Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-03-06
ECLI:NL:RBDHA:2025:9729
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,417 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/11009
V-nummer [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 maart 2025 in de zaak tussen
[eiseres]
geboren op [geboortedatum] 1982, van Marokkaanse nationaliteit, eiseres.
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J.R. Sotthewes – de Jonge).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres in het kader van het verblijfsdocument wat aan haar is verstrekt.
1.1.
Eiseres heeft op 30 augustus 2022 verzocht om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER als verzorgende ouder van een Nederlands minderjarig kind.
1.2.
Met het besluit van 13 april 2023 heeft de minister deze aanvraag toegekend en aan eiseres een verblijfsdocument verstrekt op grond van het arrest [naam] als familielid van een Nederlander. Eiseres krijgt een verblijfsdocument geldig tot 12 februari 2027, de dag dat haar kind 18 jaar wordt. De bezwaren van eiseres tegen dit besluit heeft verweerder kennelijk ongegrond verklaard met het bestreden besluit van
31 augustus 2023.
1.3.
De zaak werd met partijen besproken op de zitting van 6 februari 2025. Hierbij waren aanwezig: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
2. Eiseres is een 42-jarige vrouw met vier kinderen. De kinderen zijn in Nederland geboren en hebben de Nederlandse nationaliteit. Eiseres zelf heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiseres heeft met haar kinderen en ex-man tot april 2012 in Nederland gewoond. Daarna zijn eiseres en haar kinderen naar Marokko vertrokken. Verschillende hulpverleners zijn lange tijd bezig geweest het vertrek van eiseres en haar kinderen naar Nederland te organiseren. In augustus 2022 is het gezin terug naar Nederland gereisd.
Beoordeling
3. Kort samengevat komt het beroep van eiseres er op neer dat zij een andere verblijfsgrond wenst en vindt dat verweerder in een andere volgorde had moeten toetsen. Eiseres heeft aanvankelijk een beroep gedaan op het [naam] arrest gelet op de dringende behoefte aan directe toegang tot basisrechten. Echter, eiseres heeft per brief duidelijk verzocht om een specifieke toetsingsvolgorde, namelijk om eerst te toetsen aan artikel 8 EVRM en humanitaire niet-tijdelijke gronden. Ter zitting heeft eiseres verduidelijkt dat zij van mening is dat verweerder de begeleidende brief als een (nieuwe) aanvraag heeft moeten zien. Eiseres is ook van mening dat zij verblijf kan ontlenen aan deze verblijfsgronden en heeft ter materiele onderbouwing persoonlijke omstandigheden aangevoerd.
4.1.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres specifiek een aanvraag heeft ingediend voor een verblijfsdocument als verzorgende ouder minderjarig Nederlands kind en dus een document op grond van [naam]. Aan dit verblijfsdoel is getoetst en daar is een positief besluit uit gekomen. De andere twee verblijfsdoelen worden niet ambtshalve getoetst binnen deze aanvraag. Ambtshalve doortoetsing komt namelijk pas aan de orde bij een afwijzing van een ingediende verblijfsaanvraag. Indien eiseres een andere verblijfsgrond wenst, moet zij een nieuwe aanvraag indienen voor het gewenste verblijfsdoel.
4.2.
De rechtbank stelt vast dat eiseres, zoals verweerder opmerkt, op 30 augustus 2022 heeft verzocht om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER als verzorgende ouder van een Nederlands minderjarig kind door middel van een daarvoor bestemd aanvraagformulier. Verweerder heeft aan het gevraagde verblijfsdoel getoetst en hierop is een positief besluit gekomen. Dat betekent dat in dit geval verweerder heeft gedaan waar eiseres om heeft gevraagd in haar aanvraag. Doortoetsing aan andere verblijfsdoelen komt pas aan de orde bij een afwijzing van de ingediende aanvraag. Daarbij wordt het verblijfsdoel ‘humanitair niet tijdelijk’ pas ambtshalve getoetst als deze in nauw verband staat dan wel in het verlengde ligt van de eerst gevraagde beperking. Dat is in dit geval niet zo. ‘Humanitair niet tijdelijk’ is een geheel ander verblijfsdoel en kent hele andere voorwaarden waaraan moet worden voldaan. Verweerder merkt terecht op dat indien eiseres wil dat verweerder aan deze verblijfsdoelen toetst, zij hiervoor een aparte aanvraag moet indienen.
4.3.
