Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-29
ECLI:NL:RBDHA:2026:10132
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,117 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10132 text/xml public 2026-05-04T12:00:25 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-29 NL26.20239 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10132 text/html public 2026-04-29T14:17:29 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10132 Rechtbank Den Haag , 29-04-2026 / NL26.20239 Maatregel van bewaring ogv 59.1.a. Recht op rechtsbijstand. Voorkeursadvocaat. Geen sprake van schending op rechtsbijstand. Beroep ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL26.20239 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser gemachtigde: mr. V. Senczuk, en de minister van Asiel en Migratie, gemachtigde: drs. J.P.M. Wuite. Procesverloop Bij besluit van 9 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Lotfi. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2002. 2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft als zware gronden vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 3. Eiser heeft aangevoerd dat er een schending is geweest van zijn recht op rechtsbijstand. Voorafgaand aan het gehoor voor de inbewaringstelling is een piketmelding verzonden, terwijl de gemachtigde van eiser de voorkeursadvocaat is. Volgens eiser wordt ten onrechte niet eerst gevraagd naar een voorkeursadvocaat en pas daarna, zo nodig, een piketmelding gedaan. Het beleid dienaangaande is in strijd met artikel 6 EVRM. 3.1 De rechtbank stelt vast dat in het proces-verbaal van het gehoor staat dat op 9 april 2026, om 06:58 uur uur, een piketmelding is verzonden. Deze piketmelding is gedaan voorafgaand aan het gehoor, dat plaatsvond om 09:37 uur. Verder volgt uit het proces-verbaal dat de piketmelding door mr. [naam] is geaccepteerd en dat deze telefonisch heeft medegedeeld dat mr. V. Senczuk eisers advocaat is. Vervolgens is geprobeerd telefonisch contact te krijgen met mr. Senczuk, maar dat is niet gelukt. Aan eiser is gevraagd of hij wil wachten totdat zijn advocaat wel kan worden bereikt of dat kan worden aangevangen met het gehoor. Eiser heeft aangegeven dat hij er geen bezwaar tegen heeft om het gehoor zonder advocaat te doen. In paragraaf A5/6.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) staat dat de minister een vreemdeling tijdig in kennis moet stellen van het recht om in het bijzijn van een advocaat te worden gehoord. Uit het beleid volgt niet expliciet dat de minister gehouden is om uit zichzelf na te gaan of de vreemdeling al dan niet een voorkeursadvocaat heeft. Uit het beleid volgt ook niet dat bij een hernieuwde inbewaringstelling de eerdere advocaat moet worden benaderd. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat in zijn zaak sprake is geweest van een schending van zijn recht op rechtsbijstand. Eiser heeft immers op de vraag of kon worden aangevangen met het gehoor zonder zijn raadsman geantwoord geen bezwaar te hebben om het gehoor zonder advocaat te doen, ongeacht of dit de piketadvocaat of een voorkeursadvocaat was. Op dat moment bestond er dan ook geen belemmering om het gehoor zonder bijstand van een raadsman te laten plaatsvinden. Daar komt bij dat eiser in het verdere verloop van zijn procedure is bijgestaan door mr. Senczuk, er tijdig beroep is ingediend en eiser op de zitting van 23 april 2026 is bijgestaan door mr. Senczuk. De beroepsgrond slaagt niet. 4. Eiser heeft de aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegde gronden niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden voldoende zijn om de maatregel van bewaring te dragen. 5. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding om de bewaring onrechtmatig te achten. 6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. van der Winkel, rechter, in aanwezigheid van H.B. Slot - Akkerman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Zie bijv. ECLI:EU:C:2022:858 en ECLI:EU:C:2025:647 en ECLI:EU:C:2026:148.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10132 text/xml public 2026-05-04T12:00:25 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-29 NL26.20239 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Zwolle Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10132 text/html public 2026-04-29T14:17:29 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10132 Rechtbank Den Haag , 29-04-2026 / NL26.20239 Maatregel van bewaring ogv 59.1.a. Recht op rechtsbijstand. Voorkeursadvocaat. Geen sprake van schending op rechtsbijstand. Beroep ongegrond. RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL26.20239 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser gemachtigde: mr. V. Senczuk, en de minister van Asiel en Migratie, gemachtigde: drs. J.P.M. Wuite. Procesverloop Bij besluit van 9 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Lotfi. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2002. 2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft als zware gronden vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 3. Eiser heeft aangevoerd dat er een schending is geweest van zijn recht op rechtsbijstand. Voorafgaand aan het gehoor voor de inbewaringstelling is een piketmelding verzonden, terwijl de gemachtigde van eiser de voorkeursadvocaat is. Volgens eiser wordt ten onrechte niet eerst gevraagd naar een voorkeursadvocaat en pas daarna, zo nodig, een piketmelding gedaan. Het beleid dienaangaande is in strijd met artikel 6 EVRM. 3.1 De rechtbank stelt vast dat in het proces-verbaal van het gehoor staat dat op 9 april 2026, om 06:58 uur uur, een piketmelding is verzonden. Deze piketmelding is gedaan voorafgaand aan het gehoor, dat plaatsvond om 09:37 uur. Verder volgt uit het proces-verbaal dat de piketmelding door mr. [naam] is geaccepteerd en dat deze telefonisch heeft medegedeeld dat mr. V. Senczuk eisers advocaat is. Vervolgens is geprobeerd telefonisch contact te krijgen met mr. Senczuk, maar dat is niet gelukt. Aan eiser is gevraagd of hij wil wachten totdat zijn advocaat wel kan worden bereikt of dat kan worden aangevangen met het gehoor. Eiser heeft aangegeven dat hij er geen bezwaar tegen heeft om het gehoor zonder advocaat te doen. In paragraaf A5/6.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) staat dat de minister een vreemdeling tijdig in kennis moet stellen van het recht om in het bijzijn van een advocaat te worden gehoord. Uit het beleid volgt niet expliciet dat de minister gehouden is om uit zichzelf na te gaan of de vreemdeling al dan niet een voorkeursadvocaat heeft. Uit het beleid volgt ook niet dat bij een hernieuwde inbewaringstelling de eerdere advocaat moet worden benaderd. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat in zijn zaak sprake is geweest van een schending van zijn recht op rechtsbijstand. Eiser heeft immers op de vraag of kon worden aangevangen met het gehoor zonder zijn raadsman geantwoord geen bezwaar te hebben om het gehoor zonder advocaat te doen, ongeacht of dit de piketadvocaat of een voorkeursadvocaat was. Op dat moment bestond er dan ook geen belemmering om het gehoor zonder bijstand van een raadsman te laten plaatsvinden. Daar komt bij dat eiser in het verdere verloop van zijn procedure is bijgestaan door mr. Senczuk, er tijdig beroep is ingediend en eiser op de zitting van 23 april 2026 is bijgestaan door mr. Senczuk. De beroepsgrond slaagt niet. 4. Eiser heeft de aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegde gronden niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden voldoende zijn om de maatregel van bewaring te dragen. 5. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding om de bewaring onrechtmatig te achten. 6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. van der Winkel, rechter, in aanwezigheid van H.B. Slot - Akkerman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Zie bijv. ECLI:EU:C:2022:858 en ECLI:EU:C:2025:647 en ECLI:EU:C:2026:148.