Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-12
ECLI:NL:RBDHA:2025:9775
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,546 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/680423 / JE RK 25-286
Datum uitspraak: 12 maart 2025
Beschikking van de kinderrechter
Bekrachtiging schriftelijke aanwijzing
in de zaak van:
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over:
[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in Tegelen,
[minderjarige]
.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 18 februari 2025, mee in de beoordeling:
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 maart 2025. Daarbij waren aanwezig:
- [minderjarige] ;
- [naam] , namens de gecertificeerde instelling.
1.3.
De vader en de moeder zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader en de moeder wel juist zijn opgeroepen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] uitgenodigd voor een kindgesprek op 11 maart 2025. [minderjarige] is niet verschenen tijdens het kindgesprek, maar wel tijdens de zitting op 12 maart 2025. [minderjarige] heeft aangegeven geen behoefte te hebben aan een kindgesprek voorafgaand aan de zitting.
[minderjarige] aanmerken als belanghebbende
1.5.
De kinderrechter constateert dat [minderjarige] in de onderhavige procedure niet is aangemerkt als belanghebbende. De kinderrechter is echter van oordeel dat [minderjarige] als belanghebbende in deze procedure moet worden aangemerkt. De schriftelijke aanwijzing is immers enkel gericht aan [minderjarige] . Deze zaak heeft dus rechtstreeks betrekking op de rechten en of verplichtingen van [minderjarige] , zoals bedoel in artikel 798 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Feiten
2.1.
Het huwelijk van de ouders is door echtscheiding ontbonden.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.3.
[minderjarige] verblijft bij [instelling 1] .
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 18 december 2024 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 5 januari 2026.
2.5.
De gecertificeerde instelling heeft op 26 november 2024 een schriftelijke aanwijzing gegeven aan [minderjarige] betreffende zijn verzorging en opvoeding. In deze schriftelijke aanwijzing is het volgende opgenomen:
Je dient vier dagen naar school te gaan en het onderwijs te volgen;
Je zet je in voor het traject School2Care;
Je dient iedere ochtend op tijd op te staan en in de taxi mee te gaan naar school;
Je dient iedere schooldag af te maken en met de taxi weer mee terug te gaan naar de groep;
Je houdt je aan alle groespregels van [instelling 1] en je houdt je aan alle afspraken die jij individueel maakt met je begeleiding;
Zonder overleg ga je niet van het terrein van [instelling 1] ;
Je blijft in contact met groepsleiding als je van het terrein af mag of (bent);
Je luistert naar instructies van de groepsleiding.
3Het verzoek van de gecertificeerde instelling
3.1.
De gecertificeerde instelling heeft bekrachtiging van voornoemde schriftelijke aanwijzing verzocht.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. Er zijn al langere tijd zorgen over de schoolgang van [minderjarige] , zijn veelvuldige wegloopgedrag en zijn veiligheid. Deze zorgen zijn sinds de overplaatsing van [minderjarige] van [instelling 2] naar [instelling 1] niet weggenomen. [minderjarige] heeft sinds zijn overplaatsing moeten wennen aan de nieuwe groepsstructuur en de begeleiding. Verder voelt [minderjarige] zich mogelijk niet gezien en gehoord door de ouders. In september en oktober 2024 is [minderjarige] twee keer een week vermist geweest. Het is tot op heden onduidelijk met wie en waar [minderjarige] in deze periode heeft verbleven. Wel heeft [minderjarige] aangegeven in deze periodes meerdere strafbare feiten te hebben gepleegd, waaronder zwartrijden, wegrennen van de politie en eten stelen in winkels. Ook zou [minderjarige] in deze periode geld hebben gevraagd aan vreemden en hebben geblowd en gevaped. Bij terugkomst was [minderjarige] sterk vermagerd. Om de veiligheid en gezondheid van [minderjarige] te kunnen waarborgen heeft de gecertificeerde instelling besloten afspraken met [minderjarige] te maken en deze neer te leggen in een schriftelijke aanwijzing. Ook dit heeft echter niet geleid tot het verminderen van de zorgen. Ondanks de veelvuldige waarschuwingen, bleef [minderjarige] zich niet aan de gemaakte afspraken houden en kwam nog regelmatig in aanraking met de politie. [minderjarige] ziet onvoldoende de consequenties van zijn gedrag in en wordt beïnvloed door het netwerk waarin hij zich begeeft. Wanneer met [minderjarige] gesprekken worden gevoerd, laat hij sociaal wenselijk gedrag zien en geeft hij aan dat hij zijn best gaat doen. In de praktijk lukt het [minderjarige] vervolgens niet om zich aan de afspraken te houden. Tijdens de zitting heeft de gecertificeerde instelling aangevuld dat [minderjarige] zich sinds 18 februari 2025 beter aan de afspraken houdt. Over het algemeen staat [minderjarige] op tijd op en gaat hij naar Westcoaching, dat tijdelijk als vervanging voor School2Care is ingezet. De gecertificeerde instelling ziet op grond van het verleden echter een terugkerend patroon bij [minderjarige] waarin hij zich een bepaalde periode meewerkend opstelt en vervolgens weer een periode heeft waarin hij terugvalt in oud gedrag. De gecertificeerde instelling hoopt dat [minderjarige] de sinds kort ingezette positieve lijn blijft voortzetten.
