 29-04-2026 / NL24.8376 Derdelanders Oekraïne – beroep ongegrond - proceskostenveroordeling RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL24.8376 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer] , (gemachtigde: mr. A.A. Hardoar), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder, (gemachtigde: mr. R.E. Thijssen). Procesverloop In het besluit van 7 februari 2024 heeft verweerder bepaald dat eiser na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming zoals bedoeld in de Richtlijn Tijdelijke Bescherming , en dat hij binnen vier weken na die datum moet terugkeren naar zijn/haar land van herkomst. Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. De rechtbank heeft het beroep aangehouden in afwachting van de beantwoording van de aan het Hof gestelde prejudiciële vragen in de verwijzingsuitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 29 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4394, en van de Afdeling van 25 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1742. Het Hof heeft deze vragen beantwoord in het arrest van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038, in de zaak [naam 1] en [naam 2] . Vervolgens zijn op 23 april 2025 de einduitspraken van de Afdeling verschenen (ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836) en is op 10 juli 2025 de einduitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, verschenen (ECLI:NL:RBAMS:2025:4843). Naar aanleiding van deze uitspraken heeft verweerder op 6 september 2025 een vervangend terugkeerbesluit genomen. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op dit besluit. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om schriftelijk op dit besluit en de hiervoor genoemde jurisprudentie te reageren. Eiser heeft aanvullende beroepsgronden ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Overwegingen 1. Eiser is geboren op [geboortedag] 2001 en heeft de Algerijnse nationaliteit. 2. Ten tijde van de inval in Oekraïne door Rusland op 24 februari 2022 verbleef eiser rechtmatig in Oekraïne op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Na zijn vlucht naar Nederland vanwege deze inval heeft hij tijdelijke bescherming gekregen op grond van de facultatieve bepaling van de RTB als een zogenoemde ‘derdelander Oekraïne’. 3. In het besluit van 7 februari 2024 heeft verweerder bepaald dat eiser na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming en Nederland binnen vier weken na die datum moet verlaten. Vervolgens is er onduidelijkheid ontstaan over de vraag of de tijdelijke bescherming van de ‘derdelanders Oekraïne’ eerder beëindigd mag worden dan die van ontheemden met de Oekraïense nationaliteit. Daarom heeft verweerder de gevolgen van dit besluit bevroren. Deze bevriezingsmaatregel is per 4 september 2025 gestopt, maar blijft gelden voor personen zoals eiser die nog een lopende procedure hebben. In het aanvullende besluit van 6 september 2025 heeft verweerder bepaald dat het eerdere besluit te vroeg is genomen en dat eiser binnen vier weken na deze uitspraak Nederland moet verlaten. 4. Eiser is het niet eens met de besluiten van 7 februari 2024 en 6 september 2025. Hij voert, kort weergegeven, aan dat verweerder zijn tijdelijke bescherming niet mag beëindigen. Uit het arrest [naam 1] en [naam 2] volgt dat het eerder beëindigen van facultatieve tijdelijke bescherming alleen is toegestaan indien er door de lidstaat geen toezegging is gedaan dat de facultatieve bescherming niet eerder zal worden beëindigd dan de verplichte tijdelijke bescherming. De Afdeling heeft deze toets in haar drie uitspraken van 23 april 2025 weggelaten. Zo lang niet is onderzocht of Nederland de bewuste toezegging heeft gedaan, is het terugkeerbesluit prematuur. Verder heeft verweerder ten onrechte niet getoetst aan artikel 3 van het EVRM en heeft verweerder in strijd met het evenredigheids-, rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel geen individuele belangenafweging gedaan. Tot slot had verweerder eiser moeten horen alvorens het terugkeerbesluit op te leggen. De rechtbank oordeelt als volgt. 5. In het arrest [naam 1] en [naam 2] en de daarop gevolgde einduitspraken is geoordeeld dat de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders Oekraïne’ eerder dan die van Oekraïners mag worden beëindigd, zij het niet vóór 4 maart 2024. Met het vervangende besluit is de tijdelijke bescherming van eiser na die datum beëindigd. Niet gebleken is dat eiser op dat moment of sindsdien in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning, dan wel dat hij een aanvraag daartoe heeft lopen. Het vervangende besluit vermeldt dat hij binnen vier weken moet terugkeren naar Algerije. Daarmee voldoet het vervangende besluit aan de vereisten van de Terugkeerrichtlijn. 6. Omdat de bevriezingsmaatregel niet anders kan worden gekwalificeerd dan als een feitelijke opschorting, en daarmee dus niet als rechtmatig verblijf, is ook geen sprake van strijd met het vertrouwensbeginsel. Daarbij komt dat verweerder geen toezeggingen heeft gedaan waaruit de ‘derdelanders Oekraïne’ mochten afleiden dat zij altijd hetzelfde zouden worden behandeld als Oekraïners of dat hun tijdelijke bescherming pas zou eindigen als de maximale duur daarvan is bereikt. Dit volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025 zoals hiervoor aangehaald, en van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32. Dergelijke toezeggingen zijn evenmin uit het dossier van eiser op te maken. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen. 7. Verder heeft de Afdeling in haar uitspraken geconcludeerd dat schending van het Unierechtelijke rechtszekerheids- of het vertrouwensbeginsel niet aan de orde is. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen. Daarnaast is de rechtbank, evenals de Afdeling van oordeel dat aan het evenredigheidsbeginsel niet wordt toegekomen omdat de tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 van rechtswege afloopt. Daarom is voor een toetsing aan het evenredigheidsbeginsel in een individueel geval geen plaats. Eisers betoog dat er in strijd met het evenredigheidsbeginsel geen individuele belangenafweging heeft plaatsgevonden, slaagt daarom eveneens niet. 8. Ten aanzien van eisers betoog dat verweerder bij het opleggen van het terugkeerbesluit had moeten toetsen of eiser bij terugkeer naar Algerije te vrezen heeft voor een behandeling in strijd met het verbod op refoulement, overweegt de rechtbank als volgt. Uit het [arrest] volgt dat verweerder verplicht is om het beginsel van non-refoulement in alle fasen van de terugkeerprocedure te eerbiedigen. De terugkeerprocedure is echter niet de plaats om een diepgaand onderzoek uit te voeren. De asielprocedure van eiser is buiten behandeling gesteld. Eiser heeft geen rechtsmiddel ingesteld tegen die beschikking. Eiser heeft ook niet in een zienswijze aangevoerd dat hij vreest voor een reëel risico van schending van artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar Algerije. In beroep heeft eiser ook geen dergelijke stelling ingenomen. De rechtbank oordeelt dat uit het door eiser aangevoerde niet aanstonds en zonder diepgaand onderzoek onmiskenbaar blijkt dat sprake is van een risico op refoulement bij terugkeer naar Algerije. Zoals verweerder terecht heeft aangegeven, staat het eiser vrij om een asielaanvraag in te dienen, waarbij er onderzoek kan worden verricht naar eisers asielmotieven. 9. Eisers beroepsgrond dat hij niet is gehoord voordat een terugkeerbesluit is genomen slaagt ook niet. De rechtbank stelt vast dat verweerder op 4 juni 2025 een voornemen tot het nemen van een terugkeerbesluit heeft uitgebracht.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10236 text/xml public 2026-05-01T09:00:22 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-29 NL24.8376 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Middelburg Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10236 text/html public 2026-04-30T12:39:09 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10236 Rechtbank Den Haag , 29-04-2026 / NL24.8376 Derdelanders Oekraïne – beroep ongegrond - proceskostenveroordeling RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL24.8376 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer] , (gemachtigde: mr. A.A. Hardoar), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder, (gemachtigde: mr. R.E. Thijssen). Procesverloop In het besluit van 7 februari 2024 heeft verweerder bepaald dat eiser na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming zoals bedoeld in de Richtlijn Tijdelijke Bescherming , en dat hij binnen vier weken na die datum moet terugkeren naar zijn/haar land van herkomst. Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. De rechtbank heeft het beroep aangehouden in afwachting van de beantwoording van de aan het Hof gestelde prejudiciële vragen in de verwijzingsuitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 29 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4394, en van de Afdeling van 25 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1742. Het Hof heeft deze vragen beantwoord in het arrest van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038, in de zaak [naam 1] en [naam 2] . Vervolgens zijn op 23 april 2025 de einduitspraken van de Afdeling verschenen (ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836) en is op 10 juli 2025 de einduitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, verschenen (ECLI:NL:RBAMS:2025:4843). Naar aanleiding van deze uitspraken heeft verweerder op 6 september 2025 een vervangend terugkeerbesluit genomen. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op dit besluit. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om schriftelijk op dit besluit en de hiervoor genoemde jurisprudentie te reageren. Eiser heeft aanvullende beroepsgronden ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Overwegingen 1. Eiser is geboren op [geboortedag] 2001 en heeft de Algerijnse nationaliteit. 2. Ten tijde van de inval in Oekraïne door Rusland op 24 februari 2022 verbleef eiser rechtmatig in Oekraïne op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Na zijn vlucht naar Nederland vanwege deze inval heeft hij tijdelijke bescherming gekregen op grond van de facultatieve bepaling van de RTB als een zogenoemde ‘derdelander Oekraïne’. 