Voor zover eiseres betoogt dat zij hiervoor al (nieuwe) aanvragen heeft ingediend overweegt de rechtbank als volgt. Op 10 november 2022, ruim twee maanden na de aanvraag, is vanuit de gemachtigde van eiseres een brief verstuurd naar verweerder. Hierin is te lezen “Bij deze verzoek ik u namens cliënte om haar aanvraag te toetsen in de volgorde voor verblijfsdoel EU/EER recht, ‘humanitair niet-tijdelijk’ dan wel [naam] arrest”. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deze brief niet hoeven opvatten als nieuwe aanvragen. De brief verwijst duidelijk naar de bestaande aanvraag en verzoekt louter om een bepaalde toetsingsvolgorde aan te houden. Dat betekent dat deze beroepsgrond niet slaagt en verweerder niet aan de andere verblijfsdoelen heeft hoeven toetsen.
5.1.
Eiseres wijst verder op de onzorgvuldigheid van verweerder in de eerdere procedure over het facilitair visum. Het is aan verweerder te wijten dat dit heel lang heeft geduurd en hierdoor kan eiseres geen aanspraak meer maken op een verblijfsvergunning met een minimale geldigheidsduur van vijf jaar dan wel een verblijfsvergunning op grond van voortgezet verblijf.
5.2.
Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Hetgeen is aangevoerd ziet op een (eerdere) procedure met betrekking tot het facilitair visum. Nog daargelaten of verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld, kan dit naar het oordeel van de rechtbank geen rol spelen in deze procedure. Eiseres kan dus mogelijk onzorgvuldig handelen met betrekking tot het facilitairvisum in deze procedure niet aan verweerder tegenwerpen.
6.1.
Tot slot voert eiseres aan dat verweerder haar ten onrechte niet heeft gehoord. Volgens eiseres was horen noodzakelijk gezien de complexiteit en de ernst van de aangevoerde omstandigheden. Op de zitting heeft eiseres hier aan toegevoegd dat als verweerder een hoorzitting had ingepland, het niet zo ver zou zijn gekomen en dat duidelijk was geworden dat zij een nieuwe aanvraag hadden moeten indienen.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van schending van de hoorplicht. Het bewaar van eiseres ziet namelijk slechts op juridische gronden, namelijk de vraag of verweerder had moeten doortoetsen. Verweerder merkt terecht op dat een hoorzitting hier niets aan kon veranderen nu verweerder niet toe komt aan de door eiseres aangevoerde (materiele) omstandigheden. Die omstandigheden gaan pas een rol spelen indien verweerder aan de andere verblijfsdoelen gaat toetsen. Een hoorzitting had daarom geen verschil gemaakt, aangezien er geen sprake is van een afwijzing. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat vaker tegen eiseres is gezegd – bijvoorbeeld in het bestreden besluit – dat zij een nieuwe aanvraag moest indienen.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Omdat eiseres geen gelijk krijgt, krijgt zij ook geen kosten vergoed die zij heeft gemaakt in deze procedure.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.L. van Egmond, griffier.
Dictum
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen de uitspraak op het beroep kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening. Tegen de uitspraak op het verzoek staat geen hoger beroep open.
Op basis van artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
Artikel 3.6b van het Vreemdelingenbesluit 2000.
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/11009
V-nummer [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 maart 2025 in de zaak tussen
[eiseres]
geboren op [geboortedatum] 1982, van Marokkaanse nationaliteit, eiseres.
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J.R. Sotthewes – de Jonge).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres in het kader van het verblijfsdocument wat aan haar is verstrekt.
1.1.
Eiseres heeft op 30 augustus 2022 verzocht om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER als verzorgende ouder van een Nederlands minderjarig kind.
1.2.
Met het besluit van 13 april 2023 heeft de minister deze aanvraag toegekend en aan eiseres een verblijfsdocument verstrekt op grond van het arrest [naam] als familielid van een Nederlander. Eiseres krijgt een verblijfsdocument geldig tot 12 februari 2027, de dag dat haar kind 18 jaar wordt. De bezwaren van eiseres tegen dit besluit heeft verweerder kennelijk ongegrond verklaard met het bestreden besluit van
31 augustus 2023.
1.3.
De zaak werd met partijen besproken op de zitting van 6 februari 2025. Hierbij waren aanwezig: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
2. Eiseres is een 42-jarige vrouw met vier kinderen. De kinderen zijn in Nederland geboren en hebben de Nederlandse nationaliteit. Eiseres zelf heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiseres heeft met haar kinderen en ex-man tot april 2012 in Nederland gewoond. Daarna zijn eiseres en haar kinderen naar Marokko vertrokken. Verschillende hulpverleners zijn lange tijd bezig geweest het vertrek van eiseres en haar kinderen naar Nederland te organiseren. In augustus 2022 is het gezin terug naar Nederland gereisd.