4Het standpunt van [minderjarige]
4.1.
heeft ter zitting aangegeven te begrijpen dat hij zich aan de afspraken moet houden die zijn opgesomd in de schriftelijke aanwijzing van 26 november 2024. [minderjarige] erkent desgevraagd dat het een periode minder goed ging met hem. In de periodes dat [minderjarige] niet op de groep was, verbleef hij bij een vriend in [plaats] , waar hij veel sportte en voldoende at. Nu gaat het beter met [minderjarige] en het lukt hem om zich aan de afspraken van de groepsleiding te houden en naar school te gaan.
Beoordeling
Wettelijk kader
5.1.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:263, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW) kan de gecertificeerde instelling ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De gecertificeerde instelling kan dit doen indien de met het gezag belaste ouder(s) of de minderjarige niet instemmen met, dan wel niet of onvoldoende medewerking verlenen aan de uitvoering van het plan, bedoeld in artikel 4.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet of indien dit noodzakelijk is teneinde de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen.
5.2.
Op grond van artikel 1:263, tweede lid, BW volgen de met het gezag belaste ouder(s) of de minderjarige een schriftelijke aanwijzing op. Ingevolge het derde lid kan de gecertificeerde instelling de kinderrechter verzoeken een schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen.
Ontvankelijkheid van het verzoek
5.3.
De kinderrechter moet allereerst beoordelen of de gecertificeerde instelling ontvankelijk is in haar verzoek. De gecertificeerde instelling heeft [minderjarige] op 26 november 2024 een schriftelijke aanwijzing gestuurd en heeft op 18 februari 2025 het verzoek tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing bij de rechtbank ingediend. Er zit minimaal twee weken tussen het geven van de schriftelijke aanwijzing aan [minderjarige] en het indienen van het verzoek bekrachtiging schriftelijke aanwijzing. De kinderrechter concludeert op grond hiervan dat de gecertificeerde instelling ontvankelijk is in haar verzoek.
Beoordeling
5.4.
Vervolgens moet de kinderrechter toetsen of de gecertifieerde instelling de schriftelijk aanwijzing aan [minderjarige] heeft mogen geven. De kinderrechter vindt dat de schriftelijke aanwijzing van 26 november 2024 valt binnen de uitvoering van de taak van de gecertificeerde instelling en dat deze de verzorging en opvoeding van [minderjarige] betreft. Verder is de schriftelijke aanwijzing noodzakelijk om de concrete bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] weg te nemen. De kinderrechter oordeelt daarom dat de schriftelijke aanwijzing van 26 november 2024 bekrachtigd moet worden en legt dit als volgt uit.
5.5.
