Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-07
ECLI:NL:RBDHA:2025:9735
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,686 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/7561
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 maart 2025 in de zaak tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedatum] 1996, van Indonesische nationaliteit, eiser
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J.R. Sotthewes – de Jonge).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn visumaanvraag voor kort verblijf.
1.1.
Verweerder heeft de aanvraag met het besluit van 9 februari 2024 afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar ingesteld. Vanwege het uitblijven van een beslissing heeft eiser op 13 april 2024 een ingebrekestelling verstuurd en op 26 april 2024 een beroep niet tijdig ingesteld. Op 11 juni 2024 heeft verweerder een beslissing op bezwaar genomen (het bestreden besluit) en het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.
1.2.
De rechtbank heeft de zaak op 6 februari 2025 op een zitting behandeld. Hierbij was eiser digitaal aanwezig, bijgestaan door een tolk in de taal Engels. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
2. Eiser heeft een visum aangevraagd voor multiple entry. Eiser had een trip gepland naar Groot-Brittannië voor 8 dagen (21 t/m 29 februari 2024) en wilde vanuit Groot-Brittannië gedurende 3 dagen (25 t/m 27 februari 2024) Nederland bezoeken. Eiser heeft als doel toerisme en vriendenbezoek vermeld. Eiser heeft verder bij zijn aanvraag vermeld dat hij 5 jaar geleden vrienden uit Nederland heeft ontmoet met wie hij altijd contact heeft gehouden en die hij wil gaan bezoeken. Eiser was al in het bezit van een visum voor Groot-Brittannië. Bij zijn aanvraag heeft eiser de volgende documenten verstrekt:
- een reservering voor [hotel] in Amsterdam;
- retourtickets van Bali naar London en retourtickets van London naar Amsterdam;
- 2 salarisspecificaties die zien op december 2023 ($ 673,12 + $843,70);
- bankafschriften die zien op november 2023 t/m januari 2024.
3. Verweerder heeft met het primaire besluit de aanvraag van eiser afgewezen. Het visum wordt geweigerd op grond van artikel 32 van de Visumcode op drie afwijzingsgronden. Volgens verweerder heeft eiser het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet aangetoond of aannemelijk gemaakt. Eiser heeft verder niet aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken, zowel voor de duur van zijn verblijf als voor zijn terug- dan wel doorreis. Tot slot is volgens verweerder de sociale en economische binding met het land van herkomst onvoldoende aangetoond waardoor er redelijke twijfel bestaat dat eiser tijdig zal terugkeren naar Indonesië.
4. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard. Verweerder handhaaft twee afwijzingsgronden uit het primaire besluit, maar laat de grond die ziet op het hebben van voldoende middelen vallen. Volgens verweerder zijn de verblijfsomstandigheden niet aangetoond omdat gebleken is dat eiser zijn hotelreservering heeft geannuleerd na het primaire besluit zonder een nieuwe over te leggen in bezwaar. Reeds hierom bestaan er bezwaren tegen de afgifte van een visum voor kort verblijf. Verder heeft eiser niet aangetoond wat hij tijdens zijn verblijf in Nederland wilde gaan doen en zien. Er is geen concreet reisplan overgelegd dan wel enigszins gespecificeerd wat of wie hij wilde gaan bezoeken in Nederland. Het had op de weg van eiser gelegen om het reisdoel nader te onderbouwen. Volgens verweerder is daarom sprake van een niet geloofwaardig reisdoel en wordt alleen al daarom afgezien van een visumafgifte. De ingebrekestelling is volgens verweerder niet geldig, omdat de wettelijke beslistermijn nog niet verstreken was.