Beoordeling
3. Kort samengevat komt het beroep van eiseres er op neer dat zij een andere verblijfsgrond wenst en vindt dat verweerder in een andere volgorde had moeten toetsen. Eiseres heeft aanvankelijk een beroep gedaan op het [naam] arrest gelet op de dringende behoefte aan directe toegang tot basisrechten. Echter, eiseres heeft per brief duidelijk verzocht om een specifieke toetsingsvolgorde, namelijk om eerst te toetsen aan artikel 8 EVRM en humanitaire niet-tijdelijke gronden. Ter zitting heeft eiseres verduidelijkt dat zij van mening is dat verweerder de begeleidende brief als een (nieuwe) aanvraag heeft moeten zien. Eiseres is ook van mening dat zij verblijf kan ontlenen aan deze verblijfsgronden en heeft ter materiele onderbouwing persoonlijke omstandigheden aangevoerd.
4.1.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres specifiek een aanvraag heeft ingediend voor een verblijfsdocument als verzorgende ouder minderjarig Nederlands kind en dus een document op grond van [naam]. Aan dit verblijfsdoel is getoetst en daar is een positief besluit uit gekomen. De andere twee verblijfsdoelen worden niet ambtshalve getoetst binnen deze aanvraag. Ambtshalve doortoetsing komt namelijk pas aan de orde bij een afwijzing van een ingediende verblijfsaanvraag. Indien eiseres een andere verblijfsgrond wenst, moet zij een nieuwe aanvraag indienen voor het gewenste verblijfsdoel.
4.2.
De rechtbank stelt vast dat eiseres, zoals verweerder opmerkt, op 30 augustus 2022 heeft verzocht om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER als verzorgende ouder van een Nederlands minderjarig kind door middel van een daarvoor bestemd aanvraagformulier. Verweerder heeft aan het gevraagde verblijfsdoel getoetst en hierop is een positief besluit gekomen. Dat betekent dat in dit geval verweerder heeft gedaan waar eiseres om heeft gevraagd in haar aanvraag. Doortoetsing aan andere verblijfsdoelen komt pas aan de orde bij een afwijzing van de ingediende aanvraag. Daarbij wordt het verblijfsdoel ‘humanitair niet tijdelijk’ pas ambtshalve getoetst als deze in nauw verband staat dan wel in het verlengde ligt van de eerst gevraagde beperking. Dat is in dit geval niet zo. ‘Humanitair niet tijdelijk’ is een geheel ander verblijfsdoel en kent hele andere voorwaarden waaraan moet worden voldaan. Verweerder merkt terecht op dat indien eiseres wil dat verweerder aan deze verblijfsdoelen toetst, zij hiervoor een aparte aanvraag moet indienen.
4.3.
Voor zover eiseres betoogt dat zij hiervoor al (nieuwe) aanvragen heeft ingediend overweegt de rechtbank als volgt. Op 10 november 2022, ruim twee maanden na de aanvraag, is vanuit de gemachtigde van eiseres een brief verstuurd naar verweerder. Hierin is te lezen “Bij deze verzoek ik u namens cliënte om haar aanvraag te toetsen in de volgorde voor verblijfsdoel EU/EER recht, ‘humanitair niet-tijdelijk’ dan wel [naam] arrest”. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deze brief niet hoeven opvatten als nieuwe aanvragen. De brief verwijst duidelijk naar de bestaande aanvraag en verzoekt louter om een bepaalde toetsingsvolgorde aan te houden. Dat betekent dat deze beroepsgrond niet slaagt en verweerder niet aan de andere verblijfsdoelen heeft hoeven toetsen.
5.1.
Eiseres wijst verder op de onzorgvuldigheid van verweerder in de eerdere procedure over het facilitair visum. Het is aan verweerder te wijten dat dit heel lang heeft geduurd en hierdoor kan eiseres geen aanspraak meer maken op een verblijfsvergunning met een minimale geldigheidsduur van vijf jaar dan wel een verblijfsvergunning op grond van voortgezet verblijf.
5.2.
Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Hetgeen is aangevoerd ziet op een (eerdere) procedure met betrekking tot het facilitair visum. Nog daargelaten of verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld, kan dit naar het oordeel van de rechtbank geen rol spelen in deze procedure. Eiseres kan dus mogelijk onzorgvuldig handelen met betrekking tot het facilitairvisum in deze procedure niet aan verweerder tegenwerpen.
6.1.
