Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-29
ECLI:NL:RBDHA:2026:10214
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,234 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10214 text/xml public 2026-05-01T09:00:20 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-29 NL26.8000 en NL26.8005 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Middelburg Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10214 text/html public 2026-04-30T11:14:37 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10214 Rechtbank Den Haag , 29-04-2026 / NL26.8000 en NL26.8005 Dublin Bulgarije. Turkse asielzoekers. Niet aannemelijk gemaakt dat zij een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummers: NL26.8000 en NL26.8005 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiser 1] , V-nummer: [V-nummer 1] , eiser [eiseres] , V-nummer: [V-nummer 2] , eiseres Mede namens hun minderjarige kind [eiser 2] , V-nummer: [V-nummer 3] Tezamen: eisers (gemachtigde: mr. M.S. Yap), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. J.O. Isibor). Procesverloop Met twee besluiten van 11 februari 2026 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de asielaanvragen van eisers niet in behandeling genomen, omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft de beroepen op 8 april 2026 in Breda op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen [persoon] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser is geboren op [geboortedag 1] 1999. Eiseres is geboren op [geboortedag 2] 2002. Hun zoon is geboren op [geboortedag 3] . Zij hebben alle drie de Turkse nationaliteit. Op 22 november 2025 hebben eisers asielaanvragen ingediend in Nederland. 2. Uit EU-VIS is gebleken dat eiseres en de zoon van eisers door Bulgarije in het bezit zijn gesteld van een visum dat geldig was van 11 juni 2025 tot 11 september 2025. Zij zijn daarmee op 16 juni 2025 van Turkije naar Nederland gereisd. Het visum van eiseres en de zoon van eisers was minder dan zes maanden verlopen ten tijde van de asielaanvraag in Nederland. Daarom heeft verweerder op 14 januari 2026 de Bulgaarse autoriteiten verzocht om eiseres en de zoon van eisers over te nemen op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening. Op 19 januari 2026 zijn de Bulgaarse autoriteiten hiermee akkoord gegaan. 3. Uit EU-VIS is ook gebleken dat eiser door Bulgarije in het bezit is gesteld van een visum dat geldig was van 4 december 2024 tot 4 maart 2025. Hij is daarmee op 6 december 2024 naar Bulgarije gereisd en is twee dagen later naar Nederland gevlogen. Verweerder heeft de Bulgaarse autoriteiten op 14 januari 2026 verzocht om eiser over te nemen op grond van artikel 11 van de Dublinverordening, omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de asielaanvragen van eiseres en de zoon van eisers. Op 19 januari 2026 zijn de Bulgaarse autoriteiten ook hiermee akkoord gegaan. 4. Met de bestreden besluiten heeft verweerder de asielaanvragen van eisers niet in behandeling genomen, omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Volgens verweerder hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat er ten aanzien van Bulgarije niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daarnaast ziet verweerder geen aanleiding om de asielaanvraag van eisers onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. 5. Eisers hebben tegen de bestreden besluiten aangevoerd dat er aanwijzingen zijn voor systeemfouten in de asielprocedure in Bulgarije voor Turkse asielzoekers. Zij wijzen daarbij op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 25 augustus 2025 en een uitspraak van zittingsplaats Den Haag van 16 december 2025 waarin is geoordeeld dat verweerder zonder nader onderzoek en nadere motivering voor Turkse onderdanen niet uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Bulgarije. Verweerder heeft dit onvoldoende weerlegd. Daarnaast stellen eisers dat overdracht aan Bulgarije getuigt van onevenredige hardheid. Zij hebben in Nederland een sociaal netwerk en wensen in Nederland de asielprocedure te doorlopen. De rechtbank oordeelt als volgt. 6. Niet in geschil is dat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvragen van eisers. Verweerder mag in zijn algemeenheid ten aanzien van Bulgarije uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is daarom aan eisers om aannemelijk te maken dat zij bij overdracht aan Bulgarije, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Bulgaarse autoriteiten, een reëel risico lopen op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Daarvan is sprake als aannemelijk wordt gemaakt dat er structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem zijn, die een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken, zoals neergelegd in het [arrest] . 