3. In het besluit van 7 februari 2024 heeft verweerder bepaald dat eiser na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming en Nederland binnen vier weken na die datum moet verlaten. Vervolgens is er onduidelijkheid ontstaan over de vraag of de tijdelijke bescherming van de ‘derdelanders Oekraïne’ eerder beëindigd mag worden dan die van ontheemden met de Oekraïense nationaliteit. Daarom heeft verweerder de gevolgen van dit besluit bevroren. Deze bevriezingsmaatregel is per 4 september 2025 gestopt, maar blijft gelden voor personen zoals eiser die nog een lopende procedure hebben. In het aanvullende besluit van 6 september 2025 heeft verweerder bepaald dat het eerdere besluit te vroeg is genomen en dat eiser binnen vier weken na deze uitspraak Nederland moet verlaten. 4. Eiser is het niet eens met de besluiten van 7 februari 2024 en 6 september 2025. Hij voert, kort weergegeven, aan dat verweerder zijn tijdelijke bescherming niet mag beëindigen. Uit het arrest [naam 1] en [naam 2] volgt dat het eerder beëindigen van facultatieve tijdelijke bescherming alleen is toegestaan indien er door de lidstaat geen toezegging is gedaan dat de facultatieve bescherming niet eerder zal worden beëindigd dan de verplichte tijdelijke bescherming. De Afdeling heeft deze toets in haar drie uitspraken van 23 april 2025 weggelaten. Zo lang niet is onderzocht of Nederland de bewuste toezegging heeft gedaan, is het terugkeerbesluit prematuur. Verder heeft verweerder ten onrechte niet getoetst aan artikel 3 van het EVRM en heeft verweerder in strijd met het evenredigheids-, rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel geen individuele belangenafweging gedaan. Tot slot had verweerder eiser moeten horen alvorens het terugkeerbesluit op te leggen. De rechtbank oordeelt als volgt. 5. In het arrest [naam 1] en [naam 2] en de daarop gevolgde einduitspraken is geoordeeld dat de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders Oekraïne’ eerder dan die van Oekraïners mag worden beëindigd, zij het niet vóór 4 maart 2024. Met het vervangende besluit is de tijdelijke bescherming van eiser na die datum beëindigd. Niet gebleken is dat eiser op dat moment of sindsdien in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning, dan wel dat hij een aanvraag daartoe heeft lopen. Het vervangende besluit vermeldt dat hij binnen vier weken moet terugkeren naar Algerije. Daarmee voldoet het vervangende besluit aan de vereisten van de Terugkeerrichtlijn. 6. Omdat de bevriezingsmaatregel niet anders kan worden gekwalificeerd dan als een feitelijke opschorting, en daarmee dus niet als rechtmatig verblijf, is ook geen sprake van strijd met het vertrouwensbeginsel. Daarbij komt dat verweerder geen toezeggingen heeft gedaan waaruit de ‘derdelanders Oekraïne’ mochten afleiden dat zij altijd hetzelfde zouden worden behandeld als Oekraïners of dat hun tijdelijke bescherming pas zou eindigen als de maximale duur daarvan is bereikt. Dit volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025 zoals hiervoor aangehaald, en van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32. Dergelijke toezeggingen zijn evenmin uit het dossier van eiser op te maken. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen. 7. Verder heeft de Afdeling in haar uitspraken geconcludeerd dat schending van het Unierechtelijke rechtszekerheids- of het vertrouwensbeginsel niet aan de orde is. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen. Daarnaast is de rechtbank, evenals de Afdeling van oordeel dat aan het evenredigheidsbeginsel niet wordt toegekomen omdat de tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 van rechtswege afloopt. Daarom is voor een toetsing aan het evenredigheidsbeginsel in een individueel geval geen plaats. Eisers betoog dat er in strijd met het evenredigheidsbeginsel geen individuele belangenafweging heeft plaatsgevonden, slaagt daarom eveneens niet. 8. Ten aanzien van eisers betoog dat verweerder bij het opleggen van het terugkeerbesluit had moeten toetsen of eiser bij terugkeer naar Algerije te vrezen heeft voor een behandeling in strijd met het verbod op refoulement, overweegt de rechtbank als volgt. Uit het [arrest] volgt dat verweerder verplicht is om het beginsel van non-refoulement in alle fasen van de terugkeerprocedure te eerbiedigen. De terugkeerprocedure is echter niet de plaats om een diepgaand onderzoek uit te voeren. De asielprocedure van eiser is buiten behandeling gesteld. Eiser heeft geen rechtsmiddel ingesteld tegen die beschikking. Eiser heeft ook niet in een zienswijze aangevoerd dat hij vreest voor een reëel risico van schending van artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar Algerije. In beroep heeft eiser ook geen dergelijke stelling ingenomen. De rechtbank oordeelt dat uit het door eiser aangevoerde niet aanstonds en zonder diepgaand onderzoek onmiskenbaar blijkt dat sprake is van een risico op refoulement bij terugkeer naar Algerije. Zoals verweerder terecht heeft aangegeven, staat het eiser vrij om een asielaanvraag in te dienen, waarbij er onderzoek kan worden verricht naar eisers asielmotieven. 9. Eisers beroepsgrond dat hij niet is gehoord voordat een terugkeerbesluit is genomen slaagt ook niet. De rechtbank stelt vast dat verweerder op 4 juni 2025 een voornemen tot het nemen van een terugkeerbesluit heeft uitgebracht.