Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2026-04-23
ECLI:NL:RBDHA:2026:10047
Strafrecht; Materieel strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
12,225 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10047 text/xml public 2026-05-07T15:20:15 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-23 09-001273-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Op tegenspraak NL Den Haag Strafrecht; Materieel strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10047 text/html public 2026-05-07T15:19:46 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10047 Rechtbank Den Haag , 23-04-2026 / 09-001273-25 Jeugdstrafrecht. Gekwalificeerde opzetverkrachting (artikel 243 Sr). Deels voorwaardelijke jeugddetentie. Rechtbank DEN HAAG Meervoudige kamer jeugdstrafzaken Parketnummer: 09-001273-25 Datum uitspraak: 23 april 2026 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats] , zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, verblijfsadres: [adres] te [plaats] ( [land] ). 1 Het onderzoek ter terechtzitting De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzitting van 9 april 2026. De officier van justitie in deze zaak is mr. A. Briejer en de raadsvrouw van de verdachte is mr. I. Stas, waargenomen ter terechtzitting door mr. W.S.W. van den Donk. De verdachte is op de terechtzitting verschenen. 2 De tenlastelegging De verdenking komt er kort gezegd op neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan gekwalificeerde opzetverkrachting van [aangeefster] , gepleegd op 2 januari 2025. De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3 De bewijsbeslissing 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsvrouw partiële vrijspraak bepleit, voor zover dit ziet op het gebruik van dwang, geweld en/of bedreiging. Op specifieke (bewijs)verweren van de raadsvrouw zal hierna - voor zover relevant - nader worden ingegaan. 3.3 Gebruikte bewijsmiddelen De rechtbank heeft in de bijlage de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen. 3.4 Bewijsoverwegingen Juridisch kader Op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op grond van de verklaring van één getuige. Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, dient sprake te zijn van steunbewijs. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige verklaarde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal (dit is vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, zie o.a. ECLI:NL:HR:2023:1152). Die ondersteuning hoeft niet te zien op alle onderdelen van de tenlastelegging. Het is voldoende dat de verklaring op specifieke punten steun vindt in ander bewijsmateriaal, die afkomstig is van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Tussen de verklaring van de aangeefster en het overige bewijsmateriaal mag niet een te ver verwijderd verband bestaan. Daarnaast geldt dat een voor het bewijs gebruikte verklaring op zichzelf ook voldoende betrouwbaar moet zijn. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. De rechtbank zal eerst toetsen of zij de verklaringen van [aangeefster] voldoende betrouwbaar vindt. Als dat het geval is, moet de rechtbank beoordelen of die verklaringen in voldoende mate worden gesteund door ander bewijs. Betrouwbaarheid Uit het dossier blijkt dat de verdachte en [aangeefster] een relatie hebben gehad. Deze relatie was al geëindigd op het moment dat de verdachte op 2 januari 2025 zijn spullen kwam ophalen in de woning van [aangeefster] . De verklaringen van de verdachte en [aangeefster] over wat daarbij in de woning is gebeurd lopen uiteen. De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaring van [aangeefster] niet (volledig) betrouwbaar is, omdat zij op meerdere punten inconsistent en tegenstrijdig heeft verklaard. Over het contact na het einde van de relatie, over de aard en aanleiding van de worstelingen tussen haar en de verdachte en over de feitelijke details van de ten laste gelegde handelingen heeft zij volgens de verdediging wisselend en onvolledig verklaard. Ook zou haar verklaring niet stroken met objectieve gegevens in het dossier. Aan haar verklaring komt volgens de verdediging dan ook onvoldoende bewijswaarde toe en kan daarom niet als bewijsmiddel worden gebruikt. De rechtbank overweegt dat [aangeefster] in totaal drie keer in contact is geweest met dan wel gehoord is door de politie. Bij de aanhouding van de verdachte, direct na het moment waar het ten laste gelegde betrekking op heeft, is door de verbalisant waargenomen dat [aangeefster] door haar emoties moeilijk uit haar woorden kwam. Zij heeft toen direct verklaard dat de verdachte haar tegen haar wil in heeft gevingerd. Ook in de verklaringen die zij heeft afgelegd tijdens het informatieve gesprek met de zedenrecherche en een aantal dagen later, toen zij is gehoord als getuige, verklaart zij over de gebeurtenissen met gelijke strekking en in dezelfde bewoordingen. De rechtbank stelt vast dat zij over de feitelijke handelingen die