[minderjarige] heeft in de zomer van 2024 moeite gehad met het “landen” op de nieuwe groep waarnaar hij overgeplaatst is. De turbulente overgang heeft veel losgemaakt bij [minderjarige] , waardoor hij moeite heeft gehad om zich aan de regels op de groep te houden. In september en oktober 2024 is [minderjarige] een week lang vermist geweest. De groep maakte zich in die periode ernstige zorgen over zijn gezondheid en veiligheid. Bij terugkomst is [minderjarige] eerlijk geweest over de strafbare feiten die hij in de periode heeft begaan. Dit allemaal bij elkaar maakt dat de groep samen met [minderjarige] afspraken heeft gemaakt om ervoor te zorgen dat [minderjarige] veilig en gezond blijft. Deze afspraken zijn neergelegd in een schriftelijke aanwijzing. Ondanks dat deze afspraken zijn neergelegd in een schriftelijke aanwijzing en [minderjarige] meerdere waarschuwingen heeft gekregen, is het [minderjarige] toch niet gelukt om zich aan deze afspraken te houden. Dit vindt de kinderrechter -met de groepsleiding en de jeugdbeschermer- erg zorgelijk. De gecertifieerde instelling heeft ter zitting aangegeven dat er sinds 18 februari 2025 een positieve groei te zien is bij [minderjarige] . Het verzoek van de gecertificeerde instelling, waarin zij verzoekt om bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing, lijkt in positieve zin iets teweeg te hebben gebracht bij [minderjarige] .
5.6.
Het bovenstaande maakt ook dat de kinderrechter van mening is dat het aangewezen is de schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen. [minderjarige] moet de noodzaak gaan inzien dat hij zich aan de afspraken moet houden om zijn veiligheid en gezondheid te kunnen waarborgen. Het nakomen van de afspraken is ook nodig voor [minderjarige] om goed tot ontwikkeling te kunnen komen, in het bijzonder de afspraken om (op tijd) naar school te gaan en zich in te zetten voor School2Care, en om te voorkomen dat [minderjarige] opnieuw in aanraking komt met de politie. Het is positief dat [minderjarige] zich sinds kort aan de afspraken houdt, maar het is belangrijk dat [minderjarige] zich hier ook daadwerkelijk aan blijft houden.
5.7.
De kinderrechter zal het verzoek tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing van 26 november 2024 dan ook toewijzen. Dat betekent dat de kinderrechter het eens is met de afspraken die in de schriftelijke aanwijzing staan en dat [minderjarige] zich daaraan moet houden. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter opgemerkt dat de afspraken die zijn neergelegd in de schriftelijke aanwijzing niet per onderwerp gerangschikt zijn. De kinderrechter ziet daarom aanleiding de afspraken per onderwerp te ordenen. De afspraken waaraan [minderjarige] zich moet houden zijn dus de volgende:
je dient vier dagen naar school te gaan en het onderwijs te volgen;
je dient iedere ochtend op tijd op te staan en in de taxi mee te gaan naar school;
je dient iedere schooldag af te maken en met de taxi weer mee terug te gaan naar je groep;
je zet je in voor het traject School2Care (en/of Westcoaching);
je houdt je aan alle groespregels van [instelling 1] en je houdt je aan alle afspraken die jij individueel maakt met je begeleiding;
je luistert naar instructies van de groepsleiding;
zonder overleg ga je niet van het terrein van [instelling 1] ;
je blijft in contact met groepsleiding als je van het terrein af mag of (bent).
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
bekrachtigt de schriftelijke aanwijzing van 26 november 2024, in die zin dat de afspraken luiden als volgt:
je dient vier dagen naar school te gaan en het onderwijs te volgen;
je dient iedere ochtend op tijd op te staan en in de taxi mee te gaan naar school;
je dient iedere schooldag af te maken en met de taxi weer mee terug te gaan naar de groep;
je zet je in voor het traject School2Care (en/of Westcoaching);
je houdt je aan alle groespregels van [instelling 1] en je houdt je aan alle afspraken die jij individueel maakt met je begeleiding;
je luistert naar instructies van de groepsleiding;
zonder overleg ga je niet van het terrein van [instelling 1] ;
je blijft in contact met groepsleiding als je van het terrein af mag of (bent).
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2025 door mr. D.G.J. Dop, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. D.W.E. van Reisen als griffier.
De schriftelijke uitwerking is vastgesteld op 3 april 2025.
Ingevolge artikel 807 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering staat tegen deze beslissing geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet.
