Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-16
ECLI:NL:RBDHA:2026:10125
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,948 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10125 text/xml public 2026-05-08T10:13:51 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-16 SGR 26/1455 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10125 text/html public 2026-05-08T10:13:01 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10125 Rechtbank Den Haag , 16-04-2026 / SGR 26/1455 Beroep niet tijdig beslissen (ntb) in medische zaak van het Uwv, gegrond; samenhangende zaken; 8:55d lid 3 Awb: beslistermijn negen weken. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 26/1455 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2026 in de zaak tussen Stichting [eiseres], uit [vestigingsplaats], eiseres ([gemachtigde]), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv (gemachtigde: mr. B.M. de Wolff). Inleiding 1. [naam], (ex-)werkneemster van eiseres, ontvangt een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Op 11 november 2025 heeft eiseres verzocht om een herbeoordeling van het recht van de (ex-)werkneemster op de WIA-uitkering. 1.1. Eiseres heeft op 11 februari 2026 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op het herbeoordelingsverzoek. 1.2. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. 1.3. Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. Tussen partijen is niet in geschil dat de termijn om te beslissen op het herbeoordelingsverzoek is overschreden. Eiseres heeft het Uwv op 9 januari 2026 in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het herbeoordelingsverzoek. Het beroep is daarom gegrond. 3. Omdat het Uwv nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het Uwv dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. 3.1. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om het Uwv op te dragen binnen twee weken na de uitspraak een besluit bekend te maken. 3.2. Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de beslistermijn is overschreden vanwege het tekort aan verzekeringsartsen. 3.3. De rechtbank is van oordeel dat in dit soort zaken waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025. In het kort komt het erop neer dat de rechtbank bij haar oordeel dat sprake is van een bijzonder geval met name gewicht heeft toegekend aan de omstandigheden dat het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is en dat al geruime tijd sprake is van tekorten aan verzekeringsartsen bij het Uwv waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald. 3.4. In twee uitspraken van 31 maart 2025 heeft de rechtbank bepaald dat in beroepen tegen het uitblijven van beslissingen van het Uwv waarin een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten, bijvoorbeeld een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een beslissing te nemen. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak. 3.5. Indien het Uwv blijkens de dossierstukken of het verweerschrift ten tijde van de uitspraak de medische beoordeling al op een spreekuurcontact, hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of voor dossieronderzoek heeft gepland op een bepaalde datum, dan geldt dat de termijn van negen weken na de dag van verzending van de uitspraak wordt bekort, waarbij rekening wordt gehouden met de al geplande datum voor het medisch onderzoek. Het Uwv krijgt in ieder geval de wettelijke termijn van minimaal twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot de individuele situatie aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijnen. 4. In dit beroep heeft het Uwv in het verweerschrift toegelicht dat er geen voorrang wordt gegeven aan deze zaak. Vanwege de grote drukte kan geen inschatting worden gegeven van de afhandelingstermijn. Het is de rechtbank niet gebleken dat al bekend is wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak. 5. De rechtbank ziet aanleiding om een gerechtelijke dwangsom op te leggen. De rechtbank zal, in overeenstemming met het landelijke beleid van de rechtbanken, bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. 6. Eiseres heeft verzocht de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsom vast te stellen. 6.1. Met toepassing van artikel 8:55c van de Awb stelt de rechtbank de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsom vast op € 1.442,- nu niet in geschil is dat het Uwv niet binnen 42 dagen na het verstrijken van twee weken sinds de ontvangst van de ingebrekestelling een besluit heeft genomen. 7. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden. 8. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiseres gemaakte proceskosten. De rechtbank doet vandaag uitspraak in de beroepen met zaaknummers SGR 26/1455 en SGR 26/1449. De rechtbank beschouwt deze beroepen als samenhangend in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De beroepen in die zaken zijn door de bestuursrechter namelijk gelijktijdig behandeld, en in die zaken is rechtsbijstand verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat dit beroep van licht gewicht is, omdat het beroepschrift is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit en het beroep van eenvoudige aard is. De proceskostenvergoeding stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand dus vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5 (licht)). In verband met de samenhang wordt aan elke zaak de helft toegekend. Daarmee bedraagt de kostenvergoeding in de onderhavige zaak € 233,50 (1/2 x € 467,-).
