Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2025-05-30
ECLI:NL:RBDHA:2025:9700
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,096 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.22767
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 mei 2025 in de zaak tussen
[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum],
van Tunesische nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. E.J.P. Cats),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. D.J. Halbesma).
Inleiding
1. De minister heeft op 27 december 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 30 mei 2025 met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam. De gemachtigde van eiser is verschenen op de rechtbank in Groningen. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.
1.4.
Met inachtneming van artikel 8:67 van de Awb heeft de rechtbank onmiddellijk na sluiting van het onderzoek op de zitting mondeling uitspraak gedaan.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Beoordeling
2. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al driemaal eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 25 april 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of het voortduren van de maatregel van bewaring sinds het sluiten van het onderzoek in de voorgaande zaak op 18 april 2025 rechtmatig is.
4. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank is van oordeel dat, hoewel algemeen wordt gerappelleerd, dit in het geval van eiser nog steeds voldoende is. Dit omdat eiser geen volledige en actieve medewerking verleent, zoals ook blijkt uit het vertrekgesprek van 28 mei 2025. Er zijn ook geen aanknopingspunten dat zicht op uitzetting in het algemeen ontbreekt; de uitkomst van de rappels mag worden afgewacht.
5. De rechtbank ziet verder geen aanleiding om aan eiser een lichter middel op te leggen. De rechtbank begrijpt dat de bewaring eiser zwaar valt, maar ziet geen bewijsstukken dan wel andere aanknopingspunten voor detentieongeschiktheid. Bij psychische en medische klachten kan eiser zich wenden tot de medische dienst.
6. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat er voldoende voortvarend wordt gehandeld. Er is geprobeerd een vertrekgesprek met eiser te voeren op 29 april 2025, en er heeft een vertrekgesprek plaatsgevonden op 28 mei 2025. Verder is op 1 mei 2025 gerappelleerd op de lp-aanvraag.
7. Het standaardtekstblok in de voortgangsrapportage over de verzwaarde belangenafweging is, zoals door de gemachtigde van de minister ter zitting heeft aangegeven, per abuis opgenomen, zodat de rechtbank dit als ongeschreven beschouwt.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2025 door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier en gepseudonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Vreemdelingenwet 2000.
Algemene wet bestuursrecht.
NL25.16194.
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.22767
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 mei 2025 in de zaak tussen
[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum],
van Tunesische nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. E.J.P. Cats),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. D.J. Halbesma).
Inleiding
1. De minister heeft op 27 december 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 30 mei 2025 met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam. De gemachtigde van eiser is verschenen op de rechtbank in Groningen. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.
1.4.
Met inachtneming van artikel 8:67 van de Awb heeft de rechtbank onmiddellijk na sluiting van het onderzoek op de zitting mondeling uitspraak gedaan.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Beoordeling
2. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al driemaal eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 25 april 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of het voortduren van de maatregel van bewaring sinds het sluiten van het onderzoek in de voorgaande zaak op 18 april 2025 rechtmatig is.
4. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank is van oordeel dat, hoewel algemeen wordt gerappelleerd, dit in het geval van eiser nog steeds voldoende is. Dit omdat eiser geen volledige en actieve medewerking verleent, zoals ook blijkt uit het vertrekgesprek van 28 mei 2025. Er zijn ook geen aanknopingspunten dat zicht op uitzetting in het algemeen ontbreekt; de uitkomst van de rappels mag worden afgewacht.
5. De rechtbank ziet verder geen aanleiding om aan eiser een lichter middel op te leggen. De rechtbank begrijpt dat de bewaring eiser zwaar valt, maar ziet geen bewijsstukken dan wel andere aanknopingspunten voor detentieongeschiktheid. Bij psychische en medische klachten kan eiser zich wenden tot de medische dienst.
6. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat er voldoende voortvarend wordt gehandeld. Er is geprobeerd een vertrekgesprek met eiser te voeren op 29 april 2025, en er heeft een vertrekgesprek plaatsgevonden op 28 mei 2025. Verder is op 1 mei 2025 gerappelleerd op de lp-aanvraag.
7. Het standaardtekstblok in de voortgangsrapportage over de verzwaarde belangenafweging is, zoals door de gemachtigde van de minister ter zitting heeft aangegeven, per abuis opgenomen, zodat de rechtbank dit als ongeschreven beschouwt.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2025 door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier en gepseudonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Vreemdelingenwet 2000.
Algemene wet bestuursrecht.
NL25.16194.