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/680423 / JE RK 25-286
Datum uitspraak: 12 maart 2025
Beschikking van de kinderrechter
Bekrachtiging schriftelijke aanwijzing
in de zaak van:
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over:
[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in Tegelen,
[minderjarige]
.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 18 februari 2025, mee in de beoordeling:
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 maart 2025. Daarbij waren aanwezig:
- [minderjarige] ;
- [naam] , namens de gecertificeerde instelling.
1.3.
De vader en de moeder zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader en de moeder wel juist zijn opgeroepen.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] uitgenodigd voor een kindgesprek op 11 maart 2025. [minderjarige] is niet verschenen tijdens het kindgesprek, maar wel tijdens de zitting op 12 maart 2025. [minderjarige] heeft aangegeven geen behoefte te hebben aan een kindgesprek voorafgaand aan de zitting.
[minderjarige] aanmerken als belanghebbende
1.5.
De kinderrechter constateert dat [minderjarige] in de onderhavige procedure niet is aangemerkt als belanghebbende. De kinderrechter is echter van oordeel dat [minderjarige] als belanghebbende in deze procedure moet worden aangemerkt. De schriftelijke aanwijzing is immers enkel gericht aan [minderjarige] . Deze zaak heeft dus rechtstreeks betrekking op de rechten en of verplichtingen van [minderjarige] , zoals bedoel in artikel 798 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Feiten
2.1.
Het huwelijk van de ouders is door echtscheiding ontbonden.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.3.
[minderjarige] verblijft bij [instelling 1] .
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 18 december 2024 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 5 januari 2026.
2.5.
De gecertificeerde instelling heeft op 26 november 2024 een schriftelijke aanwijzing gegeven aan [minderjarige] betreffende zijn verzorging en opvoeding. In deze schriftelijke aanwijzing is het volgende opgenomen:
Je dient vier dagen naar school te gaan en het onderwijs te volgen;
Je zet je in voor het traject School2Care;
Je dient iedere ochtend op tijd op te staan en in de taxi mee te gaan naar school;
Je dient iedere schooldag af te maken en met de taxi weer mee terug te gaan naar de groep;
Je houdt je aan alle groespregels van [instelling 1] en je houdt je aan alle afspraken die jij individueel maakt met je begeleiding;
Zonder overleg ga je niet van het terrein van [instelling 1] ;
Je blijft in contact met groepsleiding als je van het terrein af mag of (bent);
Je luistert naar instructies van de groepsleiding.
3Het verzoek van de gecertificeerde instelling
3.1.
De gecertificeerde instelling heeft bekrachtiging van voornoemde schriftelijke aanwijzing verzocht.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. Er zijn al langere tijd zorgen over de schoolgang van [minderjarige] , zijn veelvuldige wegloopgedrag en zijn veiligheid. Deze zorgen zijn sinds de overplaatsing van [minderjarige] van [instelling 2] naar [instelling 1] niet weggenomen. [minderjarige] heeft sinds zijn overplaatsing moeten wennen aan de nieuwe groepsstructuur en de begeleiding. Verder voelt [minderjarige] zich mogelijk niet gezien en gehoord door de ouders. In september en oktober 2024 is [minderjarige] twee keer een week vermist geweest. Het is tot op heden onduidelijk met wie en waar [minderjarige] in deze periode heeft verbleven. Wel heeft [minderjarige] aangegeven in deze periodes meerdere strafbare feiten te hebben gepleegd, waaronder zwartrijden, wegrennen van de politie en eten stelen in winkels. Ook zou [minderjarige] in deze periode geld hebben gevraagd aan vreemden en hebben geblowd en gevaped. Bij terugkomst was [minderjarige] sterk vermagerd. Om de veiligheid en gezondheid van [minderjarige] te kunnen waarborgen heeft de gecertificeerde instelling besloten afspraken met [minderjarige] te maken en deze neer te leggen in een schriftelijke aanwijzing. Ook dit heeft echter niet geleid tot het verminderen van de zorgen. Ondanks de veelvuldige waarschuwingen, bleef [minderjarige] zich niet aan de gemaakte afspraken houden en kwam nog regelmatig in aanraking met de politie. [minderjarige] ziet onvoldoende de consequenties van zijn gedrag in en wordt beïnvloed door het netwerk waarin hij zich begeeft. Wanneer met [minderjarige] gesprekken worden gevoerd, laat hij sociaal wenselijk gedrag zien en geeft hij aan dat hij zijn best gaat doen. In de praktijk lukt het [minderjarige] vervolgens niet om zich aan de afspraken te houden. Tijdens de zitting heeft de gecertificeerde instelling aangevuld dat [minderjarige] zich sinds 18 februari 2025 beter aan de afspraken houdt. Over het algemeen staat [minderjarige] op tijd op en gaat hij naar Westcoaching, dat tijdelijk als vervanging voor School2Care is ingezet. De gecertificeerde instelling ziet op grond van het verleden echter een terugkerend patroon bij [minderjarige] waarin hij zich een bepaalde periode meewerkend opstelt en vervolgens weer een periode heeft waarin hij terugvalt in oud gedrag. De gecertificeerde instelling hoopt dat [minderjarige] de sinds kort ingezette positieve lijn blijft voortzetten.