de verdachte worden verweten, consistent heeft verklaard. Daarnaast heeft zij in haar verklaringen gedetailleerd en consistent verklaard over wat daaraan is voorafgegaan, over de context waarin en over de omstandigheden waaronder de (seksuele) feitelijke handelingen hebben plaatsgevonden. Zo verklaart zij steeds dat de verdachte verschillende keren naar haar slaapkamer wilde gaan, terwijl zij dit niet wilde en dat hij haar meerdere keren tegen haar zin in probeerde te knuffelen. Ook heeft zij steeds verklaard dat de verdachte haar telefoon heeft afgepakt en uitgezet op het moment dat zij haar vader wilde bellen. Bovendien verklaart zij steeds hetzelfde over de toedracht van de seksuele handelingen en de situatie waarin die zijn verricht, namelijk dat de verdachte haar op de bank heeft geduwd, met zijn bovenlichaam tegen haar aandrukte zodat zij niet weg kon en vervolgens haar broek naar beneden trok en haar vingerde. De rechtbank ziet weliswaar dat delen van de verklaringen van [aangeefster] niet één op één overeenkomen, maar dat geldt nu juist niet voor de delen die betrekking hebben op de toedracht van de ten laste gelegde gedragingen, de omstandigheden waarin die hebben plaatsgevonden, en de concrete en feitelijke aard daarvan. De verklaringen zijn op die onderdelen consistent. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen en acht deze betrouwbaar en geloofwaardig. Haar verklaringen kunnen daarom als basis voor het bewijs dienen. Steunbewijs De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of deze verklaringen in voldoende mate worden ondersteund door ander bewijsmateriaal afkomstig van een andere bron. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en neemt daarbij het volgende in aanmerking. De rechtbank wijst allereerst op de verklaring van de vader, [naam] . Hij heeft verklaard dat hij om 12:03 uur door zijn dochter werd gebeld, maar dat hij niet snel genoeg was om op te nemen. Hij belde vervolgens direct terug, maar werd toen weggedrukt. Toen hij zijn dochter nogmaals belde, kreeg hij direct de voicemail. Deze verklaring sluit exact aan bij de eigen verklaring van [aangeefster] , namelijk dat de verdachte haar telefoon heeft afgepakt en uitgezet op het moment dat zij haar vader probeerde te bellen. Op de beelden van de cameradeurbel is te zien dat [aangeefster] om 12:09 uur op de deurbel drukt. Zij wordt vervolgens aan haar arm hardhandig naar binnen getrokken. Op de beelden – die ter terechtzitting getoond zijn – is te zien en te horen dat zij huilt en roept: ‘papa, papa’.
Volledig
ECLI:NL:RBDHA:2026:10047 text/xml public 2026-05-07T15:20:15 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-23 09-001273-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Op tegenspraak NL Den Haag Strafrecht; Materieel strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:10047 text/html public 2026-05-07T15:19:46 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:10047 Rechtbank Den Haag , 23-04-2026 / 09-001273-25 Jeugdstrafrecht. Gekwalificeerde opzetverkrachting (artikel 243 Sr). Deels voorwaardelijke jeugddetentie. Rechtbank DEN HAAG Meervoudige kamer jeugdstrafzaken Parketnummer: 09-001273-25 Datum uitspraak: 23 april 2026 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats] , zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, verblijfsadres: [adres] te [plaats] ( [land] ). 1 Het onderzoek ter terechtzitting De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzitting van 9 april 2026. De officier van justitie in deze zaak is mr. A. Briejer en de raadsvrouw van de verdachte is mr. I. Stas, waargenomen ter terechtzitting door mr. W.S.W. van den Donk. De verdachte is op de terechtzitting verschenen. 2 De tenlastelegging De verdenking komt er kort gezegd op neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan gekwalificeerde opzetverkrachting van [aangeefster] , gepleegd op 2 januari 2025. De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3 De bewijsbeslissing 3.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde. 3.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsvrouw partiële vrijspraak bepleit, voor zover dit ziet op het gebruik van dwang, geweld en/of bedreiging. Op specifieke (bewijs)verweren van de raadsvrouw zal hierna - voor zover relevant - nader worden ingegaan. 3.3 Gebruikte bewijsmiddelen De rechtbank heeft in de bijlage de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen. 3.4 Bewijsoverwegingen Juridisch kader Op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op grond van de verklaring van één getuige. Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, dient sprake te zijn van steunbewijs. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige verklaarde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal (dit is vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, zie o.a. ECLI:NL:HR:2023:1152). Die ondersteuning hoeft niet te zien op alle onderdelen van de tenlastelegging. Het is voldoende dat de verklaring op specifieke punten steun vindt in ander bewijsmateriaal, die afkomstig is van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Tussen de verklaring van de aangeefster en het overige bewijsmateriaal mag niet een te ver verwijderd verband bestaan. Daarnaast geldt dat een voor het bewijs gebruikte verklaring op zichzelf ook voldoende betrouwbaar moet zijn. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. De rechtbank zal eerst toetsen of zij de verklaringen van [aangeefster] voldoende betrouwbaar vindt. Als dat het geval is, moet de rechtbank beoordelen of die verklaringen in voldoende mate worden gesteund door ander bewijs. Betrouwbaarheid Uit het dossier blijkt dat de verdachte en [aangeefster] een relatie hebben gehad. Deze relatie was al geëindigd op het moment dat de verdachte op 2 januari 2025 zijn spullen kwam ophalen in de woning van [aangeefster] . De verklaringen van de verdachte en [aangeefster] over wat daarbij in de woning is gebeurd lopen uiteen. De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaring van [aangeefster] niet (volledig) betrouwbaar is, omdat zij op meerdere punten inconsistent en tegenstrijdig heeft verklaard. Over het contact na het einde van de relatie, over de aard en aanleiding van de worstelingen tussen haar en de verdachte en over de feitelijke details van de ten laste gelegde handelingen heeft zij volgens de verdediging wisselend en onvolledig verklaard. Ook zou haar verklaring niet stroken met objectieve gegevens in het dossier. Aan haar verklaring komt volgens de verdediging dan ook onvoldoende bewijswaarde toe en kan daarom niet als bewijsmiddel worden gebruikt. De rechtbank overweegt dat [aangeefster] in totaal drie keer in contact is geweest met dan wel gehoord is door de politie. Bij de aanhouding van de verdachte, direct na het moment waar het ten laste gelegde betrekking op heeft, is door de verbalisant waargenomen dat [aangeefster] door haar emoties moeilijk uit haar woorden kwam. Zij heeft toen direct verklaard dat de verdachte haar tegen haar wil in heeft gevingerd. Ook in de verklaringen die zij heeft afgelegd tijdens het informatieve gesprek met de zedenrecherche en een aantal dagen later, toen zij is gehoord als getuige, verklaart zij over de gebeurtenissen met gelijke strekking en in dezelfde bewoordingen. De rechtbank stelt vast dat zij over de feitelijke handelingen die de verdachte worden verweten, consistent heeft verklaard. Daarnaast heeft zij in haar verklaringen gedetailleerd en consistent verklaard over wat daaraan is voorafgegaan, over de context waarin en over de omstandigheden waaronder de (seksuele) feitelijke handelingen hebben plaatsgevonden. Zo verklaart zij steeds dat de verdachte verschillende keren naar haar slaapkamer wilde gaan, terwijl zij dit niet wilde en dat hij haar meerdere keren tegen haar zin in probeerde te knuffelen. Ook heeft zij steeds verklaard dat de verdachte haar telefoon heeft afgepakt en uitgezet op het moment dat zij haar vader wilde bellen. Bovendien verklaart zij steeds hetzelfde over de toedracht van de seksuele handelingen en de situatie waarin die zijn verricht, namelijk dat de verdachte haar op de bank heeft geduwd, met zijn bovenlichaam tegen haar aandrukte zodat zij niet weg kon en vervolgens haar broek naar beneden trok en haar vingerde. De rechtbank ziet weliswaar dat delen van de verklaringen van [aangeefster] niet één op één overeenkomen, maar dat geldt nu juist niet voor de delen die betrekking hebben op de toedracht van de ten laste gelegde gedragingen, de omstandigheden waarin die hebben plaatsgevonden, en de concrete en feitelijke aard daarvan. De verklaringen zijn op die onderdelen consistent. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen en acht deze betrouwbaar en geloofwaardig. Haar verklaringen kunnen daarom als basis voor het bewijs dienen. Steunbewijs De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of deze verklaringen in voldoende mate worden ondersteund door ander bewijsmateriaal afkomstig van een andere bron. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en neemt daarbij het volgende in aanmerking. De rechtbank wijst allereerst op de verklaring van de vader, [naam] . Hij heeft verklaard dat hij om 12:03 uur door zijn dochter werd gebeld, maar dat hij niet snel genoeg was om op te nemen. Hij belde vervolgens direct terug, maar werd toen weggedrukt. Toen hij zijn dochter nogmaals belde, kreeg hij direct de voicemail. Deze verklaring sluit exact aan bij de eigen verklaring van [aangeefster] , namelijk dat de verdachte haar telefoon heeft afgepakt en uitgezet op het moment dat zij haar vader probeerde te bellen. Op de beelden van de cameradeurbel is te zien dat [aangeefster] om 12:09 uur op de deurbel drukt. Zij wordt vervolgens aan haar arm hardhandig naar binnen getrokken. Op de beelden – die ter terechtzitting getoond zijn – is te zien en te horen dat zij huilt en roept: ‘papa, papa’.