7. Ter onderbouwing van hun stelling dat sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure in Bulgarije voor Turkse asielzoekers hebben eisers gewezen op uitspraken van zittingsplaatsen Rotterdam en Den Haag. In die uitspraken wordt allereerst verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 12 november 2024. Daarin is onder meer overwogen dat de informatie over de inwilliging van aanvragen en de behandeling van Turkse asielzoekers uit het AIDA-rapport over 2023 een serieuze aanwijzing vormt dat er sprake is van een verschil in beschermingsbeleid en van een systeemfout in de Bulgaarse asielprocedure ten aanzien van Turkse asielzoekers. Zittingsplaatsen Den Haag en Rotterdam overwegen dat het AIDA-rapport over 2024 twee wijzigingen bevat ten aanzien van het AIDA-rapport over 2023, namelijk dat in 2024 het inwilligingspercentage 14% was en er in Bulgarije een officiële lijst van veilige landen van herkomst wordt gehanteerd. Omdat nog altijd sprake is van een wisselend beeld van de afdoening van asielverzoeken van Turkse asielzoekers, zou het verhoogde inwilligingspercentage slechts een tijdelijke en geen structurele verbetering kunnen betekenen. Ook is van belang geacht dat volgens het AIDA-rapport over 2024 sprake is van detentie van Turkse asielzoekers en slechte toegang tot de rechtsbijstand in Bulgarije. Zittingsplaats Den Haag overweegt verder dat uit dit rapport volgt dat de immigratiepolitie er alles aan doet om Turkse gedetineerden weg te houden van advocaten en juridisch advies. Dit zou een resultaat lijken te zijn van een informele politieke overeenkomst tussen de Bulgaarse en Turkse overheden en verondersteld wordt dat soortgelijke overeenkomsten halverwege 2023 opnieuw zijn bereikt. 8. Verweerder is tegen deze uitspraken in hoger beroep gegaan. Verder benadrukt verweerder in het verweerschrift allereerst terecht dat uit het arrest van het HvJEU van 30 november 2023 en de daarop gebaseerde uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024 volgt dat binnen de Dublinprocedure geen ruimte bestaat voor een inhoudelijke toets van een mogelijk verschil in beschermingsbeleid tussen lidstaten. Beoordeeld moet worden of sprake is van systeemfouten in de zin van het [arrest] dan wel van een individueel reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM of artikel 4 van het Handvest. Verweerder heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de informatie uit de AIDA-rapporten over 2023 en 2024 de conclusie dat sprake zou zijn van systeemfouten in de asielprocedure in Bulgarije voor Turkse asielzoekers niet kunnen dragen. In zijn algemeenheid heeft de Afdeling in een uitspraak van 27 juni 2024 geoordeeld dat uit de AIDA-rapporten over 2022 en 2023 niet blijkt dat verweerder niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan gaan. Uit de uitspraken van de Afdeling van 26 mei 2025, 6 oktober 2025 en 17 november 2025 blijkt dat daarbij het AIDA-rapport over 2024 is betrokken.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10214 text/xml public 2026-05-01T09:00:20 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-29 NL26.8000 en NL26.8005 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Middelburg Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10214 text/html public 2026-04-30T11:14:37 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10214 Rechtbank Den Haag , 29-04-2026 / NL26.8000 en NL26.8005 Dublin Bulgarije. Turkse asielzoekers. Niet aannemelijk gemaakt dat zij een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummers: NL26.8000 en NL26.8005 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiser 1] , V-nummer: [V-nummer 1] , eiser [eiseres] , V-nummer: [V-nummer 2] , eiseres Mede namens hun minderjarige kind [eiser 2] , V-nummer: [V-nummer 3] Tezamen: eisers (gemachtigde: mr. M.S. Yap), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. J.O. Isibor). Procesverloop Met twee besluiten van 11 februari 2026 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de asielaanvragen van eisers niet in behandeling genomen, omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft de beroepen op 8 april 2026 in Breda op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen [persoon] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser is geboren op [geboortedag 1] 1999. Eiseres is geboren op [geboortedag 2] 2002. Hun zoon is geboren op [geboortedag 3] . Zij hebben alle drie de Turkse nationaliteit. Op 22 november 2025 hebben eisers asielaanvragen ingediend in Nederland. 