5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert samengevat het volgende aan. Verweerder heeft te laat beslist. De beslistermijn is nooit kenbaar verlengd en daarbij had verweerder binnen 2 keer 6 weken moeten beslissen. Eiser voert aan voldoende aannemelijk te hebben gemaakt dat hij wel tijdig zou terugkeren naar Indonesië met de financiële stukken met betrekking tot eigendom van activa, huis en grond. Dit ziet op lange termijn verbintenissen en getuigt van de intentie om zich permanent in Indonesië te vestigen. Verder blijkt de intentie om terug te keren uit het feit dat de gehele familie van eiser in Indonesië is, zijn voorkeur om te werken vanuit Indonesië, en de geboekte en niet restitueerbare vliegtickets voor de retourvlucht naar Indonesië. Eiser heeft zijn hotelreservering geannuleerd na de afwijzing van zijn visum, omdat zijn verblijf al twee weken na het primaire besluit zou plaatsvinden en onduidelijk was hoe lang de bezwaarprocedure zou duren. Verder geeft eiser aan dat tijdens zijn aanvraag de omvang van de vereiste informatie duidelijk was. Zijn doel was bezoek aan vrienden en eiser heeft accommodatie en tickets overgelegd. Eiser was van plan om als toerist door de stad te wandelen, foto’s te maken, naar cafés te gaan en met zijn Nederlandse vrienden rond te hangen. Als verweerder meer informatie over eisers bezoek had willen hebben, dan mocht worden verwacht dat verweerder hierom zou vragen in plaats van direct de aanvraag af te wijzen. Tot slot verzoekt eiser om schadevergoeding voor de kosten die zijn gemaakt in het kader van de procedure, de vliegtickets tussen London en Amsterdam en een vergoeding voor al het ongemak van de bestede tijd, opgenomen vakantiedagen en administratieve lasten.
6. Verweerder stelt in het verweerschrift hier tegenover dat eiser jong en ongehuwd is, geen kinderen heeft of andere familieleden waar hij de zorg voor heeft en dus geen sociale binding die noopt tot tijdige terugkeer. Ook werpt verweerder eiser tegen dat hij bij de aanvraag heeft aangegeven dat hij voor de Ramadan terug wilde zijn in Indonesië, maar dat komt niet overeen met zijn brief in het kader van zijn beroep niet tijdig, ingediend hangende de bezwaarprocedure, waarin staat dat eiser tot 29 maart in Groot-Brittannië was terwijl de Ramadan op 10 maart is aangevangen. Verweerder laat het punt dat eiser de ontvangst van zijn salaris niet heeft aangetoond vallen, maar blijft bij zijn standpunt dat een economische binding met Indonesië niet is aangetoond. Eiser heeft namelijk aangegeven niet gebonden te zijn aan een vaste werkplek in Indonesië en het bezit van eiser in Indonesië kan ook door een derde voor hem worden beheerd of worden verkocht.
Beoordeling
Heeft verweerder de hoorplicht geschonden?
7. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder hem om nadere informatie had moeten vragen in plaats van het bezwaar kennelijk ongegrond te verklaren. De rechtbank vat dit op als een beroep op de hoorplicht op grond van artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, Awb kan verweerder van het horen afzien indien er, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand in redelijkheid geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft op 6 juli 2022 een uitspraak gedaan over de hoorplicht in vreemdelingenzaken. Daaruit volgt dat het uitgangspunt is dat een vreemdeling wordt gehoord in bezwaar. Dit uitgangspunt geldt te meer in zaken waarin er beoordelingsruimte is en de beslissing sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. De vraag of van een gehoor kan worden afgezien, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Met deze uitzondering op de hoorplicht moet terughoudend worden omgegaan, zo volgt uit de uitspraak van 6 juli 2022. Als relevante omstandigheid heeft de Afdeling onder meer genoemd de mate waarin een vreemdeling bereidwillig en actief de inspanningen heeft verricht die redelijkerwijs van hem verwacht kunnen worden bij het verkrijgen en tijdig aanleveren van de verzochte informatie. De vuistregel is dat naarmate een vreemdeling meer inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover heeft gecommuniceerd, het meer in de rede ligt om hem uit te nodigen voor een hoorzitting.
7.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser zich actief heeft ingespannen om het doel en de verblijfsomstandigheden van zijn verblijf nader toe te lichten en te onderbouwen. Eiser heeft een uitgebreide aanvraag ingediend waarin hij het doel van zijn reis uitlegt, vliegtickets overgelegd alsmede een hotelreservering, bankgegevens, salarisspecificaties en een verzekering. Verder werpt verweerder ten onrechte aan eiser tegen dat hij zijn hotelreservering heeft geannuleerd na het primaire besluit. Eiser heeft zijn reservering geannuleerd op 18 februari 2024, 9 dagen nadat verweerder zijn aanvraag had afgewezen en hiertegen bezwaar had ingesteld, alsmede 7 dagen voordat hij naar Nederland zou afreizen. Het eisen dat eiser ten behoeve van de bezwaarprocedure een nieuwe reservering zou indienen is niet redelijk gelet op de onduidelijkheid hoe lang die procedure zou duren, te meer nu hem geen beslistermijn is meegedeeld. Het besluit is op dit punt gebrekkig gemotiveerd.