Volledig
Wanneer de deur dicht gaat is te horen dat deze op slot wordt gedraaid. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij [aangeefster] aan haar arm naar binnen heeft getrokken en vervolgens de deur op slot heeft gedraaid. Vervolgens is op de beelden van de cameradeurbel te zien dat de verdachte om 12:17 uur de woning verlaat en dat de deur geopend is. Te zien en te horen is dat [aangeefster] huilt en met haar handen voor haar gezicht op de trap gaat zitten. Aansluitend wordt de verdachte aangehouden door de verbalisanten ter plekke. Door één van de verbalisanten wordt gerelateerd dat [aangeefster] door emotie moeilijk uit haar woorden kwam en moest huilen. De door de verbalisant waargenomen gemoedstoestand – die eveneens is te zien en te horen op de beelden – is naar het oordeel van de rechtbank passend bij wat haar kort daarvoor is overkomen. In de verklaring van de vader, de waarneming van emoties door de verbalisant en de beelden van de cameradeurbel vindt de rechtbank gelet op het hiervoor overwogene het benodigde steunbewijs voor de verklaringen van [aangeefster] . Wetenschap ontbrekende wil Van opzetverkrachting is sprake als de verdachte bij een ander seksuele handelingen verricht, die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl hij wist dat bij de ander de wil daartoe ontbrak. Van wetenschap van een ontbrekende wil bij de ander is in het algemeen sprake als de ander met duidelijke verbale of non-verbale signalen te kennen heeft gegeven het seksuele contact niet op prijs te stellen en de verdachte het seksuele contact toch heeft voortgezet. Uit hetgeen hiervoor is overwogen en de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat de verdachte de seksuele handelingen bij [aangeefster] heeft verricht en deze mede bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam, namelijk door zijn vinger in haar vagina te brengen. De verdediging heeft aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte wist dan wel bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat bij [aangeefster] de wil tot de seksuele handeling ontbrak. Uit haar verklaringen volgt echter dat zij meerdere keren, verbaal en fysiek duidelijk heeft gemaakt dat zij niet wilde dat de verdachte haar zou aanraken en wilde dat hij de woning zou verlaten. Toen de verdachte niet wegging en zij haar vader wilde bellen, heeft de verdachte dit tegengehouden door het telefoongesprek weg te drukken en haar telefoon uit te zetten. Vervolgens probeert zij haar vader op de hoogte te stellen en hulp te vragen door op de cameradeurbel te drukken. Zij roept om haar vader. De verdachte trekt haar hardhandig naar binnen en doet vervolgens de deur op slot. De rechtbank vindt het onder die omstandigheden onaannemelijk dat de verdachte niet de op de hoogte was van de ontbrekende wil bij [aangeefster] . De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de gebeurtenissen in een andere volgorde hebben plaatsgevonden. Hij heeft verklaard dat hij met [aangeefster] op de bank lag en dat hij zijn telefoon aan het opladen was. Op dat moment zou de verdachte haar hebben gevingerd. Daar is hij mee gestopt, zodra hij in de gaten had dat zij dat niet wilde. Het duwen en trekken en de worsteling bij de voordeur zouden daarna hebben plaatsgevonden. De verdachte heeft haar toen naar binnen getrokken, omdat hij in de veronderstelling was dat zij zijn telefoon had. De rechtbank acht in het licht van de (steun)bewijsmiddelen en het dossier de verklaring van de verdachte over het verloop van de gebeurtenissen echter niet aannemelijk geworden. Gekwalificeerde opzetverkrachting De rechtbank is van oordeel dat de verdachte door zijn handelen [aangeefster] in een situatie heeft gebracht waarin zij zich naar redelijke verwachting niet aan de seksuele handeling heeft kunnen onttrekken. De verdachte heeft daarbij ook gebruik gemaakt van geweld door haar hardhandig naar binnen te trekken, haar op de bank te duwen en te houden met zijn bovenlichaam. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat de opzetverkrachting is voorafgegaan door en vergezeld van dwang, geweld en bedreiging en dat de verdachte zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan gekwalificeerde opzetverkrachting. 3.5 De bewezenverklaring De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat: hij 2 januari 2025 te 's-Gravenhage met een persoon, te weten [aangeefster] (geboren op [geboortedatum 2] 2008) seksuele handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten - het brengen van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina en tussen de schaamlippen van [aangeefster] terwijl hij, verdachte, wist dat bij [aangeefster] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en gevolgd door dwang, geweld en bedreiging, door - [aangeefster] (met kracht) aan haar arm de woning (van [aangeefster] ) in te trekken en - de voordeur (daarna) dicht te doen en op slot te draaien en - [aangeefster] (met kracht) op de bank te duwen en - ( vervolgens) met zijn, verdachtes, (boven)lichaam op het (boven)lichaam van [aangeefster] te gaan liggen en - ( vervolgens) de joggingbroek en de string van [aangeefster] naar beneden te trekken. 4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. 5 De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6 De op te leggen straffen 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 240 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De officier van justitie heeft gevorderd een gedeelte van 200 dagen voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen jeugddetentie gevorderd. 6.2 Het standpunt van de verdediging Ingeval van een bewezenverklaring heeft de verdediging verzocht om rekening te houden met het feit dat de verdachte zowel ter zitting als bij de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) openheid van zaken heeft gegeven en spijt heeft betuigd. Er is sprake van een positieve ontwikkeling bij de verdachte, waarbij er sinds het ten laste gelegd feit geen nieuwe politiecontacten en geen nieuwe zorgsignalen naar voren zijn gekomen. De verdachte is recentelijk gestart met een combinatie van school en werk en is gestart met zijn traject bij de psycholoog. Verzocht wordt om het advies van de Raad over te nemen, zodat de verdachte zijn positieve ontwikkeling kan voortzetten. 6.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit het rapport en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. Ernst van het feit De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan gekwalificeerde opzetverkrachting. Nadat de relatie tussen het slachtoffer en de verdachte over was, is de verdachte zijn kleding gaan ophalen in de woning van het slachtoffer. Daar heeft de verdachte het slachtoffer meerdere keren geprobeerd te knuffelen en aan te raken, terwijl zij dit niet wilde en dit fysiek en verbaal aan hem duidelijk heeft gemaakt. Nadat zij huilend op de deurbel heeft gedrukt en om haar vader heeft geroepen, heeft de verdachte haar hardhandig de woning binnengetrokken, de deur op slot gedraaid en haar op de bank geduwd en gevingerd. Dit alles is gebeurd in haar eigen woning, een plek waar zij zich bij uitstek veilig zou moeten kunnen voelen. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij voorbij is gegaan aan het feit dat het slachtoffer heeft aangegeven dat zij dit niet wilde en hij daardoor de (seksuele) grenzen van het slachtoffer heeft overschreden.
Volledig
Wanneer de deur dicht gaat is te horen dat deze op slot wordt gedraaid. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij [aangeefster] aan haar arm naar binnen heeft getrokken en vervolgens de deur op slot heeft gedraaid. Vervolgens is op de beelden van de cameradeurbel te zien dat de verdachte om 12:17 uur de woning verlaat en dat de deur geopend is. Te zien en te horen is dat [aangeefster] huilt en met haar handen voor haar gezicht op de trap gaat zitten. Aansluitend wordt de verdachte aangehouden door de verbalisanten ter plekke. Door één van de verbalisanten wordt gerelateerd dat [aangeefster] door emotie moeilijk uit haar woorden kwam en moest huilen. De door de verbalisant waargenomen gemoedstoestand – die eveneens is te zien en te horen op de beelden – is naar het oordeel van de rechtbank passend bij wat haar kort daarvoor is overkomen. In de verklaring van de vader, de waarneming van emoties door de verbalisant en de beelden van de cameradeurbel vindt de rechtbank gelet op het hiervoor overwogene het benodigde steunbewijs voor de verklaringen van [aangeefster] . Wetenschap ontbrekende wil Van opzetverkrachting is sprake als de verdachte bij een ander seksuele handelingen verricht, die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl hij wist dat bij de ander de wil daartoe ontbrak. Van wetenschap van een ontbrekende wil bij de ander is in het algemeen sprake als de ander met duidelijke verbale of non-verbale signalen te kennen heeft gegeven het seksuele contact niet op prijs te stellen en de verdachte het seksuele contact toch heeft voortgezet. Uit hetgeen hiervoor is overwogen en de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat de verdachte de seksuele handelingen bij [aangeefster] heeft verricht en deze mede bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam, namelijk door zijn vinger in haar vagina te brengen. De verdediging heeft aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte wist dan wel bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat bij [aangeefster] de wil tot de seksuele handeling ontbrak. Uit haar verklaringen volgt echter dat zij meerdere keren, verbaal en fysiek duidelijk heeft gemaakt dat zij niet wilde dat de verdachte haar zou aanraken en wilde dat hij de woning zou verlaten. Toen de verdachte niet wegging en zij haar vader wilde bellen, heeft de verdachte dit tegengehouden door het telefoongesprek weg te drukken en haar telefoon uit te zetten. Vervolgens probeert zij haar vader op de hoogte te stellen en hulp te vragen door op de cameradeurbel te drukken. Zij roept om haar vader. De verdachte trekt haar hardhandig naar binnen en doet vervolgens de deur op slot. De rechtbank vindt het onder die omstandigheden onaannemelijk dat de verdachte niet de op de hoogte was van de ontbrekende wil bij [aangeefster] . De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat de gebeurtenissen in een andere volgorde hebben plaatsgevonden. Hij heeft verklaard dat hij met [aangeefster] op de bank lag en dat hij zijn telefoon aan het opladen was. Op dat moment zou de verdachte haar hebben gevingerd. Daar is hij mee gestopt, zodra hij in de gaten had dat zij dat niet wilde. Het duwen en trekken en de worsteling bij de voordeur zouden daarna hebben plaatsgevonden. De verdachte heeft haar toen naar binnen getrokken, omdat hij in de veronderstelling was dat zij zijn telefoon had. De rechtbank acht in het licht van de (steun)bewijsmiddelen en het dossier de verklaring van de verdachte over het verloop van de gebeurtenissen echter niet aannemelijk geworden. Gekwalificeerde opzetverkrachting De rechtbank is van oordeel dat de verdachte door zijn handelen [aangeefster] in een situatie heeft gebracht waarin zij zich naar redelijke verwachting niet aan de seksuele handeling heeft kunnen onttrekken. De verdachte heeft daarbij ook gebruik gemaakt van geweld door haar hardhandig naar binnen te trekken, haar op de bank te duwen en te houden met zijn bovenlichaam. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat de opzetverkrachting is voorafgegaan door en vergezeld van dwang, geweld en bedreiging en dat de verdachte zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan gekwalificeerde opzetverkrachting. 3.5 De bewezenverklaring De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat: hij 2 januari 2025 te 's-Gravenhage met een persoon, te weten [aangeefster] (geboren op [geboortedatum 2] 2008) seksuele handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten - het brengen van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina en tussen de schaamlippen van [aangeefster] terwijl hij, verdachte, wist dat bij [aangeefster] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en gevolgd door dwang, geweld en bedreiging, door - [aangeefster] (met kracht) aan haar arm de woning (van [aangeefster] ) in te trekken en - de voordeur (daarna) dicht te doen en op slot te draaien en - [aangeefster] (met kracht) op de bank te duwen en - ( vervolgens) met zijn, verdachtes, (boven)lichaam op het (boven)lichaam van [aangeefster] te gaan liggen en - ( vervolgens) de joggingbroek en de string van [aangeefster] naar beneden te trekken. 