2. Uit EU-VIS is gebleken dat eiseres en de zoon van eisers door Bulgarije in het bezit zijn gesteld van een visum dat geldig was van 11 juni 2025 tot 11 september 2025. Zij zijn daarmee op 16 juni 2025 van Turkije naar Nederland gereisd. Het visum van eiseres en de zoon van eisers was minder dan zes maanden verlopen ten tijde van de asielaanvraag in Nederland. Daarom heeft verweerder op 14 januari 2026 de Bulgaarse autoriteiten verzocht om eiseres en de zoon van eisers over te nemen op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening. Op 19 januari 2026 zijn de Bulgaarse autoriteiten hiermee akkoord gegaan. 3. Uit EU-VIS is ook gebleken dat eiser door Bulgarije in het bezit is gesteld van een visum dat geldig was van 4 december 2024 tot 4 maart 2025. Hij is daarmee op 6 december 2024 naar Bulgarije gereisd en is twee dagen later naar Nederland gevlogen. Verweerder heeft de Bulgaarse autoriteiten op 14 januari 2026 verzocht om eiser over te nemen op grond van artikel 11 van de Dublinverordening, omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de asielaanvragen van eiseres en de zoon van eisers. Op 19 januari 2026 zijn de Bulgaarse autoriteiten ook hiermee akkoord gegaan. 4. Met de bestreden besluiten heeft verweerder de asielaanvragen van eisers niet in behandeling genomen, omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Volgens verweerder hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat er ten aanzien van Bulgarije niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daarnaast ziet verweerder geen aanleiding om de asielaanvraag van eisers onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. 5. Eisers hebben tegen de bestreden besluiten aangevoerd dat er aanwijzingen zijn voor systeemfouten in de asielprocedure in Bulgarije voor Turkse asielzoekers. Zij wijzen daarbij op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 25 augustus 2025 en een uitspraak van zittingsplaats Den Haag van 16 december 2025 waarin is geoordeeld dat verweerder zonder nader onderzoek en nadere motivering voor Turkse onderdanen niet uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Bulgarije. Verweerder heeft dit onvoldoende weerlegd. Daarnaast stellen eisers dat overdracht aan Bulgarije getuigt van onevenredige hardheid. Zij hebben in Nederland een sociaal netwerk en wensen in Nederland de asielprocedure te doorlopen. De rechtbank oordeelt als volgt. 6. Niet in geschil is dat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvragen van eisers. Verweerder mag in zijn algemeenheid ten aanzien van Bulgarije uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is daarom aan eisers om aannemelijk te maken dat zij bij overdracht aan Bulgarije, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Bulgaarse autoriteiten, een reëel risico lopen op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Daarvan is sprake als aannemelijk wordt gemaakt dat er structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem zijn, die een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken, zoals neergelegd in het [arrest] . 7. Ter onderbouwing van hun stelling dat sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure in Bulgarije voor Turkse asielzoekers hebben eisers gewezen op uitspraken van zittingsplaatsen Rotterdam en Den Haag. In die uitspraken wordt allereerst verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 12 november 2024. Daarin is onder meer overwogen dat de informatie over de inwilliging van aanvragen en de behandeling van Turkse asielzoekers uit het AIDA-rapport over 2023 een serieuze aanwijzing vormt dat er sprake is van een verschil in beschermingsbeleid en van een systeemfout in de Bulgaarse asielprocedure ten aanzien van Turkse asielzoekers. Zittingsplaatsen Den Haag en Rotterdam overwegen dat het AIDA-rapport over 2024 twee wijzigingen bevat ten aanzien van het AIDA-rapport over 2023, namelijk dat in 2024 het inwilligingspercentage 14% was en er in Bulgarije een officiële lijst van veilige landen van herkomst wordt gehanteerd. Omdat nog altijd sprake is van een wisselend beeld van de afdoening van asielverzoeken van Turkse asielzoekers, zou het verhoogde inwilligingspercentage slechts een tijdelijke en geen structurele verbetering kunnen betekenen. Ook is van belang geacht dat volgens het AIDA-rapport over 2024 sprake is van detentie van Turkse asielzoekers en slechte toegang tot de rechtsbijstand in Bulgarije. Zittingsplaats Den Haag overweegt verder dat uit dit rapport volgt dat de immigratiepolitie er alles aan doet om Turkse gedetineerden weg te houden van advocaten en juridisch advies. Dit zou een resultaat lijken te zijn van een informele politieke overeenkomst tussen de Bulgaarse en Turkse overheden en verondersteld wordt dat soortgelijke overeenkomsten halverwege 2023 opnieuw zijn bereikt. 