7.2.
Ook heeft eiser zich naar het oordeel van de rechtbank actief ingespannen om zijn sociale en economische situatie en de daarmee gepaarde binding met Indonesië nader toe te lichten. Eiser heeft bij zijn aanvraag vermeld niet gebonden te zijn aan een vaste werkplek, maar terug te willen zijn in Indonesië voor de Ramadan om deze tijd met zijn familie door te brengen. In de bezwaarfase heeft eiser toegelicht dat al zijn familie in Indonesië woont en dat hij een sterke band met hen heeft. Ook heeft eiser eigendomsbewijzen overgelegd van grond, activa, een woning en een auto waaruit volgens eiser lange termijn verplichtingen in Indonesië en een intentie tot terugkeer blijkt. Daarnaast heeft eiser informatie verstrekt met betrekking tot zijn werk. Tot slot heeft eiser gemotiveerd gesteld dat hij vaak contact heeft gezocht met verweerder over zijn aanvraag.
7.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet af kunnen zien van horen.
De stelling van verweerder dat het voor eiser na het primaire besluit duidelijk was welke informatie miste, volgt de rechtbank niet. Zoals hierboven overwogen heeft eiser een heleboel informatie verstrekt. Voor zover er volgens verweerder nog onduidelijkheden waren over het reisplan, lag het op de weg van verweerder om eiser daarover te horen en kan niet worden gesproken van een kennelijk ongegrond bezwaar.
7.4.
Verder heeft verweerder niet aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij per abuis in een brief heeft geschreven dat hij in maart 2024 is teruggekeerd naar Indonesië. Zoals eiser op de zitting heeft toegelicht is duidelijk sprake van een vergissing. Eiser is op 29 februari teruggekeerd naar Indonesië om met zijn familie te zijn tijdens Ramadan, zoals eiser heeft vermeld bij de aanvraag en wat ook blijkt uit de vliegtickets. Ook lijkt een belangrijk punt voor verweerder te zijn dat eiser bij de aanvraag heeft vermeld niet gebonden te zijn aan een vaste werkplek en daarom multiple entry aanvraagt. In dit kader had het ook op de weg van verweerder gelegen om hierover meer duidelijkheid te krijgen bij eiser. Op de zitting heeft eiser toegelicht hij inderdaad niet verplicht is om te werken vanuit Nederland, echter dat hij wel verplicht is om te werken van 9 tot 5 in de Indonesische tijdzone.
7.5.
Het beroep van eiser is gegrond, omdat in de bezwaarfase ten onrechte geen gehoor heeft plaatsgevonden. Wat eiser verder heeft aangevoerd behoeft daarom nu geen bespreking meer. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen naar aanleiding van het door eiser ingestelde bezwaar. Omdat de onrechtmatigheid van het primaire besluit niet vast staat wijst de rechtbank het verzoek van eiser tot vergoeding van schade af.
Heeft eiser recht op een bestuurlijke dwangsom?
8.1.
Eiser voert aan dat hij recht heeft op een bestuurlijke dwangsom omdat verweerder niet tijdig heeft besloten op het bezwaar. De rechtbank volgt eiser hier in. Eiser heeft op9 februari 2024 een bezwaarschrift ingediend. Op 13 april 2024 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld. Tussen partijen is inmiddels niet meer in geschil dat het bestreden besluit te laat is genomen. Anders dan verweerder meent is de rechtbank van oordeel dat artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder c, van de Awb niet van toepassing is, omdat verweerder gelet op het voorgaande het bezwaar ten onrechte kennelijk ongegrond heeft verklaard. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden.
8.2.
Verweerder heeft de hoogte van de dwangsom nog niet vastgesteld. De rechtbank zal verweerder opdragen in het nieuw te nemen besluit het bedrag van de dwangsom vast te stellen met inachtneming van hetgeen hiervoor is vermeld.
Conclusie
9. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit omdat het is genomen in strijd met artikel 7:2 van de Awb. Dit betekent dat verweerder eiser en/of referent alsnog moet horen en het bezwaar daarna opnieuw moet beoordelen. De rechtbank ziet daarom geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. De rechtbank zal daarom verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.L. van Egmond, griffier.
Dictum
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen de uitspraak op het beroep kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening. Tegen de uitspraak op het verzoek staat geen hoger beroep open.