4Het standpunt van [minderjarige]
4.1.
heeft ter zitting aangegeven te begrijpen dat hij zich aan de afspraken moet houden die zijn opgesomd in de schriftelijke aanwijzing van 26 november 2024. [minderjarige] erkent desgevraagd dat het een periode minder goed ging met hem. In de periodes dat [minderjarige] niet op de groep was, verbleef hij bij een vriend in [plaats] , waar hij veel sportte en voldoende at. Nu gaat het beter met [minderjarige] en het lukt hem om zich aan de afspraken van de groepsleiding te houden en naar school te gaan.
Beoordeling
Wettelijk kader
5.1.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:263, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW) kan de gecertificeerde instelling ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De gecertificeerde instelling kan dit doen indien de met het gezag belaste ouder(s) of de minderjarige niet instemmen met, dan wel niet of onvoldoende medewerking verlenen aan de uitvoering van het plan, bedoeld in artikel 4.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet of indien dit noodzakelijk is teneinde de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen.
5.2.
Op grond van artikel 1:263, tweede lid, BW volgen de met het gezag belaste ouder(s) of de minderjarige een schriftelijke aanwijzing op. Ingevolge het derde lid kan de gecertificeerde instelling de kinderrechter verzoeken een schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen.
Ontvankelijkheid van het verzoek
5.3.
De kinderrechter moet allereerst beoordelen of de gecertificeerde instelling ontvankelijk is in haar verzoek. De gecertificeerde instelling heeft [minderjarige] op 26 november 2024 een schriftelijke aanwijzing gestuurd en heeft op 18 februari 2025 het verzoek tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing bij de rechtbank ingediend. Er zit minimaal twee weken tussen het geven van de schriftelijke aanwijzing aan [minderjarige] en het indienen van het verzoek bekrachtiging schriftelijke aanwijzing. De kinderrechter concludeert op grond hiervan dat de gecertificeerde instelling ontvankelijk is in haar verzoek.
Beoordeling
5.4.
Vervolgens moet de kinderrechter toetsen of de gecertifieerde instelling de schriftelijk aanwijzing aan [minderjarige] heeft mogen geven. De kinderrechter vindt dat de schriftelijke aanwijzing van 26 november 2024 valt binnen de uitvoering van de taak van de gecertificeerde instelling en dat deze de verzorging en opvoeding van [minderjarige] betreft. Verder is de schriftelijke aanwijzing noodzakelijk om de concrete bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] weg te nemen. De kinderrechter oordeelt daarom dat de schriftelijke aanwijzing van 26 november 2024 bekrachtigd moet worden en legt dit als volgt uit.
5.5.