Tot slot voert eiseres aan dat verweerder haar ten onrechte niet heeft gehoord. Volgens eiseres was horen noodzakelijk gezien de complexiteit en de ernst van de aangevoerde omstandigheden. Op de zitting heeft eiseres hier aan toegevoegd dat als verweerder een hoorzitting had ingepland, het niet zo ver zou zijn gekomen en dat duidelijk was geworden dat zij een nieuwe aanvraag hadden moeten indienen.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van schending van de hoorplicht. Het bewaar van eiseres ziet namelijk slechts op juridische gronden, namelijk de vraag of verweerder had moeten doortoetsen. Verweerder merkt terecht op dat een hoorzitting hier niets aan kon veranderen nu verweerder niet toe komt aan de door eiseres aangevoerde (materiele) omstandigheden. Die omstandigheden gaan pas een rol spelen indien verweerder aan de andere verblijfsdoelen gaat toetsen. Een hoorzitting had daarom geen verschil gemaakt, aangezien er geen sprake is van een afwijzing. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat vaker tegen eiseres is gezegd – bijvoorbeeld in het bestreden besluit – dat zij een nieuwe aanvraag moest indienen.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Omdat eiseres geen gelijk krijgt, krijgt zij ook geen kosten vergoed die zij heeft gemaakt in deze procedure.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.L. van Egmond, griffier.
Dictum
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen de uitspraak op het beroep kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening. Tegen de uitspraak op het verzoek staat geen hoger beroep open.
Op basis van artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
Artikel 3.6b van het Vreemdelingenbesluit 2000.
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/11009
V-nummer [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 maart 2025 in de zaak tussen
[eiseres]
geboren op [geboortedatum] 1982, van Marokkaanse nationaliteit, eiseres.
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J.R. Sotthewes – de Jonge).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres in het kader van het verblijfsdocument wat aan haar is verstrekt.
1.1.
Eiseres heeft op 30 augustus 2022 verzocht om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER als verzorgende ouder van een Nederlands minderjarig kind.
1.2.
Met het besluit van 13 april 2023 heeft de minister deze aanvraag toegekend en aan eiseres een verblijfsdocument verstrekt op grond van het arrest [naam] als familielid van een Nederlander. Eiseres krijgt een verblijfsdocument geldig tot 12 februari 2027, de dag dat haar kind 18 jaar wordt. De bezwaren van eiseres tegen dit besluit heeft verweerder kennelijk ongegrond verklaard met het bestreden besluit van
31 augustus 2023.
1.3.
De zaak werd met partijen besproken op de zitting van 6 februari 2025. Hierbij waren aanwezig: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
2. Eiseres is een 42-jarige vrouw met vier kinderen. De kinderen zijn in Nederland geboren en hebben de Nederlandse nationaliteit. Eiseres zelf heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiseres heeft met haar kinderen en ex-man tot april 2012 in Nederland gewoond. Daarna zijn eiseres en haar kinderen naar Marokko vertrokken. Verschillende hulpverleners zijn lange tijd bezig geweest het vertrek van eiseres en haar kinderen naar Nederland te organiseren. In augustus 2022 is het gezin terug naar Nederland gereisd.
Beoordeling
3. Kort samengevat komt het beroep van eiseres er op neer dat zij een andere verblijfsgrond wenst en vindt dat verweerder in een andere volgorde had moeten toetsen. Eiseres heeft aanvankelijk een beroep gedaan op het [naam] arrest gelet op de dringende behoefte aan directe toegang tot basisrechten. Echter, eiseres heeft per brief duidelijk verzocht om een specifieke toetsingsvolgorde, namelijk om eerst te toetsen aan artikel 8 EVRM en humanitaire niet-tijdelijke gronden. Ter zitting heeft eiseres verduidelijkt dat zij van mening is dat verweerder de begeleidende brief als een (nieuwe) aanvraag heeft moeten zien. Eiseres is ook van mening dat zij verblijf kan ontlenen aan deze verblijfsgronden en heeft ter materiele onderbouwing persoonlijke omstandigheden aangevoerd.
4.1.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres specifiek een aanvraag heeft ingediend voor een verblijfsdocument als verzorgende ouder minderjarig Nederlands kind en dus een document op grond van [naam]. Aan dit verblijfsdoel is getoetst en daar is een positief besluit uit gekomen. De andere twee verblijfsdoelen worden niet ambtshalve getoetst binnen deze aanvraag. Ambtshalve doortoetsing komt namelijk pas aan de orde bij een afwijzing van een ingediende verblijfsaanvraag. Indien eiseres een andere verblijfsgrond wenst, moet zij een nieuwe aanvraag indienen voor het gewenste verblijfsdoel.