ECLI:NL:RVS:2022:1918.
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/7561
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 maart 2025 in de zaak tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedatum] 1996, van Indonesische nationaliteit, eiser
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J.R. Sotthewes – de Jonge).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn visumaanvraag voor kort verblijf.
1.1.
Verweerder heeft de aanvraag met het besluit van 9 februari 2024 afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar ingesteld. Vanwege het uitblijven van een beslissing heeft eiser op 13 april 2024 een ingebrekestelling verstuurd en op 26 april 2024 een beroep niet tijdig ingesteld. Op 11 juni 2024 heeft verweerder een beslissing op bezwaar genomen (het bestreden besluit) en het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.
1.2.
De rechtbank heeft de zaak op 6 februari 2025 op een zitting behandeld. Hierbij was eiser digitaal aanwezig, bijgestaan door een tolk in de taal Engels. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
2. Eiser heeft een visum aangevraagd voor multiple entry. Eiser had een trip gepland naar Groot-Brittannië voor 8 dagen (21 t/m 29 februari 2024) en wilde vanuit Groot-Brittannië gedurende 3 dagen (25 t/m 27 februari 2024) Nederland bezoeken. Eiser heeft als doel toerisme en vriendenbezoek vermeld. Eiser heeft verder bij zijn aanvraag vermeld dat hij 5 jaar geleden vrienden uit Nederland heeft ontmoet met wie hij altijd contact heeft gehouden en die hij wil gaan bezoeken. Eiser was al in het bezit van een visum voor Groot-Brittannië. Bij zijn aanvraag heeft eiser de volgende documenten verstrekt:
- een reservering voor [hotel] in Amsterdam;
- retourtickets van Bali naar London en retourtickets van London naar Amsterdam;
- 2 salarisspecificaties die zien op december 2023 ($ 673,12 + $843,70);
- bankafschriften die zien op november 2023 t/m januari 2024.
3. Verweerder heeft met het primaire besluit de aanvraag van eiser afgewezen. Het visum wordt geweigerd op grond van artikel 32 van de Visumcode op drie afwijzingsgronden. Volgens verweerder heeft eiser het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet aangetoond of aannemelijk gemaakt. Eiser heeft verder niet aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken, zowel voor de duur van zijn verblijf als voor zijn terug- dan wel doorreis. Tot slot is volgens verweerder de sociale en economische binding met het land van herkomst onvoldoende aangetoond waardoor er redelijke twijfel bestaat dat eiser tijdig zal terugkeren naar Indonesië.
4. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard. Verweerder handhaaft twee afwijzingsgronden uit het primaire besluit, maar laat de grond die ziet op het hebben van voldoende middelen vallen. Volgens verweerder zijn de verblijfsomstandigheden niet aangetoond omdat gebleken is dat eiser zijn hotelreservering heeft geannuleerd na het primaire besluit zonder een nieuwe over te leggen in bezwaar. Reeds hierom bestaan er bezwaren tegen de afgifte van een visum voor kort verblijf. Verder heeft eiser niet aangetoond wat hij tijdens zijn verblijf in Nederland wilde gaan doen en zien. Er is geen concreet reisplan overgelegd dan wel enigszins gespecificeerd wat of wie hij wilde gaan bezoeken in Nederland. Het had op de weg van eiser gelegen om het reisdoel nader te onderbouwen. Volgens verweerder is daarom sprake van een niet geloofwaardig reisdoel en wordt alleen al daarom afgezien van een visumafgifte. De ingebrekestelling is volgens verweerder niet geldig, omdat de wettelijke beslistermijn nog niet verstreken was.