[minderjarige] heeft in de zomer van 2024 moeite gehad met het “landen” op de nieuwe groep waarnaar hij overgeplaatst is. De turbulente overgang heeft veel losgemaakt bij [minderjarige] , waardoor hij moeite heeft gehad om zich aan de regels op de groep te houden. In september en oktober 2024 is [minderjarige] een week lang vermist geweest. De groep maakte zich in die periode ernstige zorgen over zijn gezondheid en veiligheid. Bij terugkomst is [minderjarige] eerlijk geweest over de strafbare feiten die hij in de periode heeft begaan. Dit allemaal bij elkaar maakt dat de groep samen met [minderjarige] afspraken heeft gemaakt om ervoor te zorgen dat [minderjarige] veilig en gezond blijft. Deze afspraken zijn neergelegd in een schriftelijke aanwijzing. Ondanks dat deze afspraken zijn neergelegd in een schriftelijke aanwijzing en [minderjarige] meerdere waarschuwingen heeft gekregen, is het [minderjarige] toch niet gelukt om zich aan deze afspraken te houden. Dit vindt de kinderrechter -met de groepsleiding en de jeugdbeschermer- erg zorgelijk. De gecertifieerde instelling heeft ter zitting aangegeven dat er sinds 18 februari 2025 een positieve groei te zien is bij [minderjarige] . Het verzoek van de gecertificeerde instelling, waarin zij verzoekt om bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing, lijkt in positieve zin iets teweeg te hebben gebracht bij [minderjarige] .
5.6.
Het bovenstaande maakt ook dat de kinderrechter van mening is dat het aangewezen is de schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen. [minderjarige] moet de noodzaak gaan inzien dat hij zich aan de afspraken moet houden om zijn veiligheid en gezondheid te kunnen waarborgen. Het nakomen van de afspraken is ook nodig voor [minderjarige] om goed tot ontwikkeling te kunnen komen, in het bijzonder de afspraken om (op tijd) naar school te gaan en zich in te zetten voor School2Care, en om te voorkomen dat [minderjarige] opnieuw in aanraking komt met de politie. Het is positief dat [minderjarige] zich sinds kort aan de afspraken houdt, maar het is belangrijk dat [minderjarige] zich hier ook daadwerkelijk aan blijft houden.
5.7.
De kinderrechter zal het verzoek tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing van 26 november 2024 dan ook toewijzen. Dat betekent dat de kinderrechter het eens is met de afspraken die in de schriftelijke aanwijzing staan en dat [minderjarige] zich daaraan moet houden. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter opgemerkt dat de afspraken die zijn neergelegd in de schriftelijke aanwijzing niet per onderwerp gerangschikt zijn. De kinderrechter ziet daarom aanleiding de afspraken per onderwerp te ordenen. De afspraken waaraan [minderjarige] zich moet houden zijn dus de volgende:
je dient vier dagen naar school te gaan en het onderwijs te volgen;
je dient iedere ochtend op tijd op te staan en in de taxi mee te gaan naar school;
je dient iedere schooldag af te maken en met de taxi weer mee terug te gaan naar je groep;
je zet je in voor het traject School2Care (en/of Westcoaching);
je houdt je aan alle groespregels van [instelling 1] en je houdt je aan alle afspraken die jij individueel maakt met je begeleiding;
je luistert naar instructies van de groepsleiding;
zonder overleg ga je niet van het terrein van [instelling 1] ;
je blijft in contact met groepsleiding als je van het terrein af mag of (bent).
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
bekrachtigt de schriftelijke aanwijzing van 26 november 2024, in die zin dat de afspraken luiden als volgt:
je dient vier dagen naar school te gaan en het onderwijs te volgen;
je dient iedere ochtend op tijd op te staan en in de taxi mee te gaan naar school;
je dient iedere schooldag af te maken en met de taxi weer mee terug te gaan naar de groep;
je zet je in voor het traject School2Care (en/of Westcoaching);
je houdt je aan alle groespregels van [instelling 1] en je houdt je aan alle afspraken die jij individueel maakt met je begeleiding;
je luistert naar instructies van de groepsleiding;
zonder overleg ga je niet van het terrein van [instelling 1] ;
je blijft in contact met groepsleiding als je van het terrein af mag of (bent).
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2025 door mr. D.G.J. Dop, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. D.W.E. van Reisen als griffier.
De schriftelijke uitwerking is vastgesteld op 3 april 2025.
Ingevolge artikel 807 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering staat tegen deze beslissing geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet.