Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-29
ECLI:NL:RBDHA:2026:10207
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,009 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10207 text/xml public 2026-05-01T09:00:18 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-29 NL25.40197 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Middelburg Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10207 text/html public 2026-04-30T10:37:40 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10207 Rechtbank Den Haag , 29-04-2026 / NL25.40197 Asiel, Iran, intrekking besluit i.v.m. besluit- en vertrekmoratorium, beroep omgeklapt naar BNT, buiten zitting artikel 8:57, beroep niet tijdig beslissen gegrond RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummers: NL25.40197 en NL25.40199 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eisers] , V-nummers: [V-nummer 1] en [V-nummer 2] , eisers (gemachtigde: mr. B.W.M. Toemen), en de minister van Asiel en Migratie , voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: [gemachtigde] ). Procesverloop Met twee afzonderlijke besluiten van 19 augustus 2025 heeft verweerder de opvolgende asielaanvragen van eisers afgewezen als kennelijk ongegrond. Eisers hebben tegen die besluiten beroep ingesteld. Verweerder heeft de bestreden besluiten op 15 april 2026 ingetrokken. Daarbij heeft verweerder vermeld dat hij opnieuw op de aanvragen zal beslissen. Eisers hebben de rechtbank vervolgens verzocht om het beroep tegen het bestreden besluiten om te klappen naar een beroep tegen het niet-tijdig beslissen op hun asielaanvragen en om verweerder op te dragen om binnen twee weken een nieuw besluit op hun asielaanvragen te nemen. Verweerder heeft daarop op 21 april 2026 gereageerd. Nadat de zaak op een zitting is gepland, hebben partijen de rechtbank laten weten dat zij een zitting niet nodig vinden. De rechtbank doet daarom buiten zitting uitspraak. Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk. Overwegingen 1. De rechtbank stelt vast dat verweerder de bestreden besluiten heeft ingetrokken. Verweerder heeft toegelicht dat de reden hiervoor gelegen is in het thans geldende besluit- en vertrekmoratorium voor Iran. In zijn brief van 21 april 2026 heeft verweerder het standpunt ingenomen dat de beroepen tegen het niet-tijdig beslissen gegrond zijn, aanzien de wettelijke beslistermijn is verstreken. Verweerder heeft de rechtbank verzocht om hem een nadere beslistermijn van acht weken op te leggen. De rechtbank oordeelt als volgt. 2. De beroepen voor zover gericht tegen de bestreden besluiten van 19 augustus 2025 dienen niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat die besluiten zijn ingetrokken en eisers daardoor geen procesbelang meer hebben bij de beoordeling daarvan. 3. Het intrekken van de bestreden besluiten heeft tot gevolg dat de verweerder opnieuw op de aanvragen moet beslissen. De termijn waarbinnen verweerder uiterlijk op de aanvraag moest beslissen is verlopen. Daarbij geldt dat in een situatie waarin verweerder hangende het beroep het besluit intrekt als gevolg waarvan de situatie ontstaat dat niet tijdig is beslist, niet van eisers kan worden verwacht dat zij verweerder eerst in gebreke stellen voordat zij beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit instellen. De beroepen tegen het niet tijdig beslissen op de aanvragen zijn daarom ontvankelijk en gegrond. 4. Eisers hebben hun asielaanvragen op 27 maart 2023 ingediend. De uiterste termijn van 21 maanden zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn is verstreken. De rechtbank ziet daarom aanleiding om verweerder op te dragen zo snel mogelijk op de asielaanvraag te beslissen, maar uiterlijk binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak. 5. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom moet betalen voor elke dag waarmee de onder 4 genoemde termijn wordt overschreden. De rechtbank stelt de hoogte van de dwangsom in deze zaak vast op een bedrag van € 100 per dag voor elke dag waarmee de termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000. Daarbij geldt dat de rechtbank de beroepen van eisers beschouwt als samenhangende zaken. Dat betekent verweerder steeds één rechterlijke dwangsom verbeurt bij overschrijding van de gestelde termijn voor eisers gezamenlijk. 6. Verweerder wordt veroordeeld tot het betalen van de vergoeding van de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 467 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde per punt van € 934 met een wegingsfactor 0,5, twee samenhangende zaken). Beslissing De rechtbank: - verklaart de beroepen voor zover gericht tegen de bestreden besluiten van 19 augustus 2025 niet-ontvankelijk; - verklaart de beroepen voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvragen van 27 maart 2023 gegrond; - vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvragen; - draagt verweerder op om binnen twee weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak besluiten op de asielaanvragen bekend te maken; - bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100 moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 467. Deze uitspraak is gedaan op 29 april 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2013:BY8849. Richtlijn 2013/32/EU.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10207 text/xml public 2026-05-01T09:00:18 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-29 NL25.40197 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Middelburg Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10207 text/html public 2026-04-30T10:37:40 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10207 Rechtbank Den Haag , 29-04-2026 / NL25.40197 Asiel, Iran, intrekking besluit i.v.m. besluit- en vertrekmoratorium, beroep omgeklapt naar BNT, buiten zitting artikel 8:57, beroep niet tijdig beslissen gegrond RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummers: NL25.40197 en NL25.40199 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eisers] , V-nummers: [V-nummer 1] en [V-nummer 2] , eisers (gemachtigde: mr. B.W.M. Toemen), en de minister van Asiel en Migratie , voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: [gemachtigde] ). Procesverloop Met twee afzonderlijke besluiten van 19 augustus 2025 heeft verweerder de opvolgende asielaanvragen van eisers afgewezen als kennelijk ongegrond. Eisers hebben tegen die besluiten beroep ingesteld. Verweerder heeft de bestreden besluiten op 15 april 2026 ingetrokken. Daarbij heeft verweerder vermeld dat hij opnieuw op de aanvragen zal beslissen. Eisers hebben de rechtbank vervolgens verzocht om het beroep tegen het bestreden besluiten om te klappen naar een beroep tegen het niet-tijdig beslissen op hun asielaanvragen en om verweerder op te dragen om binnen twee weken een nieuw besluit op hun asielaanvragen te nemen. Verweerder heeft daarop op 21 april 2026 gereageerd. Nadat de zaak op een zitting is gepland, hebben partijen de rechtbank laten weten dat zij een zitting niet nodig vinden. De rechtbank doet daarom buiten zitting uitspraak. Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk. Overwegingen 1. De rechtbank stelt vast dat verweerder de bestreden besluiten heeft ingetrokken. Verweerder heeft toegelicht dat de reden hiervoor gelegen is in het thans geldende besluit- en vertrekmoratorium voor Iran. In zijn brief van 21 april 2026 heeft verweerder het standpunt ingenomen dat de beroepen tegen het niet-tijdig beslissen gegrond zijn, aanzien de wettelijke beslistermijn is verstreken. Verweerder heeft de rechtbank verzocht om hem een nadere beslistermijn van acht weken op te leggen. De rechtbank oordeelt als volgt. 2. De beroepen voor zover gericht tegen de bestreden besluiten van 19 augustus 2025 dienen niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat die besluiten zijn ingetrokken en eisers daardoor geen procesbelang meer hebben bij de beoordeling daarvan. 3. Het intrekken van de bestreden besluiten heeft tot gevolg dat de verweerder opnieuw op de aanvragen moet beslissen. De termijn waarbinnen verweerder uiterlijk op de aanvraag moest beslissen is verlopen. Daarbij geldt dat in een situatie waarin verweerder hangende het beroep het besluit intrekt als gevolg waarvan de situatie ontstaat dat niet tijdig is beslist, niet van eisers kan worden verwacht dat zij verweerder eerst in gebreke stellen voordat zij beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit instellen. De beroepen tegen het niet tijdig beslissen op de aanvragen zijn daarom ontvankelijk en gegrond. 4. Eisers hebben hun asielaanvragen op 27 maart 2023 ingediend. De uiterste termijn van 21 maanden zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn is verstreken. De rechtbank ziet daarom aanleiding om verweerder op te dragen zo snel mogelijk op de asielaanvraag te beslissen, maar uiterlijk binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak. 5. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom moet betalen voor elke dag waarmee de onder 4 genoemde termijn wordt overschreden. De rechtbank stelt de hoogte van de dwangsom in deze zaak vast op een bedrag van € 100 per dag voor elke dag waarmee de termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000. Daarbij geldt dat de rechtbank de beroepen van eisers beschouwt als samenhangende zaken. Dat betekent verweerder steeds één rechterlijke dwangsom verbeurt bij overschrijding van de gestelde termijn voor eisers gezamenlijk. 6. Verweerder wordt veroordeeld tot het betalen van de vergoeding van de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 467 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde per punt van € 934 met een wegingsfactor 0,5, twee samenhangende zaken). Beslissing De rechtbank: - verklaart de beroepen voor zover gericht tegen de bestreden besluiten van 19 augustus 2025 niet-ontvankelijk; - verklaart de beroepen voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvragen van 27 maart 2023 gegrond; - vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvragen; - draagt verweerder op om binnen twee weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak besluiten op de asielaanvragen bekend te maken; - bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100 moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 467. Deze uitspraak is gedaan op 29 april 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2013:BY8849. Richtlijn 2013/32/EU.