5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert samengevat het volgende aan. Verweerder heeft te laat beslist. De beslistermijn is nooit kenbaar verlengd en daarbij had verweerder binnen 2 keer 6 weken moeten beslissen. Eiser voert aan voldoende aannemelijk te hebben gemaakt dat hij wel tijdig zou terugkeren naar Indonesië met de financiële stukken met betrekking tot eigendom van activa, huis en grond. Dit ziet op lange termijn verbintenissen en getuigt van de intentie om zich permanent in Indonesië te vestigen. Verder blijkt de intentie om terug te keren uit het feit dat de gehele familie van eiser in Indonesië is, zijn voorkeur om te werken vanuit Indonesië, en de geboekte en niet restitueerbare vliegtickets voor de retourvlucht naar Indonesië. Eiser heeft zijn hotelreservering geannuleerd na de afwijzing van zijn visum, omdat zijn verblijf al twee weken na het primaire besluit zou plaatsvinden en onduidelijk was hoe lang de bezwaarprocedure zou duren. Verder geeft eiser aan dat tijdens zijn aanvraag de omvang van de vereiste informatie duidelijk was. Zijn doel was bezoek aan vrienden en eiser heeft accommodatie en tickets overgelegd. Eiser was van plan om als toerist door de stad te wandelen, foto’s te maken, naar cafés te gaan en met zijn Nederlandse vrienden rond te hangen. Als verweerder meer informatie over eisers bezoek had willen hebben, dan mocht worden verwacht dat verweerder hierom zou vragen in plaats van direct de aanvraag af te wijzen. Tot slot verzoekt eiser om schadevergoeding voor de kosten die zijn gemaakt in het kader van de procedure, de vliegtickets tussen London en Amsterdam en een vergoeding voor al het ongemak van de bestede tijd, opgenomen vakantiedagen en administratieve lasten.
6. Verweerder stelt in het verweerschrift hier tegenover dat eiser jong en ongehuwd is, geen kinderen heeft of andere familieleden waar hij de zorg voor heeft en dus geen sociale binding die noopt tot tijdige terugkeer. Ook werpt verweerder eiser tegen dat hij bij de aanvraag heeft aangegeven dat hij voor de Ramadan terug wilde zijn in Indonesië, maar dat komt niet overeen met zijn brief in het kader van zijn beroep niet tijdig, ingediend hangende de bezwaarprocedure, waarin staat dat eiser tot 29 maart in Groot-Brittannië was terwijl de Ramadan op 10 maart is aangevangen. Verweerder laat het punt dat eiser de ontvangst van zijn salaris niet heeft aangetoond vallen, maar blijft bij zijn standpunt dat een economische binding met Indonesië niet is aangetoond. Eiser heeft namelijk aangegeven niet gebonden te zijn aan een vaste werkplek in Indonesië en het bezit van eiser in Indonesië kan ook door een derde voor hem worden beheerd of worden verkocht.
Beoordeling
Heeft verweerder de hoorplicht geschonden?
7. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder hem om nadere informatie had moeten vragen in plaats van het bezwaar kennelijk ongegrond te verklaren. De rechtbank vat dit op als een beroep op de hoorplicht op grond van artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, Awb kan verweerder van het horen afzien indien er, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand in redelijkheid geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft op 6 juli 2022 een uitspraak gedaan over de hoorplicht in vreemdelingenzaken. Daaruit volgt dat het uitgangspunt is dat een vreemdeling wordt gehoord in bezwaar. Dit uitgangspunt geldt te meer in zaken waarin er beoordelingsruimte is en de beslissing sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. De vraag of van een gehoor kan worden afgezien, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Met deze uitzondering op de hoorplicht moet terughoudend worden omgegaan, zo volgt uit de uitspraak van 6 juli 2022. Als relevante omstandigheid heeft de Afdeling onder meer genoemd de mate waarin een vreemdeling bereidwillig en actief de inspanningen heeft verricht die redelijkerwijs van hem verwacht kunnen worden bij het verkrijgen en tijdig aanleveren van de verzochte informatie. De vuistregel is dat naarmate een vreemdeling meer inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover heeft gecommuniceerd, het meer in de rede ligt om hem uit te nodigen voor een hoorzitting.
7.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser zich actief heeft ingespannen om het doel en de verblijfsomstandigheden van zijn verblijf nader toe te lichten en te onderbouwen. Eiser heeft een uitgebreide aanvraag ingediend waarin hij het doel van zijn reis uitlegt, vliegtickets overgelegd alsmede een hotelreservering, bankgegevens, salarisspecificaties en een verzekering. Verder werpt verweerder ten onrechte aan eiser tegen dat hij zijn hotelreservering heeft geannuleerd na het primaire besluit. Eiser heeft zijn reservering geannuleerd op 18 februari 2024, 9 dagen nadat verweerder zijn aanvraag had afgewezen en hiertegen bezwaar had ingesteld, alsmede 7 dagen voordat hij naar Nederland zou afreizen. Het eisen dat eiser ten behoeve van de bezwaarprocedure een nieuwe reservering zou indienen is niet redelijk gelet op de onduidelijkheid hoe lang die procedure zou duren, te meer nu hem geen beslistermijn is meegedeeld. Het besluit is op dit punt gebrekkig gemotiveerd.