4.2.
De rechtbank stelt vast dat eiseres, zoals verweerder opmerkt, op 30 augustus 2022 heeft verzocht om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER als verzorgende ouder van een Nederlands minderjarig kind door middel van een daarvoor bestemd aanvraagformulier. Verweerder heeft aan het gevraagde verblijfsdoel getoetst en hierop is een positief besluit gekomen. Dat betekent dat in dit geval verweerder heeft gedaan waar eiseres om heeft gevraagd in haar aanvraag. Doortoetsing aan andere verblijfsdoelen komt pas aan de orde bij een afwijzing van de ingediende aanvraag. Daarbij wordt het verblijfsdoel ‘humanitair niet tijdelijk’ pas ambtshalve getoetst als deze in nauw verband staat dan wel in het verlengde ligt van de eerst gevraagde beperking. Dat is in dit geval niet zo. ‘Humanitair niet tijdelijk’ is een geheel ander verblijfsdoel en kent hele andere voorwaarden waaraan moet worden voldaan. Verweerder merkt terecht op dat indien eiseres wil dat verweerder aan deze verblijfsdoelen toetst, zij hiervoor een aparte aanvraag moet indienen.
4.3.
Voor zover eiseres betoogt dat zij hiervoor al (nieuwe) aanvragen heeft ingediend overweegt de rechtbank als volgt. Op 10 november 2022, ruim twee maanden na de aanvraag, is vanuit de gemachtigde van eiseres een brief verstuurd naar verweerder. Hierin is te lezen “Bij deze verzoek ik u namens cliënte om haar aanvraag te toetsen in de volgorde voor verblijfsdoel EU/EER recht, ‘humanitair niet-tijdelijk’ dan wel [naam] arrest”. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deze brief niet hoeven opvatten als nieuwe aanvragen. De brief verwijst duidelijk naar de bestaande aanvraag en verzoekt louter om een bepaalde toetsingsvolgorde aan te houden. Dat betekent dat deze beroepsgrond niet slaagt en verweerder niet aan de andere verblijfsdoelen heeft hoeven toetsen.
5.1.
Eiseres wijst verder op de onzorgvuldigheid van verweerder in de eerdere procedure over het facilitair visum. Het is aan verweerder te wijten dat dit heel lang heeft geduurd en hierdoor kan eiseres geen aanspraak meer maken op een verblijfsvergunning met een minimale geldigheidsduur van vijf jaar dan wel een verblijfsvergunning op grond van voortgezet verblijf.
5.2.
Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Hetgeen is aangevoerd ziet op een (eerdere) procedure met betrekking tot het facilitair visum. Nog daargelaten of verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld, kan dit naar het oordeel van de rechtbank geen rol spelen in deze procedure. Eiseres kan dus mogelijk onzorgvuldig handelen met betrekking tot het facilitairvisum in deze procedure niet aan verweerder tegenwerpen.
6.1.
Tot slot voert eiseres aan dat verweerder haar ten onrechte niet heeft gehoord. Volgens eiseres was horen noodzakelijk gezien de complexiteit en de ernst van de aangevoerde omstandigheden. Op de zitting heeft eiseres hier aan toegevoegd dat als verweerder een hoorzitting had ingepland, het niet zo ver zou zijn gekomen en dat duidelijk was geworden dat zij een nieuwe aanvraag hadden moeten indienen.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van schending van de hoorplicht. Het bewaar van eiseres ziet namelijk slechts op juridische gronden, namelijk de vraag of verweerder had moeten doortoetsen. Verweerder merkt terecht op dat een hoorzitting hier niets aan kon veranderen nu verweerder niet toe komt aan de door eiseres aangevoerde (materiele) omstandigheden. Die omstandigheden gaan pas een rol spelen indien verweerder aan de andere verblijfsdoelen gaat toetsen. Een hoorzitting had daarom geen verschil gemaakt, aangezien er geen sprake is van een afwijzing. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat vaker tegen eiseres is gezegd – bijvoorbeeld in het bestreden besluit – dat zij een nieuwe aanvraag moest indienen.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Omdat eiseres geen gelijk krijgt, krijgt zij ook geen kosten vergoed die zij heeft gemaakt in deze procedure.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.L. van Egmond, griffier.
Dictum
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen de uitspraak op het beroep kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening. Tegen de uitspraak op het verzoek staat geen hoger beroep open.
Op basis van artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
Artikel 3.6b van het Vreemdelingenbesluit 2000.