8. Verweerder is tegen deze uitspraken in hoger beroep gegaan. Verder benadrukt verweerder in het verweerschrift allereerst terecht dat uit het arrest van het HvJEU van 30 november 2023 en de daarop gebaseerde uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024 volgt dat binnen de Dublinprocedure geen ruimte bestaat voor een inhoudelijke toets van een mogelijk verschil in beschermingsbeleid tussen lidstaten. Beoordeeld moet worden of sprake is van systeemfouten in de zin van het [arrest] dan wel van een individueel reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM of artikel 4 van het Handvest. Verweerder heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de informatie uit de AIDA-rapporten over 2023 en 2024 de conclusie dat sprake zou zijn van systeemfouten in de asielprocedure in Bulgarije voor Turkse asielzoekers niet kunnen dragen. In zijn algemeenheid heeft de Afdeling in een uitspraak van 27 juni 2024 geoordeeld dat uit de AIDA-rapporten over 2022 en 2023 niet blijkt dat verweerder niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan gaan. Uit de uitspraken van de Afdeling van 26 mei 2025, 6 oktober 2025 en 17 november 2025 blijkt dat daarbij het AIDA-rapport over 2024 is betrokken.
Volledig
Geoordeeld is dat het rapport geen wezenlijk ander beeld schetst voor wat betreft de situatie van Dublinclaimanten dan uit de eerdere AIDA-rapporten naar voren kwam. Daarnaast stelt verweerder terecht dat een laag inwilligingspercentage van asielaanvragen op zichzelf niets zegt over de wijze waarop de aanvragen worden behandeld en beoordeeld. De suggestie in de AIDA-rapporten dat sprake zou zijn van een informele overeenkomst tussen Turkije en Bulgarije is bovendien niet gebaseerd op actuele en verifieerbare informatie. Dit laat zich evenmin rijmen met het feit dat het inwilligingspercentage in 2024 gestegen is. 9. Van belang is verder dat Bulgarije de overnameverzoeken heeft geaccepteerd en verweerder als gevolg hiervan ervan uit mag gaan dat eisers in Bulgarije in de gelegenheid worden gesteld om asielaanvragen in te dienen en dat deze in behandeling worden genomen overeenkomstig de internationale verplichtingen en relevante Europese richtlijnen. Zelfs wanneer aangenomen zou moeten worden dat de wijze waarop de Bulgaarse autoriteiten asielaanvragen van Turkse onderdanen behandelt en beoordeelt structurele gebreken vertoont dan wel er sprake zou zijn van detentie en slechte toegang tot rechtsbijstand, dan heeft te gelden dat hier in Bulgarije effectief rechtsmiddelen tegen kunnen worden aangewend. Dit is bevestigd in eerdergenoemde Afdelingsuitspraak van 27 juni 2024. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat er geen adequate rechtsgang beschikbaar is voor Turkse asielzoekers die in het kader van de Dublinverordening aan Bulgarije worden overgedragen en/of dat zij niet kunnen klagen bij de geëigende (hogere) instanties in Bulgarije. 10. Voor zover eiser heeft gesproken over zijn persoonlijke ervaringen in Bulgarije, merkt de rechtbank op dat het HvJEU in een arrest van 29 februari 2024 heeft benadrukt dat de beoordeling of sprake is van systeemfouten die de bijzonder hoge drempel bereiken van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest, afhangt van de situatie waarin de betrokkene zich bij of na de overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat zou bevinden. Hoewel de gestelde wijze waarop eiser is behandeld de eerste keer dat hij in Bulgarije aankwam te betreuren is, staat vast dat hij niet eerder als Dublinclaimant in Bulgarije is geweest en dus niet uit eigen ervaring kan verklaren over de behandeling van Dublinclaimanten. Verweerder heeft terecht het standpunt ingenomen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer als Dublinclaimant in Bulgarije een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. 11. Tot slot heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvragen van eisers onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Er is geen sprake van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht aan Bulgarije onevenredig hard is. Het enkele feit dat eisers in Nederland familie hebben wonen is daartoe onvoldoende, nu niet gebleken is van enige afhankelijkheid ten opzichte van deze familieleden. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Deze uitspraak is gedaan op 29 april 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verordening (EU) nr. 604/2013. ECLI:NL:RBDHA:2025:15890. ECLI:NL:RBDHA:2025:26073. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Hof van Justitie van de Europese Unie, 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218. ECLI:NL:RBDHA:2024:1988. Hof van Justitie van de Europese Unie. ECLI:EU:C:2023:934. ECLI:NL:RVS:2024:2359 ECLI:NL:RVS:2024:2647. ECLI:NL:RVS:2025:2387, ECLI:NL:RVS:2025:4765 en ECLI:NL:RVS:2025:5536. ECLI:EU:C:2024:195.