4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. 5 De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6 De op te leggen straffen 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 240 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De officier van justitie heeft gevorderd een gedeelte van 200 dagen voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen jeugddetentie gevorderd. 6.2 Het standpunt van de verdediging Ingeval van een bewezenverklaring heeft de verdediging verzocht om rekening te houden met het feit dat de verdachte zowel ter zitting als bij de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) openheid van zaken heeft gegeven en spijt heeft betuigd. Er is sprake van een positieve ontwikkeling bij de verdachte, waarbij er sinds het ten laste gelegd feit geen nieuwe politiecontacten en geen nieuwe zorgsignalen naar voren zijn gekomen. De verdachte is recentelijk gestart met een combinatie van school en werk en is gestart met zijn traject bij de psycholoog. Verzocht wordt om het advies van de Raad over te nemen, zodat de verdachte zijn positieve ontwikkeling kan voortzetten. 6.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit het rapport en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. Ernst van het feit De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan gekwalificeerde opzetverkrachting. Nadat de relatie tussen het slachtoffer en de verdachte over was, is de verdachte zijn kleding gaan ophalen in de woning van het slachtoffer. Daar heeft de verdachte het slachtoffer meerdere keren geprobeerd te knuffelen en aan te raken, terwijl zij dit niet wilde en dit fysiek en verbaal aan hem duidelijk heeft gemaakt. Nadat zij huilend op de deurbel heeft gedrukt en om haar vader heeft geroepen, heeft de verdachte haar hardhandig de woning binnengetrokken, de deur op slot gedraaid en haar op de bank geduwd en gevingerd. Dit alles is gebeurd in haar eigen woning, een plek waar zij zich bij uitstek veilig zou moeten kunnen voelen. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij voorbij is gegaan aan het feit dat het slachtoffer heeft aangegeven dat zij dit niet wilde en hij daardoor de (seksuele) grenzen van het slachtoffer heeft overschreden.
Volledig
Hij heeft daarbij niet stilgestaan bij het verdriet en de angst die dit bij het slachtoffer teweeg heeft gebracht. De verdachte heeft door zijn handelen dan ook een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en seksuele integriteit van het slachtoffer. Strafblad De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 5 maart 2026, daaruit blijkt dat de verdachte in 2024 een strafbeschikking opgelegd heeft gekregen wegens het overtreden van de Wegenverkeerswet. Dit heeft als zodanig geen invloed op de bepaling van de op te leggen straf. Persoon van de verdachte De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van de Raad van 2 april 2026 en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundige ter zitting is gegeven. Daaruit volgt – kort samengevat – dat het recidiverisico wordt ingeschat als laag. Een jaar geleden was er sprake van een negatieve gedragsverandering bij de verdachte, waarbij er sprake was van spijbelgedrag, slechte schoolresultaten en waardoor hij moest stoppen met voetballen. Tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis was het belangrijk dat er meer zicht kwam op het gedrag van de verdachte en dat er hulpverlening ingezet zou worden. Gelet op het feit dat de verdachte in [land] woont, is hij onder andere geschorst onder de voorwaarde dat hij moest meewerken aan de begeleiding vanuit [instantie] . Hoewel deze begeleiding/hulpverlening nooit is gestart, is er bij de verdachte desondanks sprake van een positieve ontwikkeling. Zo is hij weer gestart met voetbal en houdt hij zich beter aan regels en afspraken. Er zijn er geen politiecontacten geweest en geen nieuwe zorgen ontstaan. De moeder van de verdachte is betrokken en regelt veel voor de verdachte, waaronder een traject bij de psycholoog. Het is de verdachte niet gelukt om vorig schooljaar zijn diploma te behalen. Recentelijk is de verdachte gestart met een combinatie van school en werk. Het is belangrijk dat de verdachte hierin begeleid wordt, zodat hij gemotiveerd blijft. Ook dient er aandacht te komen voor het versterken van het inzicht in eigen handelen, het kunnen inschatten van situaties en het zich verplaatsen in anderen. Het is daarom van belang dat het traject bij de psycholoog wordt voortgezet, zodat daar aandacht aan kan worden besteed. Aangezien het opzetten van begeleiding vanuit [instantie] niet mogelijk is (geweest) en het inzetten van een gedragsinterventie praktisch gezien niet haalbaar is vanwege het wonen in het buitenland, adviseert de Raad – naast een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het voorarrest – een onvoorwaardelijke werkstraf. Het is daarbij de bedoeling dat deze werkstraf wordt overgedragen aan [land] , zodat de verdachte de werkstraf daar kan uitvoeren. Strafmodaliteit en strafmaat De rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken (recentelijk) onder meer door deze rechtbank zijn opgelegd en heeft daarbij aansluiting gezocht. De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van het feit, zoals hiervoor omschreven. Daarbij weegt de rechtbank ook de mate van de uitgeoefende dwang en de intensiteit van het seksueel binnendringen mee. Verder weegt de rechtbank mee dat de verdachte op de zitting berouw heeft getoond en – in zoverre – heeft erkend dat zijn handelen ongewenst was en dat hij daar spijt van heeft. Ook is het positief dat de verdachte heeft aangegeven open te staan voor herstelbemiddeling, indien en voor zover het slachtoffer hier open voor staat. Gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit, zou een geheel onvoorwaardelijke jeugddetentie in beginsel passend zijn. De rechtbank is echter van oordeel dat de positieve ontwikkeling van de verdachte maakt dat het niet wenselijk is om nog een aanvullende onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen. Op grond van al het voorgaande, in samenhang bezien met de persoon van de verdachte en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde feit is begaan, is de rechtbank van oordeel dat in deze specifieke situatie een jeugddetentie voor de duur van 100 dagen, met aftrek van het voorarrest (40 dagen), waarvan 60 dagen voorwaardelijk in combinatie met een werkstraf van 80 uren een passende straf is. De voorwaardelijke jeugddetentie zal worden opgelegd zodat het belang van respect voor grenzen van anderen bij de verdachte wordt ingescherpt. De verdachte moet zich daarvan bewust zijn, voornamelijk op het gebied van seksualiteit en consent, en het zal direct gevolgen voor hem hebben als hij daarin tekortschiet. Aan het voorwaardelijke deel van de jeugddetentie zal de rechtbank een proeftijd van twee jaren verbinden. 7 De toepasselijke wetsartikelen De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen: 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 243 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden. 8 De beslissing De rechtbank: bewezenverklaring verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.5 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als: gekwalificeerde opzetverkrachting; verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij; verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar; straffen veroordeelt de verdachte tot: een jeugddetentie voor de duur van 100 (HONDERD) DAGEN; beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (40 dagen), bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht; bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 60 (ZESTIG) DAGEN niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; veroordeelt de verdachte voorts tot: een taakstraf , bestaande uit een werkstraf , zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van 80 (TACHTIG) UREN ; beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 40 (VEERTIG) DAGEN ; bepaalt dat de veroordeelde, ook in het geval hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, in aanmerking komt voor vervangende jeugddetentie in plaats van vervangende hechtenis; het bevel tot voorlopige hechtenis heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde. Dit vonnis is gewezen door: mr. A.M.A. Keulen, kinderrechter, voorzitter, mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, en mr. T.P Sarneel, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.B.M.A. Roozen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 april 2026. Bijlage I Tekst tenlastelegging Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 2 januari 2025 te 's-Gravenhage met een persoon, te weten [aangeefster] [aangeefster] (geboren op [geboortedatum 2] 2008) een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten - het brengen van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina en/of tussen de schaamlippen van [aangeefster] terwijl hij, verdachte, wist dat bij [aangeefster] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door - [aangeefster] (met kracht) aan haar arm de woning (van [aangeefster] ) in te trekken en/of - de voordeur (daarna) dicht te doen en/of op slot te draaien en/of - [aangeefster] (met kracht) op de bank te duwen en/of - ( vervolgens) met zijn, verdachtes, (boven)lichaam op het (boven)lichaam van [aangeefster] te gaan liggen en/of - ( vervolgens) de joggingbroek en/of de string van [aangeefster] naar beneden te trekken.
Volledig
Hij heeft daarbij niet stilgestaan bij het verdriet en de angst die dit bij het slachtoffer teweeg heeft gebracht. De verdachte heeft door zijn handelen dan ook een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en seksuele integriteit van het slachtoffer. Strafblad De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 5 maart 2026, daaruit blijkt dat de verdachte in 2024 een strafbeschikking opgelegd heeft gekregen wegens het overtreden van de Wegenverkeerswet. Dit heeft als zodanig geen invloed op de bepaling van de op te leggen straf. Persoon van de verdachte De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van de Raad van 2 april 2026 en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundige ter zitting is gegeven. Daaruit volgt – kort samengevat – dat het recidiverisico wordt ingeschat als laag. Een jaar geleden was er sprake van een negatieve gedragsverandering bij de verdachte, waarbij er sprake was van spijbelgedrag, slechte schoolresultaten en waardoor hij moest stoppen met voetballen. Tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis was het belangrijk dat er meer zicht kwam op het gedrag van de verdachte en dat er hulpverlening ingezet zou worden. Gelet op het feit dat de verdachte in [land] woont, is hij onder andere geschorst onder de voorwaarde dat hij moest meewerken aan de begeleiding vanuit [instantie] . Hoewel deze begeleiding/hulpverlening nooit is gestart, is er bij de verdachte desondanks sprake van een positieve ontwikkeling. Zo is hij weer gestart met voetbal en houdt hij zich beter aan regels en afspraken. Er zijn er geen politiecontacten geweest en geen nieuwe zorgen ontstaan. De moeder van de verdachte is betrokken en regelt veel voor de verdachte, waaronder een traject bij de psycholoog. Het is de verdachte niet gelukt om vorig schooljaar zijn diploma te behalen. Recentelijk is de verdachte gestart met een combinatie van school en werk. Het is belangrijk dat de verdachte hierin begeleid wordt, zodat hij gemotiveerd blijft. Ook dient er aandacht te komen voor het versterken van het inzicht in eigen handelen, het kunnen inschatten van situaties en het zich verplaatsen in anderen. Het is daarom van belang dat het traject bij de psycholoog wordt voortgezet, zodat daar aandacht aan kan worden besteed. Aangezien het opzetten van begeleiding vanuit [instantie] niet mogelijk is (geweest) en het inzetten van een gedragsinterventie praktisch gezien niet haalbaar is vanwege het wonen in het buitenland, adviseert de Raad – naast een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het voorarrest – een onvoorwaardelijke werkstraf. Het is daarbij de bedoeling dat deze werkstraf wordt overgedragen aan [land] , zodat de verdachte de werkstraf daar kan uitvoeren. Strafmodaliteit en strafmaat De rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken (recentelijk) onder meer door deze rechtbank zijn opgelegd en heeft daarbij aansluiting gezocht. De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van het feit, zoals hiervoor omschreven. Daarbij weegt de rechtbank ook de mate van de uitgeoefende dwang en de intensiteit van het seksueel binnendringen mee. Verder weegt de rechtbank mee dat de verdachte op de zitting berouw heeft getoond en – in zoverre – heeft erkend dat zijn handelen ongewenst was en dat hij daar spijt van heeft. Ook is het positief dat de verdachte heeft aangegeven open te staan voor herstelbemiddeling, indien en voor zover het slachtoffer hier open voor staat. Gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit, zou een geheel onvoorwaardelijke jeugddetentie in beginsel passend zijn. De rechtbank is echter van oordeel dat de positieve ontwikkeling van de verdachte maakt dat het niet wenselijk is om nog een aanvullende onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen. Op grond van al het voorgaande, in samenhang bezien met de persoon van de verdachte en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde feit is begaan, is de rechtbank van oordeel dat in deze specifieke situatie een jeugddetentie voor de duur van 100 dagen, met aftrek van het voorarrest (40 dagen), waarvan 60 dagen voorwaardelijk in combinatie met een werkstraf van 80 uren een passende straf is. De voorwaardelijke jeugddetentie zal worden opgelegd zodat het belang van respect voor grenzen van anderen bij de verdachte wordt ingescherpt. De verdachte moet zich daarvan bewust zijn, voornamelijk op het gebied van seksualiteit en consent, en het zal direct gevolgen voor hem hebben als hij daarin tekortschiet. Aan het voorwaardelijke deel van de jeugddetentie zal de rechtbank een proeftijd van twee jaren verbinden. 7 De toepasselijke wetsartikelen De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen: 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 243 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden. 8 De beslissing De rechtbank: bewezenverklaring verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.5 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als: gekwalificeerde opzetverkrachting; verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij; verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar; straffen veroordeelt de verdachte tot: een jeugddetentie voor de duur van 100 (HONDERD) DAGEN; beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (40 dagen), bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht; bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 60 (ZESTIG) DAGEN niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; veroordeelt de verdachte voorts tot: een taakstraf , bestaande uit een werkstraf , zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van 80 (TACHTIG) UREN ; beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 40 (VEERTIG) DAGEN ; bepaalt dat de veroordeelde, ook in het geval hij de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, in aanmerking komt voor vervangende jeugddetentie in plaats van vervangende hechtenis; het bevel tot voorlopige hechtenis heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde. Dit vonnis is gewezen door: mr. A.M.A. Keulen, kinderrechter, voorzitter, mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, en mr. T.P Sarneel, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.B.M.A. Roozen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 april 2026. Bijlage I Tekst tenlastelegging Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 2 januari 2025 te 's-Gravenhage met een persoon, te weten [aangeefster] [aangeefster] (geboren op [geboortedatum 2] 2008) een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten - het brengen van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina en/of tussen de schaamlippen van [aangeefster] terwijl hij, verdachte, wist dat bij [aangeefster] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door - [aangeefster] (met kracht) aan haar arm de woning (van [aangeefster] ) in te trekken en/of - de voordeur (daarna) dicht te doen en/of op slot te draaien en/of - [aangeefster] (met kracht) op de bank te duwen en/of - ( vervolgens) met zijn, verdachtes, (boven)lichaam op het (boven)lichaam van [aangeefster] te gaan liggen en/of - ( vervolgens) de joggingbroek en/of de string van [aangeefster] naar beneden te trekken.