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10125 text/xml public 2026-05-08T10:13:51 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-16 SGR 26/1455 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10125 text/html public 2026-05-08T10:13:01 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10125 Rechtbank Den Haag , 16-04-2026 / SGR 26/1455 Beroep niet tijdig beslissen (ntb) in medische zaak van het Uwv, gegrond; samenhangende zaken; 8:55d lid 3 Awb: beslistermijn negen weken. RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 26/1455 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2026 in de zaak tussen Stichting [eiseres], uit [vestigingsplaats], eiseres ([gemachtigde]), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv (gemachtigde: mr. B.M. de Wolff). Inleiding 1. [naam], (ex-)werkneemster van eiseres, ontvangt een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Op 11 november 2025 heeft eiseres verzocht om een herbeoordeling van het recht van de (ex-)werkneemster op de WIA-uitkering. 1.1. Eiseres heeft op 11 februari 2026 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op het herbeoordelingsverzoek. 1.2. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. 1.3. Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Beoordeling door de rechtbank 2. Tussen partijen is niet in geschil dat de termijn om te beslissen op het herbeoordelingsverzoek is overschreden. Eiseres heeft het Uwv op 9 januari 2026 in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het herbeoordelingsverzoek. Het beroep is daarom gegrond. 3. Omdat het Uwv nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het Uwv dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. 3.1. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om het Uwv op te dragen binnen twee weken na de uitspraak een besluit bekend te maken. 3.2. Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de beslistermijn is overschreden vanwege het tekort aan verzekeringsartsen. 3.3. De rechtbank is van oordeel dat in dit soort zaken waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025. In het kort komt het erop neer dat de rechtbank bij haar oordeel dat sprake is van een bijzonder geval met name gewicht heeft toegekend aan de omstandigheden dat het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is en dat al geruime tijd sprake is van tekorten aan verzekeringsartsen bij het Uwv waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald. 3.4. In twee uitspraken van 31 maart 2025 heeft de rechtbank bepaald dat in beroepen tegen het uitblijven van beslissingen van het Uwv waarin een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten, bijvoorbeeld een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een beslissing te nemen. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak. 3.5. Indien het Uwv blijkens de dossierstukken of het verweerschrift ten tijde van de uitspraak de medische beoordeling al op een spreekuurcontact, hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of voor dossieronderzoek heeft gepland op een bepaalde datum, dan geldt dat de termijn van negen weken na de dag van verzending van de uitspraak wordt bekort, waarbij rekening wordt gehouden met de al geplande datum voor het medisch onderzoek. Het Uwv krijgt in ieder geval de wettelijke termijn van minimaal twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot de individuele situatie aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijnen. 4. In dit beroep heeft het Uwv in het verweerschrift toegelicht dat er geen voorrang wordt gegeven aan deze zaak. Vanwege de grote drukte kan geen inschatting worden gegeven van de afhandelingstermijn. Het is de rechtbank niet gebleken dat al bekend is wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak. 5. De rechtbank ziet aanleiding om een gerechtelijke dwangsom op te leggen. De rechtbank zal, in overeenstemming met het landelijke beleid van de rechtbanken, bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. 6. Eiseres heeft verzocht de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsom vast te stellen. 6.1. Met toepassing van artikel 8:55c van de Awb stelt de rechtbank de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsom vast op € 1.442,- nu niet in geschil is dat het Uwv niet binnen 42 dagen na het verstrijken van twee weken sinds de ontvangst van de ingebrekestelling een besluit heeft genomen. 7. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden. 8. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiseres gemaakte proceskosten. De rechtbank doet vandaag uitspraak in de beroepen met zaaknummers SGR 26/1455 en SGR 26/1449. De rechtbank beschouwt deze beroepen als samenhangend in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De beroepen in die zaken zijn door de bestuursrechter namelijk gelijktijdig behandeld, en in die zaken is rechtsbijstand verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat dit beroep van licht gewicht is, omdat het beroepschrift is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit en het beroep van eenvoudige aard is. De proceskostenvergoeding stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand dus vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5 (licht)). In verband met de samenhang wordt aan elke zaak de helft toegekend. Daarmee bedraagt de kostenvergoeding in de onderhavige zaak € 233,50 (1/2 x € 467,-).