Volledig
Geoordeeld is dat het rapport geen wezenlijk ander beeld schetst voor wat betreft de situatie van Dublinclaimanten dan uit de eerdere AIDA-rapporten naar voren kwam. Daarnaast stelt verweerder terecht dat een laag inwilligingspercentage van asielaanvragen op zichzelf niets zegt over de wijze waarop de aanvragen worden behandeld en beoordeeld. De suggestie in de AIDA-rapporten dat sprake zou zijn van een informele overeenkomst tussen Turkije en Bulgarije is bovendien niet gebaseerd op actuele en verifieerbare informatie. Dit laat zich evenmin rijmen met het feit dat het inwilligingspercentage in 2024 gestegen is. 9. Van belang is verder dat Bulgarije de overnameverzoeken heeft geaccepteerd en verweerder als gevolg hiervan ervan uit mag gaan dat eisers in Bulgarije in de gelegenheid worden gesteld om asielaanvragen in te dienen en dat deze in behandeling worden genomen overeenkomstig de internationale verplichtingen en relevante Europese richtlijnen. Zelfs wanneer aangenomen zou moeten worden dat de wijze waarop de Bulgaarse autoriteiten asielaanvragen van Turkse onderdanen behandelt en beoordeelt structurele gebreken vertoont dan wel er sprake zou zijn van detentie en slechte toegang tot rechtsbijstand, dan heeft te gelden dat hier in Bulgarije effectief rechtsmiddelen tegen kunnen worden aangewend. Dit is bevestigd in eerdergenoemde Afdelingsuitspraak van 27 juni 2024. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat er geen adequate rechtsgang beschikbaar is voor Turkse asielzoekers die in het kader van de Dublinverordening aan Bulgarije worden overgedragen en/of dat zij niet kunnen klagen bij de geëigende (hogere) instanties in Bulgarije. 10. Voor zover eiser heeft gesproken over zijn persoonlijke ervaringen in Bulgarije, merkt de rechtbank op dat het HvJEU in een arrest van 29 februari 2024 heeft benadrukt dat de beoordeling of sprake is van systeemfouten die de bijzonder hoge drempel bereiken van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest, afhangt van de situatie waarin de betrokkene zich bij of na de overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat zou bevinden. Hoewel de gestelde wijze waarop eiser is behandeld de eerste keer dat hij in Bulgarije aankwam te betreuren is, staat vast dat hij niet eerder als Dublinclaimant in Bulgarije is geweest en dus niet uit eigen ervaring kan verklaren over de behandeling van Dublinclaimanten. Verweerder heeft terecht het standpunt ingenomen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer als Dublinclaimant in Bulgarije een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. 11. Tot slot heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvragen van eisers onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Er is geen sprake van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht aan Bulgarije onevenredig hard is. Het enkele feit dat eisers in Nederland familie hebben wonen is daartoe onvoldoende, nu niet gebleken is van enige afhankelijkheid ten opzichte van deze familieleden. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Deze uitspraak is gedaan op 29 april 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verordening (EU) nr. 604/2013. ECLI:NL:RBDHA:2025:15890. ECLI:NL:RBDHA:2025:26073. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Hof van Justitie van de Europese Unie, 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218. ECLI:NL:RBDHA:2024:1988. Hof van Justitie van de Europese Unie. ECLI:EU:C:2023:934. ECLI:NL:RVS:2024:2359 ECLI:NL:RVS:2024:2647. ECLI:NL:RVS:2025:2387, ECLI:NL:RVS:2025:4765 en ECLI:NL:RVS:2025:5536. ECLI:EU:C:2024:195.