7.2.
Ook heeft eiser zich naar het oordeel van de rechtbank actief ingespannen om zijn sociale en economische situatie en de daarmee gepaarde binding met Indonesië nader toe te lichten. Eiser heeft bij zijn aanvraag vermeld niet gebonden te zijn aan een vaste werkplek, maar terug te willen zijn in Indonesië voor de Ramadan om deze tijd met zijn familie door te brengen. In de bezwaarfase heeft eiser toegelicht dat al zijn familie in Indonesië woont en dat hij een sterke band met hen heeft. Ook heeft eiser eigendomsbewijzen overgelegd van grond, activa, een woning en een auto waaruit volgens eiser lange termijn verplichtingen in Indonesië en een intentie tot terugkeer blijkt. Daarnaast heeft eiser informatie verstrekt met betrekking tot zijn werk. Tot slot heeft eiser gemotiveerd gesteld dat hij vaak contact heeft gezocht met verweerder over zijn aanvraag.
7.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet af kunnen zien van horen.
De stelling van verweerder dat het voor eiser na het primaire besluit duidelijk was welke informatie miste, volgt de rechtbank niet. Zoals hierboven overwogen heeft eiser een heleboel informatie verstrekt. Voor zover er volgens verweerder nog onduidelijkheden waren over het reisplan, lag het op de weg van verweerder om eiser daarover te horen en kan niet worden gesproken van een kennelijk ongegrond bezwaar.
7.4.
Verder heeft verweerder niet aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij per abuis in een brief heeft geschreven dat hij in maart 2024 is teruggekeerd naar Indonesië. Zoals eiser op de zitting heeft toegelicht is duidelijk sprake van een vergissing. Eiser is op 29 februari teruggekeerd naar Indonesië om met zijn familie te zijn tijdens Ramadan, zoals eiser heeft vermeld bij de aanvraag en wat ook blijkt uit de vliegtickets. Ook lijkt een belangrijk punt voor verweerder te zijn dat eiser bij de aanvraag heeft vermeld niet gebonden te zijn aan een vaste werkplek en daarom multiple entry aanvraagt. In dit kader had het ook op de weg van verweerder gelegen om hierover meer duidelijkheid te krijgen bij eiser. Op de zitting heeft eiser toegelicht hij inderdaad niet verplicht is om te werken vanuit Nederland, echter dat hij wel verplicht is om te werken van 9 tot 5 in de Indonesische tijdzone.
7.5.
Het beroep van eiser is gegrond, omdat in de bezwaarfase ten onrechte geen gehoor heeft plaatsgevonden. Wat eiser verder heeft aangevoerd behoeft daarom nu geen bespreking meer. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen naar aanleiding van het door eiser ingestelde bezwaar. Omdat de onrechtmatigheid van het primaire besluit niet vast staat wijst de rechtbank het verzoek van eiser tot vergoeding van schade af.
Heeft eiser recht op een bestuurlijke dwangsom?
8.1.
Eiser voert aan dat hij recht heeft op een bestuurlijke dwangsom omdat verweerder niet tijdig heeft besloten op het bezwaar. De rechtbank volgt eiser hier in. Eiser heeft op9 februari 2024 een bezwaarschrift ingediend. Op 13 april 2024 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld. Tussen partijen is inmiddels niet meer in geschil dat het bestreden besluit te laat is genomen. Anders dan verweerder meent is de rechtbank van oordeel dat artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder c, van de Awb niet van toepassing is, omdat verweerder gelet op het voorgaande het bezwaar ten onrechte kennelijk ongegrond heeft verklaard. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden.
8.2.
Verweerder heeft de hoogte van de dwangsom nog niet vastgesteld. De rechtbank zal verweerder opdragen in het nieuw te nemen besluit het bedrag van de dwangsom vast te stellen met inachtneming van hetgeen hiervoor is vermeld.
Conclusie
9. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit omdat het is genomen in strijd met artikel 7:2 van de Awb. Dit betekent dat verweerder eiser en/of referent alsnog moet horen en het bezwaar daarna opnieuw moet beoordelen. De rechtbank ziet daarom geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. De rechtbank zal daarom verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.L. van Egmond, griffier.
Dictum
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen de uitspraak op het beroep kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening. Tegen de uitspraak op het verzoek staat geen hoger beroep open.
ECLI:NL:RVS:2022:1918.