Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-06-06
ECLI:NL:RBDHA:2025:9997
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,152 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.22268
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Alkir),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 14 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft op 15 mei 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Awb uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1990. Eiser heeft op 26 maart 2025 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat Zwitserland verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag van eiser. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 10 maart 2025 in Zwitserland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft op 14 april 2025 een terugnameverzoek gestuurd naar de Zwitserse autoriteiten, welke op 16 april 2025 is aanvaard.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Ten aanzien van Zwitserland kan niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan, omdat eiser geen eerlijk proces zal krijgen. Er moet namelijk een geldbedrag van 750 euro worden voldaan tegen een asielbesluit in beroep kan worden gegaan. Eiser beschikt niet over deze financiële middelen, wat leidt tot een schending van artikel 6 van het EVRM. Eiser verwijst ter onderbouwing hiervan naar het AIDA-rapport van 4 juni 2024 over Zwitserland (hierna: AIDA-rapport). Ook is in Zwitserland veel sprake van racisme, discriminatie en vreemdelingenhaat. Ter onderbouwing verwijst eiser naar pagina 8 en 13 van het ‘Report of the Working Group of Expert on People of African Descent on it’s mission to Switserland’ van 4 oktober 2022.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet staat ter discussie dat Zwitserland verantwoordelijk is voor eisers asielaanvraag, omdat hij eerder een asielaanvraag in Zwitserland heeft ingediend en het terugnameverzoek door Zwitserland is aanvaard. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel wordt aangenomen dat Zwitserland daarbij de Europese wet- en regelgeving zal nakomen. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval verweerder daar niet van uit mag gaan. Hier is eiser niet in geslaagd nu hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat er ten aanzien van Zwitserland sprake is van systeemfouten in de asielprocedure of in de opvangvoorzieningen zoals bedoeld in het arrest Jawo. Met het claimakkoord hebben de Zwitserse autoriteiten bovendien gegarandeerd dat eiser de mogelijkheid krijgt om daar een nieuw asielverzoek in te dienen. Er zal dan een individuele beoordeling plaatsvinden van eisers asielaanvraag, met inbegrip van het eventuele risico dat eiser loopt bij terugkeer naar Algerije.
5. Uit het door eiser aangehaalde citaat uit het AIDA-rapport volgt dat de Zwitserse rechtbank een voorschot kan eisen en dat dit vaak gebeurt indien een beroep op het eerste gezicht ongegrond wordt geacht. Ook volgt uit het rapport dat er wettelijke vertegenwoordigers zijn die niet verplicht zijn om dit voorschot te voldoen. Ook bestaan er onder bijzondere voorwaarden mogelijkheden tot vrijstelling van de betalingsverplichting. Mede gelet op deze uitzonderingen wordt daarom niet aangenomen dat sprake is van een schending van het recht op een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 6 EVRM. Eiser heeft daarnaast geen concrete aanknopingspunten aangedragen waaruit volgt dat hij een geldbedrag zal moeten betalen als zijn nieuwe asielaanvraag niet wordt ingewilligd. Er wordt dan ook niet voldaan aan de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid die noodzakelijk is bij het aannemen van een schending van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Indien eiser problemen ervaart na zijn overdracht aan Zwitserland kan hij daarover klagen bij de (hogere) Zwitserse autoriteiten dan wel bij het EHRM. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit voor hem onmogelijk of bij voorbaat zinloos is. Dit geldt ook voor mogelijke problemen die eiser ondervindt ten aanzien van racisme, discriminatie en vreemdelingenhaat in Zwitserland.
6. De asielaanvraag is terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 6 juni 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Algemene wet bestuursrecht.
Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Verordening (EU nr. 604/2013).
Op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening.
Op grond van artikel 18, eerste lid, onder c, van de Dublinverordening.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Met het kenmerk: ECLI:EU:C:2019:218.
Zoals is beschreven in het arrest Jawo van het Hof van Justitie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.
Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.22268
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Alkir),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 14 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft op 15 mei 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Awb uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1990. Eiser heeft op 26 maart 2025 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat Zwitserland verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag van eiser. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 10 maart 2025 in Zwitserland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft op 14 april 2025 een terugnameverzoek gestuurd naar de Zwitserse autoriteiten, welke op 16 april 2025 is aanvaard.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Ten aanzien van Zwitserland kan niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan, omdat eiser geen eerlijk proces zal krijgen. Er moet namelijk een geldbedrag van 750 euro worden voldaan tegen een asielbesluit in beroep kan worden gegaan. Eiser beschikt niet over deze financiële middelen, wat leidt tot een schending van artikel 6 van het EVRM. Eiser verwijst ter onderbouwing hiervan naar het AIDA-rapport van 4 juni 2024 over Zwitserland (hierna: AIDA-rapport). Ook is in Zwitserland veel sprake van racisme, discriminatie en vreemdelingenhaat. Ter onderbouwing verwijst eiser naar pagina 8 en 13 van het ‘Report of the Working Group of Expert on People of African Descent on it’s mission to Switserland’ van 4 oktober 2022.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet staat ter discussie dat Zwitserland verantwoordelijk is voor eisers asielaanvraag, omdat hij eerder een asielaanvraag in Zwitserland heeft ingediend en het terugnameverzoek door Zwitserland is aanvaard. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel wordt aangenomen dat Zwitserland daarbij de Europese wet- en regelgeving zal nakomen. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval verweerder daar niet van uit mag gaan. Hier is eiser niet in geslaagd nu hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat er ten aanzien van Zwitserland sprake is van systeemfouten in de asielprocedure of in de opvangvoorzieningen zoals bedoeld in het arrest Jawo. Met het claimakkoord hebben de Zwitserse autoriteiten bovendien gegarandeerd dat eiser de mogelijkheid krijgt om daar een nieuw asielverzoek in te dienen. Er zal dan een individuele beoordeling plaatsvinden van eisers asielaanvraag, met inbegrip van het eventuele risico dat eiser loopt bij terugkeer naar Algerije.
5. Uit het door eiser aangehaalde citaat uit het AIDA-rapport volgt dat de Zwitserse rechtbank een voorschot kan eisen en dat dit vaak gebeurt indien een beroep op het eerste gezicht ongegrond wordt geacht. Ook volgt uit het rapport dat er wettelijke vertegenwoordigers zijn die niet verplicht zijn om dit voorschot te voldoen. Ook bestaan er onder bijzondere voorwaarden mogelijkheden tot vrijstelling van de betalingsverplichting. Mede gelet op deze uitzonderingen wordt daarom niet aangenomen dat sprake is van een schending van het recht op een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 6 EVRM. Eiser heeft daarnaast geen concrete aanknopingspunten aangedragen waaruit volgt dat hij een geldbedrag zal moeten betalen als zijn nieuwe asielaanvraag niet wordt ingewilligd. Er wordt dan ook niet voldaan aan de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid die noodzakelijk is bij het aannemen van een schending van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Indien eiser problemen ervaart na zijn overdracht aan Zwitserland kan hij daarover klagen bij de (hogere) Zwitserse autoriteiten dan wel bij het EHRM. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit voor hem onmogelijk of bij voorbaat zinloos is. Dit geldt ook voor mogelijke problemen die eiser ondervindt ten aanzien van racisme, discriminatie en vreemdelingenhaat in Zwitserland.
6. De asielaanvraag is terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 6 juni 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Algemene wet bestuursrecht.
Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Verordening (EU nr. 604/2013).
Op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening.
Op grond van artikel 18, eerste lid, onder c, van de Dublinverordening.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Met het kenmerk: ECLI:EU:C:2019:218.
Zoals is beschreven in het arrest Jawo van het Hof van Justitie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.
Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).